In Nederland en België is de bontfokkerij onder grote druk van dierenrechtenorganisaties als Animal Rights en met wat hulp van de coronapandemie inmiddels verleden tijd.
In Nederland was in 2013 de Wet verbod pelsdierhouderij in werking getreden. In deze wet stond dat bestaande pelsdierhouders tot 1 januari 2024 enkel onder bepaalde voorwaarden mochten doorgaan met hun bedrijf. Toen kwam Covid-19. Nertsen raakten besmet. Organisaties als Animal Rights voerden de druk verder op: ruimingen zijn onacceptabel zonder een verbod!
Het verbod werd vervolgens drie jaar naar voren gehaald. Op 8 januari 2021 ging het verbod op de pelsdierhouderij in en was het daarmee in Nederland verboden om pelsdieren te houden voor bontproductie. Op dat moment waren er geen nertsen meer op de nertsenbedrijven in Nederland. Van de 126 bedrijven werden er 70 geruimd omdat ze positief testte op Sars-Cov-2. Alle nertsen op de overige bedrijven werden gedood en gepelsd.
Zie voor de tijdlijn:
In mei 2020 kondigde minister van Dierenwelzijn Ben Weyts aan dat de financiële regeling voor het stopzetten van nertsenbedrijven in Vlaanderen rond was. Ook hier voerden dierenrechtenorganisaties zoals Animal Rights de druk op. In Wallonië en Brussel waren er al langer geen nertsenbedrijven meer. De regeling voorzag in een einde in 2023, maar begin 2021 lagen alle overgebleven Vlaamse nertsenfokkerijen stil. In juni 2021 maakte minister Ben Weyts bekend dat alle 14 bedrijven een aanvraag tot stopzetting hadden ingediend. Officieel werd het verbod op 1 december 2023 van kracht.
Sommige Europese landen hadden geen bontproductie (Portugal, Cyprus), een aantal stopte al voor corona (Oostenrijk, Kroatië, Tsjechië, Luxemburg, Slovenië, Duitsland (op basis van strenge welzijnswetgeving)) en vele landen verboden de bontproductie de afgelopen jaren sinds de pandemie. In een aantal landen loopt nu het uitfaseringsproces (Letland (2028), Litouwen (2027), Roemenië (2027) en Polen (2033)).
Dan blijven er vijf landen over. Denemarken liet alle nertsen in het land in 2020 afmaken, maar stond toe dat de nertsenhouderij in 2023 in afgeslankte vorm weer opstartte. Spanje heeft een verbod op nieuwe fokkerijen sinds 2016 maar geen eindpunt. Hongarije staat alleen het houden van chinchilla nog toe en Finland en Griekenland hebben nergens geen boodschap aan.
In 2024 produceerden deze landen 6,3 miljoen pelzen, waarvan 5,8 miljoen nerts, 306.000 vos, 141.000 chinchilla en 29.000 wasbeerhond, volgens het recente rapport ‘Pay to stay or pay to go? Comparing public expenditure on welfare standards and a ban on EU fur farming’. 1 In 2024 werd, met uitzondering van chinchilla, op alle diersoorten verlies geleden.
In juli 2025 concludeerde de het panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA), dat de welzijnsproblemen bij nertsen, vossen, wasbeerhonden en chinchilla’s in de huidige kooisystemen niet kunnen worden voorkomen of aanzienlijk kunnen worden beperkt. 2
De Europese Commissie heeft twee opties: een productieverbod of strengere normen, waarbij telkens de vraag rijst of de maatregel ook op invoer van bont van toepassing moet zijn.
Bovengenoemd rapport maakt een schatting van de te verwachten overheidsuitgaven voor die vier beleidsopties, met de nadruk op compensatie of overheidssteun voor pelsdierhouders. Voor een productieverbod wordt de compensatie geschat door te kijken naar de kosten in de landen die al eerder stopten, zoals Nederland en België. Voor strengere welzijnsnormen wordt de overheidssteun geschat op basis van het kapitaal dat nodig is om aan nieuwe normen te voldoen, vooral nieuwe kooien, waarbij gebruik wordt gemaakt van de kostenanalyse die voor de Finse overheid is opgesteld.
De conclusies van het rapport zijn dat de overheidsuitgaven voor een productieverbod bescheiden zijn (en eenmalig) in vergelijking met de optie van het verhogen van de houderijstandaarden.
Tijd is op zichzelf een vorm van compensatie: een langere uitfaseringsperiode geeft producenten meer tijd om hun investering terug te verdienen voordat het verbod van kracht wordt, waardoor de vereiste financiële compensatie afneemt – mogelijk zelfs tot nul.
Fatsoenlijke welzijnsstandaards zijn eigenlijk onhaalbaar zonder astronomische, oneconomische kosten te maken.
Het uitbreiden van een productieverbod naar de EU-markt zou naar schatting slechts in geringe mate leiden tot aansprakelijkheid voor schadevergoeding – in lijn met de precedenten rond zeehondenbont en bont van honden en katten. Het uitbreiden van welzijnseisen naar geïmporteerd bont, daarentegen, zou naar schatting € 6 miljoen per jaar aan kosten voor verificatie en naleving voor importeurs met zich meebrengen.
Deze uitkomsten zijn welkom en de hoop is dat politici hier ook naar handelen.
‘Beëindiging is goedkoper dan welzijnsinvesteringen’ is de gouden standaard die dierenwelzijnsorganisaties zich in de oren dienen te knopen. Welzijnsinvesteringen dienen vooral om het geweten van de consument te sussen en worden op de economische belangen van de industrie afgestemd. Ze maken afschaffing van een sector vervolgens moeilijker omdat gedane investeringen moeten worden terugverdiend. Welzijnsinvesteringen redden geen levens, vormen over het algemeen nauwelijks een meetbare verbetering van de bestaansomstandigheden van de dieren en leiden vaak tot weer nieuwe, soms ernstigere welzijnsproblemen. Kies dus voor een rechten-insteek!


















