Zondagavond laat, 3 augustus 2025, kwamen duizenden kippen om het leven nadat er brand uitbrak in een loods aan de Keijenhurkseweg in het Brabantse Vessem en al snel oversloeg naar een aangrenzende kippenstal. Het gaat om een loods van 10 bij 30 meter, waar 2000 liter diesel in opgeslagen stond. Het is naar mening van Animal Rights waanzin dat dat is toegestaan en ook nog verzekerbaar is.
Op het bedrijf worden 21.000 kippen gevangen gehouden, verdeeld over drie stallen. Volgens de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost ging het in de getroffen stal om 9.000 dieren. Omroep Brabant berichtte dat deze 9.000 ook omgekomen zijn, het Eindhovens Dagblad heeft het over 3.000 doden.
Stalbranden discrimineren niet. Het ging hier om biologische leghennen en het bedrijf is aangesloten bij de Coöperatie Biomeerwaarde Ei.
Eerder dit jaar, op 14 juni, kwamen 50.000 leghennen om bij een stalbrand in het Limburgse Heibloem. Met de duizenden doden van afgelopen weekend zit 2025 het aantal stalbrandslachtoffers van 2024 al weer op de hielen.
Eerder dit jaar, op 11 februari, kwamen 19 koeien om het leven bij een stalbrand aan de Wagendijk in Kockengen. Op 15 maart kwamen zeker 30 schapen om bij een brand in een schuur in Herwijnen. Een een big kwam om bij een brand in IJsselstein op 1 mei. Daarnaast waren er nog tientallen ‘agrarische branden’ waar het net goed afliep, of de slachtoffers niet bekend gemaakt zijn.
Buiten het zicht van het grote publiek vindt jaarlijks een ware slachting plaats. Duizenden inheemse dieren worden zonder pardon doodgeschoten door jagers. Het slachtoffer? De vos: een prachtig, intelligent en schuw dier met een belangrijke rol in ons ecosysteem, maar die zich niet graag laat zien.
De jacht
In Nederland is de jacht op vossen het hele jaar door toegestaan, tussen zonsopgang en zonsondergang. Jagers mogen hierbij gebruik maken van geweren, drijfjachten en – in de periode van 1 september tot 1 maart – zelfs van honden. Bij deze laatste methode wordt een hond ingezet om in de ondergrondse gangen de vos op te sporen, aan te vallen en uit zijn hol te jagen. Een wrede en uiterst stressvolle manier van jagen. 1
Met een ontheffing kan de jacht verder worden uitgebreid. Provinciale overheden kunnen bijvoorbeeld toestemming geven om ’s nachts te jagen met warmtebeeldkijkers of kunstlicht. Ook het gebruik van vangkooien kan worden toegestaan: jonge vosjes worden gevangen in een kooi die op een zichtbare plek wordt geplaatst. Wanneer de moeder haar jongen probeert te bevrijden, wordt zij vervolgens doodgeschoten. Is dit de ‘liefde voor de natuur’ of ‘de spanning van de jacht’ waar jagers het zo vaak over hebben? 2
Waarom wordt de vos bejaagd?
Jagers beweren dat de jacht op vossen noodzakelijk is om weidevogels te beschermen. Het klopt dat veel weidevogelsoorten het zwaar hebben, en bescherming is zonder meer noodzakelijk. Maar om de vos tot grote dader uit te roepen, is volstrekt onjuist. In totaal zijn er minstens veertien andere predatoren die op weidevogels jagen. Sommige vogelsoorten jagen zelfs twee tot vier keer vaker op deze prooien dan de roofdieren die tot de zoogdieren behoren. Het zijn allemaal natuurlijke jagers, die deel uitmaken van het bestaande ecosysteem. We moeten het niet willen dat we al deze soorten uitroeien, opdat andere soorten al dan niet in aantal kunnen toenemen.
De belangrijkste oorzaak voor de achteruitgang van deze vogels moeten we toch zoeken in de richting van de mens. Naast de schade die vrij loslopende katten aanrichten, zien we dat de intensivering van de landbouw ervoor zorgt dat tal van nesten, eieren en jonge vogels verloren gaan. We pleiten dan ook voor het aanpakken van de oorzaken, in plaats van het doden van inheemse diersoorten. 3
Een zinloze praktijk
De jacht op vossen is niet alleen barbaars, het is in het geheel ook een zinloze onderneming. De dieren zijn strikt territoriaal, waardoor een gebied slechts een bepaalde hoeveelheid vossen kan bevatten. Wanneer jagers een vos afschieten, zal het vrijgekomen territorium snel worden ingenomen door een andere vos. Veel jachten vinden ook plaats in de tijd dat jonge vossen rondzwerven op zoek naar eigen territoria (in de herfst/winter). Het schieten van vossen maakt dan de territoria vrij voor de zwervers die op zoek zijn naar een eigen territorium.
De angst voor een ‘vossenexplosie’ zonder jacht is dan ook ongegrond. In Luxemburg is de vossenjacht sinds 2015 verboden. De populatie daar is sindsdien stabiel gebleven. 4
Wat kun jij doen?
Animal Rights strijdt al jarenlang voor een verbod op de jacht op vossen. Met jouw hulp kunnen we daar samen voor zorgen:
Deel de petitie ook vooral met vrienden, familie en op sociale media.
Zie je een vossenjacht of een vossenval? Maak beelden en deel deze met ons via [email protected]. Je kunt bij een jacht ook lawaai maken (bijvoorbeeld door te schreeuwen of te toeteren) vanaf de openbare weg om zo de jacht te verstoren. Let hierbij wel op je eigen veiligheid: jagers stellen jouw aanwezigheid niet op prijs.
Artikel 2.5, lid 4 van het Besluit houders van dieren 1 zegt: ”De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier zijn niet schadelijk voor het dier.” Dit is een zogenoemde ‘open norm’. Dat houdt in dat er niet wordt gezegd hoe hoog de gasconcentraties maximaal mogen zijn, of wat de maximale acceptabele luchtvochtigheid is. Dat maakt handhaving moeilijk tot onmogelijk. Ook de landbouwminister zegt nu: ”De praktijk heeft uitgewezen dat het handhavingsprotocol waarmee vanaf 2018 is gewerkt onvoldoende houvast biedt voor effectief toezicht.”
Er is genoeg wetenschappelijk bewijs dat varkens zelf zouden kiezen voor een zo laag mogelijke NH3 concentratie: Jones et al (1996) gaven vleesvarkens de keuze uit verblijven met 10, 20, 30 en 40 ppm NH3 en 80% van de tijd werd doorgebracht in de verblijven met 10 en 20 ppm. Parker et al (2010) vond bij varkens in stallucht met een NH3 concentratie van 20 ppm vergeleken met 5 ppm meer agressie en minder onderwerpend gedrag.
In de Duitse wet wordt voor de NH3 concentratie een bovengrens van 20 ppm aangehouden. In Nederland geldt voor pluimvee dezelfde grens en mensen mogen op de werkplek zelfs niet langer dan 8 uur aan 20 ppm NH3 of 15 minuten aan 50 ppm NH3 of meer worden blootgesteld (SER, Wettelijke Grenswaarde, 2007). ”Het is daarmee verdedigbaar om voor de concentratie NH3 in de stallucht voor varkens 20 ppm als grenswaarde te hanteren,” zegt de WUR in haar rapport van april 2017 ‘Signaalindicatoren bij handhaving van “Open Normen” voor dierenwelzijn’. 2 Voor CO2 is de grenswaarde voor mensen 5000 ppm (0,5%). In Duitsland, maar ook in Nederlandse pluimveestallen is de bovengrens voor CO2 concentratie 3000 ppm.
Voor varkens zijn er echter geen grenzen opgenomen voor deze kenmerken. Voor varkens werkt men daarom met ‘signaalindicatoren’, kenmerken die een eerste aanwijzing geven dat het stalklimaat niet aan de norm voldoet.
De 5 kenmerken waar de NVWA 3 tijdens controles op let om het stalklimaat te beoordelen zijn:
CO2– en NH3-concentraties
mate van roodheid en/of bevuiling in de ogen
mate van oorbijten
mate van staartbijten
mate van bevuiling van de dieren
Het komt er op neer dat het stalklimaat giftig ongezond mag zijn zolang de varkens maar geen uiterlijke kenmerken van die vergiftiging vertonen. De NVWA inspecteurs kunnen pas in het slachthuis in de longen van de varkens kijken (en dat doen ze over het algemeen niet).
In juni 2025 geeft demissionair landbouwminister Wiersma in antwoord op Kamervragen bij het jaarverslag over 2024 4 de huidige stand van zaken weer: ”De praktijk heeft uitgewezen dat het handhavingsprotocol waarmee vanaf 2018 is gewerkt onvoldoende houvast biedt voor effectief toezicht. Daarom is door het ministerie van LNV in 2022, in overleg met de NVWA, aan Wageningen UR de opdracht gegeven om de mogelijkheden te onderzoeken om het huidige protocol aan te scherpen en te verduidelijken. Zodat NVWA-inspecteurs duidelijk kunnen vaststellen of het stalklimaat al dan niet schadelijk is. Dit onderzoek is eind december 2024 afgerond. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegewogen in het traject om te komen tot een nog meer dierwaardige veehouderij.”
”Bij 51 inspecties (2 in 2023 afgerond, 47 in 2024 en 2 in 2025) die zijn uitgevoerd voor een naleefmeting van de welzijnsregels voor varkens, zijn tevens concentraties ammoniak en koolstofdioxide gemeten. Deze metingen zijn verricht om meer informatie te krijgen over de concentraties van deze gassen in de stallen. Bijvoorbeeld in hoeverre dit varieert tussen bedrijven of binnen een bedrijf. […] Op één van de bedrijven heeft de meting in combinatie met het waarnemen van dierkenmerken bij de varkens geleid tot een officiële waarschuwing.”
Ook op dit vlak wordt er dus geen vooruitgang geboekt. De enige werkelijke oplossing is: geen dieren in stallen houden!
De nertsenfokkerij aan de Karissendijk te Egchel in 2020
Op 8 januari 2021 ging het verbod op de pelsdierhouderij in en daarmee was het in Nederland verboden om ‘pelsdieren’ te houden voor bontproductie. Op dat moment waren er al geen nertsen meer op de nertsenbedrijven in Nederland. Van de 125 actieve bedrijven werden op 69 met Sars-Cov-2 besmette nertsenbedrijven en één “ernstig verdacht” nertsenbedrijf 2.752 ‘fokreuen’, 422.992 ‘fokteven’ en 2.367.202 pups ‘geruimd’ tussen 9 juni en 22 november 2020. Op de 55 bedrijven die coronajaar 2020 onbesmet waren doorgekomen en ‘regulier’ hun nertsen ‘pelsden’, werden in totaal 1.288.643 nertsen afgemaakt. Deze laatste nertsen-massamoord op 4.081.589 dieren betekende het einde van de bontfokkerij in Nederland.
Moties om de stikstofruimte van nertsenbedrijven te laten vervallen ten gunste van de natuur haalden het niet. Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij in verband met de vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij bevatte het voorstel om de vrijkomende stikstofruimte toe te voegen aan de stikstofruimte die wordt geregistreerd in het stikstofregistratiesysteem dat onder andere bedoeld is om PAS-melders te legaliseren. De vrijkomende stikstofruimte werd daarmee volledig gereserveerd om nieuwe activiteiten te vergunnen of bestaande activiteiten te legaliseren en kwam dus niet ten goede aan de natuur. ”Gelet op de situatie in veel Natura 2000-gebieden staat de voorgestelde werkwijze dan ook op gespannen voet met de uit Europeesrechtelijke regels voortvloeiende verplichtingen om de situatie in die gebieden te verbeteren,” zei de Raad van State in haar negatieve advies. ”Stikstofruimte afkomstig van nertsenhouderijen komt zo terecht bij andere veehouderijen. De Afdeling ziet niet in welke rechtvaardiging voor een dergelijke handelwijze kan worden gegeven.”1
Naar aanleiding van deze opmerkingen schrapte het kabinet de voorgestelde bepaling over het gebruik van de stikstofruimte die vrijvalt bij beëindiging van de nertsenhouderij. De voormalige nertsenfokkers behielden dus hun natuur- en milieuvergunningen om stikstof uit te stoten.
Een slechte zaak, vindt Animal Rights. Het is niet wenselijk om een ongebruikte vergunning of ongebruikte rechten, in stand te laten; zeker wanneer het een vergunning betreft met stikstofdepositie op sterk overbelaste Natura 2000-gebieden en de zwaarwegende natuurbelangen die bij intrekking gebaat zijn.
De Omgevingswet geeft via Artikel 5.40. aan provincies de bevoegdheid om tot intrekking van een omgevingsvergunning over te gaan ”als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.”
Aangezien in ieder geval langer dan de genoemde termijn geen nertsen meer (mogen) worden gehouden op al deze locaties, acht Animal Rights het evident dat aan de voorwaarde van voornoemd artikel wordt voldaan; zij verzoekt provincies dan ook van deze bevoegdheid tot intrekking gebruik te maken. Zeker aangezien het ook uitgesloten is dat in de toekomst nog van deze vergunning gebruik kan worden gemaakt gelet op het geldende verbod op het houden van nertsen.
De belangen van de vergunninghouder wegen daarmee dan ook niet op tegen het belang (waaronder dat van de natuur) dat wordt gediend met intrekking van de voorliggende natuurvergunning.
Animal Rights acht het in veel gevallen ook nodig vergunningen in te trekken in het belang van de bescherming van de natuur. Volgens artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn dienen lidstaten passende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
In het licht van de betrokken natuurbelangen acht Animal Rights het van groot belang om ongebruikte rechten niet in stand te laten. De stichting verzoekt provincies dan ook om van die bevoegdheid gebruik te maken om de natuurvergunningen in te trekken.
Omdat het kabinet in 2020 naliet omdat in zijn algemeenheid te regelen, is Animal rights nu gedwongen om per lokatie een intrekkingsverzoek in te dienen. Daar is de dierenrechtenorganisatie afgelopen jaar mee begonnen.
Op 12 juni 2025 namen Burgemeester en Wethouders van de Limburgse gemeente Peel en Maas het definitieve besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning van Topmink B.V. en Van Schaijk Egchel B.V. gevestigd aan de Karissendijk te Egchel. Deze bedrijven beschikten over een vergunning voor het houden van 11.352 (verdeeld over de twee locaties, 5452 en 5900 respectievelijk) nertsen. Hiertegen staat nog wel beroep open.
Dierenrechtenactivisten protesteerden vrijdag 30 mei 2025 bij het provinciehuis in Arnhem tegen de vergunning die de provincie Gelderland afgaf om een Veluwse wolf af te schieten, nadat deze een hardloopster zou hebben gebeten. Animal Rights was een van de organiserende partijen. Omdat het provinciehuis vanwege het Hemelvaartweekend gesloten was zal onderstaande brief maandag alsnog overhandigd worden:
Geacht college,
Op 6 mei 2025 kondigde u aan een vergunning te verlenen voor het afschieten van een wolf die in het Nationale Park Hoge Veluwe op 13 april een hardloopster zou hebben gebeten. Op 16 mei bekrachtigde een rechter voorlopig het doodvonnis.
De dierenrechtenorganisaties die op 30 mei demonstreren bij het provinciehuis in Arnhem zijn van mening dat dit ten onrechte is en vragen u om de vergunning om deze wolf af te schieten weer in te trekken.
Uiteraard is het bijten van mensen niet iets wat we graag zien. Maar ongelukken gebeuren en als het niet om wolven, maar om bijvoorbeeld honden gaat, accepteert de samenleving dat over het algemeen ook. Als maatschappij elimineren we risico’s niet, die horen erbij.
In het Gelderse ‘faunabeheerplan Wolf’ staat onder andere: “Het doden van de wolf is de meest extreme maatregel die genomen kan worden en wordt altijd als laatste stap in de escalatieladder toegepast. Voorafgaand aan deze beslissing worden verschillende handelingen en maatregelen geprobeerd.”
Zowel u als de rechter hebben dit volledig genegeerd. Het park heeft geen maatregelen genomen en u noch de gemeenten hebben die opgelegd. Voorbeelden daarvan zouden kunnen zijn: (gedeeltelijke) sluiting en/of een verbod op fietsen, hardlopen, honden en het binnen brengen van voedsel.
Er is daarom, volgens de organisaties, geen sprake van een gevaar voor de openbare veiligheid, het wettelijk belang waarvoor de vergunning is verleend, en zeker geen noodzaak voor een zeer extreme maatregel, namelijk de kogel voor een beschermd dier.
Volgens uw ecoloog betreft het een wolf waar de provincie eerder op wilde paintballen en dat is niet gebeurd doordat het besluit slecht onderbouwd was. Begin 2024 kreeg u alsnog groen licht, maar die vergunning verliep en er is geen nieuwe aangevraagd; blijkbaar vond u dat niet meer nodig.
Pas vanaf maart zijn er af en toe weer berichten over een wolf die dichtbij mensen komt en was er in april het bijtincident. Ineens naar afschot grijpen, gaat veel te snel: er moeten eerst minder ingrijpende maatregelen worden toegepast om het ‘probleem’ op te lossen. Dat schrijven de Wet, het IPO Wolvenplan, Faunabeheerplan Wolf en de escalatieladder ook voor en dat kan ook.
Het afsluiten van wolvenleefgebieden tijdens het welpenseizoen lijkt vanzelfsprekend en creëert rust voor de wolven. Dat dat recreëren in het gebied tijdelijk lastiger maakt, betekent niet dat je de wolf daarom maar moet afschieten.
De rechter is meegegaan in het verhaal van één enkele ecoloog, die met één enkele vage foto, uitgaande van onbetrouwbare uiterlijke kenmerken, stelt dat deze wolf een andere wolf is dan de vader van nieuwe welpen. Dit is evenzeer speculatie als dat het om de minder-schuwe wolf uit 2021 zou gaan. De enige manier om zeker te zijn van zijn rol in de roedel is om het DNA van de welpen te achterhalen, bijvoorbeeld uit hun uitwerpselen. In Utrecht bleek vorig jaar via DNA dat de, volgens de experts, solitaire wolf Bram, die absoluut niet de vader van de welpen kon zijn, dat toch was.
De rechter wilde hier niet op wachten en dat is zeer problematisch: als de wolf uiteindelijk toch de vaderwolf blijkt te zijn en ondertussen wordt doodgeschoten, dan is dat onomkeerbaar te laat. Dat heeft ontzettend grote gevolgen voor dit individu, maar ook voor zijn mogelijke welpen en de onderlinge samenhang van zijn roedel en, niet in de laatste plaats, de staat van instandhouding van de wolf, die al ongunstig is.
Daarom vragen de organisaties u om het besluit om deze wolf af te schieten weer in te trekken, of in ieder geval te schorsen tot de lopende bezwaren zijn afgehandeld. Het is belangrijk om te leren samenleven met wilde dieren. Dat is onze plicht als mensen en een kwestie van fatsoen.