Verzoek tot schorsing van ontheffing voor afschot reeën in Flevoland

Tijdlijn

Op 14 december 2023 besloot het college van Gedeputeerde Staten (GS) van Flevoland tot het verlenen van een ontheffing aan de Faunabeheereenheid Flevoland van artikel 3.17 van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor populatiebeheer van reeën met gebruik van het geweer binnen Flevoland.

Animal Rights en Fauna4Life dienden op 23 januari 2024 een bezwaarschrift in dat de provincie op 16 juli 2024 besloot te negeren.

Op 26 augustus 2024 hebben de stichtingen beroep ingediend bij de Rechtbank Midden-Nederland tegen dat besluit van het college van 16 juli.

Op 30 november verzochten de stichtingen, in afwachting van de behandeling van dit beroep, de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen en het bestreden besluit inclusief de verleende ontheffing te schorsen tot zes weken nadat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.

De zitting zal plaatsvinden op 14 januari 2025.

Voorlopige voorziening

De ontheffing geldt vanaf 1 januari 2024 tot en met 30 april 2025 en mag dus al gebruikt worden. Het doden van reeën is onomkeerbaar en dat is de reden dat bestuursrechters in vergelijkbare zaken spoedeisend belang aannemen.

Animal Rights en Fauna4Life hebben een aantal relevante ontwikkelingen afgewacht en dat is de reden waarom het verzoekschrift nu (pas) wordt ingediend. Eén van deze ontwikkelingen betreft de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland–West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2024:6964).

Waar gaat het om?

Deze ontheffing van de Wnb is verleend voor het doden van reeën in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid (specifiek zijnde de verkeersveiligheid), alsmede ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren.

Aan de besluitvorming tot het verlenen van een dergelijke ontheffing zijn strikte voorwaarden verbonden, welke voorwaarden hun oorsprong hebben in de Habitatrichtlijn (Hrl). Afwijkingen zijn mogelijk, maar moeten dan wel een laatste redmiddel zijn, zo schrijft artikel 16 voor.

In tegenstelling tot de provincie Flevoland, zijn de stichtingen van oordeel dat niet aan de cumulatieve voorwaarden uit artikel 16 Hrl is voldaan:
Er is niet voldoende onderbouwd dat er sprake is van een reëel gevaar voor de openbare veiligheid of het algemeen belang, omdat er geen relatie bestaat tussen de ‘dichtheid’ van reeën en verkeersongevallen en omdat niet onderbouwd is dat de verkeersveiligheid in het geding is als het valwildpercentage hoger is dan 5%. Bovendien wordt er oneigenlijk gebruik gemaakt van een wettelijk belang en kan het wettelijke belang niet worden bereikt.
Daarnaast bestaan er andere bevredigende oplossingen, terwijl het afschot van reeën geen bevredigende oplossing biedt.

Noodzaak? – Er is niet voldoende onderbouwd dat er sprake is van een reëel gevaar voor de openbare veiligheid of het algemeen belang

Het voornaamste belang waarop de voorliggende bestreden ontheffing is gestoeld, is op het belang van de verkeersveiligheid, in het kader van volksgezondheid. De stichtingen stellen in dit kader dat onvoldoende is onderbouwd waarom dit belang wordt gediend met het doden van reeën.

De stichtingen stellen dat zowel een causaal verband als een positieve correlatie tussen het aantal reeën en het aantal aanrijdingen niet kan worden aangenomen.

Voor een verband tussen de populatiegrootte en het aantal aanrijdingen zou bij een stabiele populatie ook een stabiel aantal aanrijdingen moeten worden geregistreerd, en dat is nu juist niet af te leiden uit de aangeleverde grafieken en cijfers. Immers, verspreidt over meerdere jaren, zijn er bij een stabiele populatie van ongeveer 1500 reeën respectievelijk, bij benadering 290, 390, 410, 420 en 500 aanrijdingen geteld. Bovendien zijn bij een populatiegrootte van bij benadering 3200 reeën een zelfde aantal aanrijdingen geregistreerd als bij een populatiegrootte van de helft minder (dus ongeveer 1600) reeën.

In 2020 neemt de populatie met ca. 5% toe ten opzichte van 2019 en neemt het aantal aanrijdingen met ca. 10% toe. In 2021 neemt de populatie reeën af met ca. 5% ten opzichte van 2020 terwijl het aantal aanrijdingen met ca. 20% toeneemt. Daaruit blijkt dat er geen correlatie is tussen het aantal aanrijdingen en de omvang van de populatie en dat een causaal verband al helemaal niet verondersteld mag worden.

Valwild

Bovendien blijkt dat het gebruik van een hoger valwildpercentage als argument om afschot te verantwoorden een oneigenlijk argument is, want het valwildpercentage neemt in 2021 toe terwijl de populatie afneemt.

Het belang dat wordt gediend met afschot is volgens het college aangetoond doordat het percentage aanrijdingen ten opzichte van de populatie boven de landelijke norm van 5% ligt.

5% Aanrijdingen zegt, echter, niets over de verkeersveiligheid. Wat van belang is, zijn de omstandigheden in de betreffende gebieden waar de reeën voorkomen.

Belangrijker nog is het feit dat dit valwildpercentage is gebaseerd op enerzijds een hard cijfer, te weten het aantal aanrijdingen en anderzijds op een grove schatting van het aantal reeën.

Dat uit landelijke cijfers blijkt dat 5% van het totale aantal reeën betrokken is bij een verkeersongeval, betekent niet dat bij een hoger percentage dan 5% specifiek in de provincie Flevoland sprake is van een onaanvaardbaar gevaar voor de verkeersveiligheid.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland–West-Brabant sprak zich daar in de uitspraak van 11 april 2024 in een vergelijkbare zaak reeds over uit:
“Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat het verlenen van de ontheffing nodig is in het belang van de openbare veiligheid en meer specifiek de verkeersveiligheid. (…) Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder echter niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat in Zeeland een zodanig risico voor de verkeersveiligheid bestaat, dat het nodig is om de reeën te doden. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet of onvoldoende onderbouwd wat de omvang van de aanrijdingen met reeën in Zeeland is, hoe ernstig de aanrijdingen zijn en welke schade (materiële- of letselschade) daaruit voortkomt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de conclusie dat sprake is van een gevaar voor de verkeersveiligheid in Zeeland redelijkerwijs niet kunnen baseren op het valwildpercentage van 5%. (…) Verweerder heeft echter niet onderbouwd waaruit blijkt dat bij een valwildpercentage van hoger dan 5% sprake is van een gevaar voor de verkeersveiligheid. Dit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet uit de Leidraad waar verweerder naar verwijst. Dat uit landelijke cijfers blijkt dat 5% van het totale aantal reeën betrokken is bij een verkeersongeval, betekent niet dat bij een hoger percentage dan 5% in Zeeland sprake is van een onaanvaardbaar gevaar voor de verkeersveiligheid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan die 5% grens niet worden gehanteerd om de enkele reden dat er ‘geen beter alternatief voorhanden is’ om dat risico vast te stellen, zoals de ABRvS in een uitspraak van 27 november 2019 lijkt te hebben geoordeeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan onderzoek worden gedaan naar de ernst van de ongevallen in Zeeland en kan de noodzaak op die manier inzichtelijk worden gemaakt.”

Ook de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland sprak zich hier op 29 augustus 2024 over uit:
”… er is geen onderscheid gemaakt naar locaties en wbe’s. Derhalve is niet duidelijk in welke wbe’s en in hoeveel wbe’s het streefpercentage van 7% overschreden wordt. Verder blijkt hieruit niet wat voor soort aanrijdingen het zijn geweest en wat de schade daarvan is (en dus of er een risico voor de verkeersveiligheid was).”

”Daarbij komt dat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende is onderbouwd dat er een risico voor de verkeersveiligheid ontstaat indien het (gemiddelde) valwildpercentage hoger is dan 7%”.

”De enkele omstandigheid dat er een landelijk een streefnorm geldt van 5% betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat bij een percentage hoger dan 7% in de provincie Groningen automatisch sprake is van een onaanvaardbaar gevaar voor de verkeersveiligheid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvoor inzicht moet bestaan in de aard en ernst van de ongevallen. Dat inzicht ontbreekt.”

Voornoemde uitspraken van de voorzieningenrechters te Zeeland en Groningen zijn recentelijk (18 oktober 2024) tevens bekrachtigd door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland–West-Brabant in de uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RBZWB:2024:6964:
”De rechtbank is, anders dan de Afdeling, van oordeel dat de enkele algemene verwijzing naar de overschrijding van de grenswaarde van 5% onvoldoende is om te motiveren dat sprake is van een dusdanig gevaar voor de verkeersveiligheid dat afschot van de populatie van het ree is gerechtvaardigd.”

”De rechtbank acht hierbij van belang dat deze summiere en algemeen geformuleerde onderbouwing onvoldoende recht doet aan het hiervoor genoemde beschermingsregime, waarbij afschot van reeën enkel is toegestaan in uitzonderlijke gevallen.”

”Evenmin wordt hierin geconcludeerd dat bij overschrijding van het valwildpercentage van 5% de verkeersveiligheid dusdanig in gedrang komt dat afschot van reeën is gerechtvaardigd. In de leidraad is juist opgenomen dat er verschillende oorzaken kunnen zijn voor aanrijdingen met reeën, zowel door gedrag van het ree als door gedrag van de mens.”

Deze overwegingen zijn volgens de stichtingen één op één toepasbaar op voorliggende zaak en dat ook ten aanzien van de bestreden besluitvorming het oordeel moet luiden dat het college onvoldoende inzichtelijk gemaakt heeft waarom de populatie reeën in Flevoland een zodanig onaanvaardbaar gevaar vormt voor de verkeersveiligheid dat het doden van de reeën redelijkerwijs noodzakelijk kan worden geacht.

Oneigenlijk gebruik wettelijk belang

Onder het kopje ‘Doelstelling beheer ree’, van de bestreden ontheffing staat dat het doel is de populatie reeën zo veel mogelijk af te stemmen op:
* de veiligheid van weggebruikers;
* de belangen van grondgebruikers.

Gelet op deze passage, lijkt rekening gehouden te zijn met belangen waarvoor de ontheffing niet is aangevraagd, zijnde de belangen van grondgebruikers, ten behoeve van het voorkomen van land- en bosbouwschade als gevolg van het voorkomen van reeën in Flevoland. Door dit in één adem te noemen met het belang van de volksgezondheid/verkeersveiligheid lijkt oneigenlijk gebruik te worden gemaakt van dit wettelijk belang.

Wettelijke belang kan niet worden bereikt

In de ontheffing staat:
”“In de voorgaande beheerperiode is de beoogde doelstelling, het aantal aanrijdingen met reeën verminderen, niet gehaald. Dit vraagt om een herwaardering van het reewildbeheer in de provincie.”

Mét het toestaan van afschot wordt de doelstelling dus niet behaald. Niet is onderbouwd waarom dat met de voorliggende bestreden ontheffing anders zou zijn.

Bovendien wordt er – zonder onderbouwing – aan toegevoegd dat “Wanneer er geen afschot wordt uitgevoerd dan blijft het absolute aantal reeën in Flevoland stijgen.” Deze uitspraak doet vermoeden dat het voorkomen van een stijging van het ‘absolute aantal reeën’, an sich het doel van de ontheffing is.

In conclusie komt het er volgens de stichtingen op neer dat het college een ontheffing heeft afgegeven voor een niet (voldoende) gedefinieerd en onderbouwd belang, waarvan tevens vaststaat dat dit belang niet wordt gediend met de toestemming die wordt verleend.

Er zijn andere bevredigende oplossingen

De tweede voorwaarde voor ontheffingverlening is dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Alleen wanneer voldoende is aangetoond dat andere potentiële oplossingen niet bevredigend zijn en wanneer ook aan de andere voorwaarden is voldaan, kan het gebruik van de ontheffing worden gerechtvaardigd.

In de bestreden ontheffing schrijft het college dat afschot de ‘meest effectieve methode en bevredigende oplossing’ is. Niet alleen is dit een onjuiste stelling (afschot is geenszins de ‘meest effectieve methode’ om aanrijdingen met reeën te voorkomen), dit uitgangspunt is op zichzelf ook een miskenning van de voorwaarde die de wet stelt aan het verlenen van een ontheffing. Er staat immers nergens in de wet dat ‘de meest effectieve methode’ mag worden gekozen.

Of een afwijking van de verbodsbepalingen, dus afschot van reeën, kan worden toegestaan, dient te worden beoordeeld op basis van de aan-/afwezigheid van andere bevredigende, diervriendelijke, oplossingen en de mate waarin na het toepassen van die andere diervriendelijke oplossingen nog sprake is van een ‘resterend probleem’. In het bestreden besluit is niet (afdoende) toegelicht welke andere bevredigende, diervriendelijke, oplossingen er zijn uitgevoerd, wat daarvan het effect was en de mate waarin na het toepassen van die andere diervriendelijke oplossingen nog sprake is van een ‘resterend probleem’ waardoor afschot noodzakelijk is.

Verwezen wordt naar de navolgende overwegingen van de Europese Commissie (EC):
”De bevoegde nationale autoriteiten wordt verzocht dit probleem of deze situatie op te lossen door uit de andere mogelijke oplossingen de meest geschikte te kiezen waarmee de beste bescherming van de soort zal worden gewaarborgd en tegelijkertijd het probleem/de situatie zal worden opgelost (…).”

”Alleen wanneer afdoende is aangetoond dat andere potentiële oplossingen niet bevredigend zijn, hetzij omdat het specifieke probleem daarmee niet kan worden opgelost, hetzij omdat zij technisch niet haalbaar zijn, en wanneer ook aan de andere voorwaarden is voldaan, kan het gebruik van de afwijking worden gerechtvaardigd. Indien een maatregel gedeeltelijk bevredigend is, zelfs als het probleem daarmee niet voldoende wordt aangepakt, maar wel kan worden verminderd of beperkt, moet die maatregel echter eerst worden uitgevoerd. Afwijkingen voor dodelijke interventie kunnen alleen voor het resterende probleem worden gerechtvaardigd als er geen andere methoden mogelijk zijn, maar moeten in verhouding staan tot het probleem dat overblijft nadat er niet-dodelijke maatregelen zijn genomen.”

In het bestreden besluit is niet toegelicht welke andere bevredigende, diervriendelijke, oplossingen er zijn uitgevoerd, wat daarvan het effect was en de mate waarin na het toepassen van die andere diervriendelijke oplossingen nog sprake is van een ‘resterend probleem’ waardoor afschot noodzakelijk is.

Verwezen wordt ook naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 juni 2021 met kenmerk ECLI:NL:RBNNE:2021:2500:
”(…) Als het doden van de betrokken dieren geheel of gedeeltelijk vermijdbaar is door het treffen van geschikte en proportionele mitigerende maatregelen, is het niet verlenen van de ontheffing of vrijstelling, of het daarbij voorschrijven van dergelijke maatregelen, uitgangspunt.”

In dit kader verwijzen de stichtingen wederom naar eerder genoemde uitspraak van de rechtbank Zeeland –West-Brabant van 18 oktober 2024:
“Alleen wanneer afdoende is aangetoond dat andere potentiële oplossingen niet bevredigend zijn, kan het gebruik van de afwijking worden gerechtvaardigd. Indien een maatregel gedeeltelijk bevredigend is, moet die maatregel eerst worden uitgevoerd. Afwijkingen voor dodelijke interventie moeten in verhouding staan tot het probleem dat overblijft nadat er niet-dodelijke maatregelen zijn genomen.”

“Andere bevredigende oplossingen kunnen echter niet van meet af aan worden afgewezen omdat zij te duur zouden zijn.”

“Om te weten welke maatregel in een specifieke situatie zinvol is, […] zijn gegevens nodig over bijvoorbeeld locaties, aantallen en tijdstippen van de aanrijdingen, kenmerken van de weg, ligging in het landschap en uitgevoerd beheer.”

Het college heeft niet concreet en toereikend gemotiveerd waarom verschillende andere oplossingen niet of niet afdoende bevredigend (zullen) werken om de aanrijdingen met reeën te voorkomen. In de bestreden besluitvorming ontbreekt een compleet overzicht van welke maatregelen op welke locaties zijn ingezet, wat daar de resultaten van zijn geweest en wat, na het inzetten van deze probleem verminderende ‘deel-oplossingen’, het ‘resterende probleem’ is op deze verschillende locaties waarvoor een afwijking van de verbodsbepalingen (zijnde afschot van reeën) nodig is.

Afschot is geen bevredigende oplossing

De richtsnoeren van de Europese Commissie zeggen:
”Wanneer een afwijking wordt toegestaan, moet het nagestreefde doel duidelijk en nauwkeurig worden aangegeven en moet de nationale autoriteit op grond van nauwkeurige wetenschappelijke gegevens aantonen dat de afwijkingen geschikt zijn om die doelstelling te bereiken, …”

Een dergelijke nauwkeurige en wetenschappelijke onderbouwing over de geschiktheid van afschot, ter bevordering van de verkeersveiligheid, is door het college niet gegeven. Integendeel.

Uit de bestreden ontheffing blijkt juist dat het afschot van reeën de laatste jaren niet heeft geleid tot een beperkte omvang van de populatie, wat vraagt om een herwaardering van het reewildbeheer in de provincie, aldus het college.

Dat afschot niet kan doorgaan als bevredigende oplossingen voor het te bereiken doel ‘verminderen van aanrijdingen’ in het kader van de verkeersveiligheid, zien de stichtingen bevestigd door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland in de uitspraak van 29 augustus 2024:
”Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is voorts onvoldoende onderbouwd dat afschot een positief effect heeft op het aantal aanrijdingen. […] In dit verband wijst de voorzieningenrechter op dat in zowel het fbp als in het primaire besluit expliciet wordt aangegeven dat het onduidelijk is of beheer door middel van afschot effect heeft op het aantal aanrijdingen.”

Slotsom

De stichtingen stellen dat het college van Gedeputeerde Staten van Flevoland ten onrechte is overgegaan tot het verlenen van een ontheffing voor afschot van reeën in de provincie Flevoland. De noodzaak van het afschot is onvoldoende onderbouwd. Tevens ligt aan de bestreden ontheffing ten onrechte geen deugdelijke afweging van andere bevredigende oplossingen ten grondslag.

De stichtingen vinden dat met de verleende ontheffing in strijd met de Habitatrichtlijn en Wet natuurbescherming wordt gehandeld.

Naar overtuiging van de stichtingen geeft dit voldoende aanleiding tot schorsing van de bestreden besluitvorming en verzoeken uw rechtbank dan ook om het bestreden besluit en de bestreden ontheffing te schorsen tot zes weken nadat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.

Rechtszaak voor damherten Hoeksche Waard voorlopig van de baan

Op woensdag 11 december 2024 zou de zitting plaatsvinden waarin het verzoek van Animal Rights en Fauna4Life behandeld zou worden om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Deze zou ervoor zorgen dat de damherten in de Hoeksche Waard niet geschoten kunnen worden voordat het bezwaar tegen de verleende ontheffing behandeld is.

De avond voor de zitting meldden de Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland dat ze liever eerst willen praten met de partijen en vragen de rechtbank om de voorlopige voorziening aan te houden.
“GS bevestigen hierbij de afspraak tussen partijen dat er geen damherten zullen worden geschoten zolang de voorlopige voorziening is aangehouden en (daarna) tot door de voorzieningenrechter uitspraak is gedaan.”

Op 11 december stemde de rechtbank in met de aanhouding van de voorlopige voorziening tot 1 maart 2025.

Waar gaat het om?

Lees ook:

Van 6 december 2024 dateert het verweerschrift van de Omgevingsdienst Haaglanden (gemachtigde voor GS) inzake het verzoek om een voorlopige voorziening van de stichtingen Fauna4Life en Animal Rights en de verenigingen Team Damherten Hoeksche Waard en VoorWaards Hoeksche Waard. Het gaat dan om het schorsen van een verleende ontheffing om alle damherten in de Hoeksche Waard uit te roeien.

De advocaat van Animal Rights en Fauna4Life heeft daar een reactie op gegeven op 9 december. De stichtingen herhalen hierin dat de noodzaak van het besluit tot uitroeiing van de damherten niet is aangetoond en zelfs al zou er een noodzaak voor maatregelen zijn, dan is door de provincie niet aangetoond dat er geen andere manier dan het uitroeien van de gehele populatie zou zijn om de gestelde problemen tot aanvaardbare proporties terug te brengen.

Dat was ook al het standpunt van de stichtingen in februari 2021 toen ook een voorlopige voorziening werd behandeld, in december 2021 toen het beroepschrift aan de orde was en het is het standpunt van de stichtingen in deze nieuwe procedure. Een procedure die niets anders is dan een herhaling van zetten.

Wilde, beschermde damherten

Het gaat erom dat de damherten in de Hoeksche Waard als wilde en dus beschermde damherten moeten worden beschouwd. De provincie heeft niet aangetoond dat alle damherten in het leefgebied nakomelingen zijn van drie verwilderde damherten, zoals ze beweert.

Gewasschade

Uit het schamele aantal overlegde taxatierapporten, die niet uitblinken in duidelijkheid, lijkt naar voren te komen dat de grootste schade enkele jaren geleden is aangericht aan fruitbomen. Dit betreft een kapitaalsintensief gewas waar ook andere diersoorten zoals ree en haas schade kunnen aanrichten. Een dergelijk gewas behoort goed te worden afgeschermd met een deugdelijk raster. Dit is een voorbeeld van een “andere bevredigende oplossing”, die bovendien voor 100% effectief is, wanneer deze wordt toegepast.

De kosten van een dergelijk raster staan wel degelijk in verhouding tot de opbrengst van dergelijke percelen, aangezien het gaat om een eenmalig investering voor 15-20 jaar.
Het Europese Hof heeft al eerder gesteld dat zelfs bijzonder hoge kosten van een technisch haalbare alternatieve maatregel op zichzelf nooit een reden kunnen zijn om die maatregel niet toe te passen.

De stichtingen vinden het bijzonder kwalijk dat de provincie eenmalige beperkte kosten wel een probleem vindt, maar het voor altijd uitroeien van een voltallige damhertenpopulatie niet.

Openbare veiligheid

De provincie stelt dat er sprake is van meer aanrijdingen, maar deze zijn niet gemeld of geregistreerd. De provincie wist nota bene na twee vernietigende uitspraken dat zij haar stellingen beter diende te onderbouwen, maar laat dat ook deze keer na.

De provincie stelt dat de kans op een aanrijding zal stijgen, als het aantal damherten toeneemt, maar het causaal verband blijkt nergens uit.

Er zijn een groot aantal andere prima maatregelen om de kans op een aanrijdingen te verkleinen, zoals het verlagen van de verkeerssnelheid, inclusief de goede handhaving van die snelheid, en technische maatregelen zoals bijvoorbeeld wildspiegels of wildwaarschuwingssystemen.

Ten slotte

Het is om alle bovenstaande redenen dat Animal Rights en Fauna4Life de rechtbank vroeg de voorlopige voorziening toe te wijzen of het beroep meteen gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.

Animal Rights is altijd bereid te praten, maar onze standpunten blijven zoals ze hierboven zijn vermeld. Er is geen enkel excuus om wilde dieren te doden. We gaan ervan uit dat op uitstel, afstel zal volgen.

Update

De Provinciale Staten van Zuid-Holland vergaderden op 29 januari 2025. 1 Het ging onder andere over de situatie rond de damherten in de Hoeksche Waard:

“In de discussie in de Staten werd ingebracht om eerst beheer van populatie te verzorgen zolang deze zaak nog bij de rechter ligt. Er werd een viertal moties ingediend. Alleen de motie van JOU kon op een meerderheid rekenen en werd aangenomen. Hiermee dragen Provinciale Staten de gedeputeerde op om tot aan de uitspraak van de Rechter per direct te kiezen voor beheer van de damherten naar een verantwoord aantal met betrekking tot de verkeersveiligheid, schadebeperking voor de agrarische ondernemers en de populatie in de Hoeksche Waard, een kader voor monitoring op te stellen en de Staten te informeren over de uitkomsten van de monitoring voordat het college een vervolg geeft aan de uitspraak van de rechter en de daarbij behorende interventie. Gedeputeerde Potjer zegde verder toe op werkbezoek te gaan in de Hoeksche Waard om te spreken met alle betrokken partijen over de damherten en een technische toelichting te organiseren voor de Statenleden die daaraan behoefte hebben.”

Animal Rights wacht de uitnodiging van Berend Potjer (GroenLinks-PvdA) rustig af. Ook van de uitnodiging voor een gesprek met GS hebben de dierenrechtenorganisaties en hun advocaat nog niets vernomen. Vooralsnog blijft de vergunning geschorst totdat het verzoek om een voorlopige voorziening is ingetrokken (en dat gaan we niet doen) of er door de voorzieningenrechter uitspraak is gedaan. Er mag nu dus niets, geen afschot naar nul en geen afschot voor beheer, want voor dat laatste is geen ontheffing verleend.

De motie van JOU luidt als volgt:
Constaterende dat:
Een uitspraak van de Rechtbank over beheer versus de zogenoemde nulstand van de populatie damherten in de Hoeksche Waard naar verluidt nog twee jaar op zich laat wachten;
Overwegende dat:
De Rechtbank een oordeel gaat vellen over de fundamentele vraag of damherten met een bepaalde populatieomvang gewenst zijn in de Hoeksche Waard;
Het om deze reden niet opportuun is voor die tijd toe te werken naar een nulstand volgend op een uitspraak van de voorzieningenrechter, vermoedelijk in het voorjaar;
Het wél de mogelijkheid biedt om in de praktijk te zien wat het effect is van vermindering van de populatie damherten door middel van beheer, voor zowel de verkeersveiligheid, de gezondheid van de dieren, de natuur als de landbouw (faunaschade).
Verzoekt het college:
Tot aan de uitspraak van de Rechter per direct te kiezen voor beheer van de damherten naar een verantwoord aantal met betrekking tot de verkeersveiligheid, schadebeperking voor de agrarische ondernemers en de populatie in de Hoeksche Waard conform motie nr.1342;
Een kader voor monitoring op te stellen die alle belangen in het gebied inzichtelijk maakt en van een score voorziet, om zo de Staten te helpen in het kunnen evalueren van de beheeroptie;
De Staten te informeren over de uitkomsten van de monitoring voordat het college een vervolg geeft aan de uitspraak van de rechter en de daarbij behorende interventie.
En gaat over tot de orde van de dag.

Op 4 februari 2025 worden enkele ’technische vragen’ over het onderwerp beantwoord. In de eerste plaats wordt er gevraagd naar een tijdlijn naar een faunabeheerplan toe. De provincie lijkt echter helemaal niet van plan een faunabeheerplan op te stellen, ondanks dat dit door de verantwoordelijke gedeputeerde wel werd gesteld op 29 januari. In plaats daarvan werkt de provincie aan een ‘behandelvoorstel’, met daarbij ook een tijdelijk plan van aanpak voor de damherten, dat wordt opgesteld door de Faunabeheereenheid Zuid-Holland. Dit zal vervolgens naar Provinciale Staten en daarna naar de gemeente worden gestuurd.

Er wordt verder geantwoord dat als de voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit tot aan de uitspraak in de bodemprocedure geheel geschorst dient te worden, er dan dus tot aan de uitspraak in de bodemprocedure geen enkele vorm van beheer mogelijk is.

Op 19 februari 2025 laat de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) weten dat de lokale partijen (Team damherten Hoeksche Waard & Voorwaard Hoeksche Waard) zich naar aanleiding van gevoerde gesprekken en een in Provinciale Staten aangenomen motie, hebben teruggetrokken uit de procedure. Deze lokale partijen hebben zowel de vovo als het beroep ingetrokken.

Men deelt ons verder mee dat het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland voornemens is om volgens de op 29 januari 2025 in de Provinciale Staten aangenomen motie 1574 te handelen: ”De invulling van de motie zal betekenen dat tot aan de uitspraak in de bodemprocedure zal worden begonnen met beheer van de populatie damherten. Het beheer zal bestaan uit het wegnemen van de jaarlijkse aanwas van de populatie en daarnaast uit een vermindering van 10 à 15% van de populatie per jaar.”

De afspraak voor de huidige schorsing luidt als volgt: ”GS bevestigen hierbij de afspraak tussen partijen dat er geen damherten zullen worden geschoten zolang de voorlopige voorziening is aangehouden en (daarna) tot door de Voorzieningenrechter uitspraak is gedaan.”
Dus tot de uitspraak van de voorzieningenrechter kunnen er sowieso geen damherten worden geschoten.

De ODH wil aan de voorzieningenrechter berichten dat een zitting kan worden ingepland. Animal Rights en Fauna4Life hebben nooit een uitnodiging ontvangen voor het beloofde ‘mediation-traject’.

In een informatiebrief aan de gemeenteraad van Hoeksche Waard laat wethouder Steen weten dat de provincie Zuid-Holland een Faunabeheerplan damherten heeft toegezegd.
Ook geeft de wethouder aan dat de afspraak is: “De procespartijen hebben tot 1 maart de tijd om met elkaar in gesprek te gaan en er samen uit te komen …”
De provincie heeft de wethouder gezegd dat ze geen aanleiding ziet haar besluit (nulstand) te herzien en “blijft daarin haar eigen koers varen en wacht de uitspraak van de rechter af.”

Op 24 februari 2024 krijgen we verdere uitleg:
“Met de andere partijen is in eerste instantie het gesprek aangegaan, omdat het initiatief voor de gesprekken met name van die partijen kwam. Ons idee was om uw cliënten bij de gesprekken te betrekken indien de gesprekken het stadium zouden bereiken dat er afspraak zou kunnen worden gemaakt. Vanuit onze optiek was dit de meest logische route, aangezien uw cliënten tegen elk afschot lijken te zijn en de andere partijen voor een vorm van beheer zijn. Indien met de andere partijen geen afspraak zou kunnen worden gemaakt, zou dat met uw cliënten ook niet mogelijk zijn, zo was onze inschatting.”

“Met de andere partijen hebben twee gesprekken plaatsgevonden. Het stadium dat een mogelijke afspraak zou kunnen worden gemaakt, is nooit bereikt omdat de andere partijen zich voor dat stadium zich al hebben teruggetrokken (1 partij na het eerste gesprek, de andere partijen kort na het tweede gesprek) uit de procedure.”

“Het is verder juist dat tot het moment van een eventueel akkoord met uw cliënten of tot een uitspraak van de voorzieningenrechter er geen afschot zal plaatsvinden.”

“Indien uw cliënten nog in gesprek zouden willen, dan horen wij dat graag. Wij willen hierbij wel aangeven dat de ruimte voor het maken van afspraken hierbij beperkt is, aangezien wij voornemens zijn om uitvoering te geven aan de reeds genoemde motie zoals aangenomen door Provinciale Staten …”

De provincie zegt dus eigenlijk: stem in met beheer of zie je bij de rechter. Dat heeft weinig met ‘mediation’ te maken.

Op 26 februari 2025 laten Animal Rights en Fauna4Life via hun advocaat aan de ODH weten:
“Gelet op de beperkte tijd die nog mogelijk is voor een gesprek, en bovendien de beperkte inhoudelijke mogelijkheden voor een verandering van uitkomst, die ik opmaak uit uw reactie, lijkt een gesprek voor cliënten niet langer zinvol. Er kan derhalve een bericht aan de rechtbank worden gezonden dat een zitting bij de voorzieningenrechter kan worden ingepland. Cliënten gaan namelijk niet akkoord met uw voorstel/ de motie.”

De zitting staat voorlopig gepland voor 31 maart 2025 om 13:00.

Op 31 maart 2025 vond de zitting plaats voor de voorzieningenrechter in Den Haag. De provincie kwam niet veel verder dan het oude riedeltje dat deze damherten verwilderde dieren zijn en dus geen recht op bescherming hebben. Op de kritische vragen van de rechter kwam zelden een coherent antwoord van de provincie. Uit het betoog van de derde partij, de jagers van de faunabeheereenheid, kwam vooral naar voren dat zij graag willen bepalen welke dieren het recht hebben om te blijven leven en waar. Verkeersveiligheid en gewasschade lijken daarbij vooral excuses te zijn die van pas komen bij het doel om alle damherten af te schieten. De uitspraak volgt op 14 april. Animal Rights en Fauna4Life hebben vertrouwen in een goede afloop voor de damherten.


  1. OV-concessie Zuid-Holland Noord, damherten Hoeksche Waard en Lange Termijn Agenda omgevingsbeleid besproken door Provinciale Staten ↩︎

Strijd voor de wilde dieren in 2024

Wanneer Animal Rights opkomt voor iconische wilde dieren als de wolf of het damhert haalt dat geregeld het nieuws. Maar Animal Rights zet zich in voor alle wilde dieren en boekt ook voor hen regelmatig successen. In 2024 hebben we met deze overwinningen duizenden levens gered! Echter zijn er ook vele trieste gebeurtenissen geweest en is de strijd tegen de jacht nog niet klaar!

We hebben dit jaar weer de strijd gevoerd in het veld, in de rechtbank en we hadden zelfs een mediacampagne op reclame masten langs de snelweg! Dit was alleen mogelijk door jullie hulp.

Help jij de strijd in 2025 tegen de gruwelijke jacht voortzetten? Zonder jullie donaties zijn de wilde dieren aan hun lot overgelaten.

Naar de rechtbank voor vosje Sammie

Op woensdag 8 mei 2024 is de rechtszaak in het Hof van Beroep in Antwerpen gestart tegen de jager die het piepjonge vosje Sammie voor zijn burcht in Riemst doodschoot in 2020. In eerste aanleg werd de jager op 30 mei 2023 volledig vrijgesproken voor alle tenlasteleggingen, ondanks de spontane bekentenis die de jager aflegde. Zowel het Openbaar Ministerie als Animal Rights gingen daarop in beroep. De rechter in beroep besliste echter op 5 december 2024 dat de dader opnieuw vrijuit gaat. Wij vinden dit onaanvaardbaar!

Zwarte kraai en Canadese gans voorlopig veilig

Op 19 september 2024 spreekt de voorzieningenrechter haar gerede twijfel uit of de door de minister gegeven toelichting en onderbouwing voor wat betreft de aanwijzing van vergunningsvrije gevallen (de soorten van de landelijke vrijstelling) wel deugdelijk is. De Canadese gans en de zwarte kraai zijn daardoor voorlopig even verlost van moordzuchtige jagers in Drenthe.

Lees meer: Drenthe moet stoppen met afschieten Canadese gans & zwarte kraai als vrijgestelde soorten.

Geen vergunning in Groningen voor vermoorden roeken

Op 6 september 2024 weigert Groningen alsnog een vergunning voor het vermoorden van roeken die schade zouden toebrengen aan percelen met mais, omdat de executies niet overeenkomstig een daartoe vastgestelde en goedgekeurde faunabeheerplan zouden worden uitgevoerd. Dit succes hebben we samen met Fauna4Life kunnen behalen.

Lees meer: Ontheffing voor roeken-slachting in Groningen van tafel.

Twee beroepszaken gewonnen

Op 6 augustus 2024, wonnen Animal Rights en Fauna4Life twee beroepszaken tegen het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland en de jagersclub van die provincie. De jagers hadden een ontheffing aangevraagd van de Wet natuurbescherming om grauwe, Canadese, kol- en brandganzen te mogen vermoorden en hun nesten en eieren te vernietigen vanwege ‘schade’ aan, voornamelijk, gras en de veiligheid van het luchtverkeer.

Beide beroepen zijn gegrond verklaard omdat het verband tussen de streefaantallen ganzen en de belangen waarvoor de ontheffingen zijn verleend niet is aangetoond.

Lees meer: Mooie overwinning voor de ganzen, maar dat wil niet zeggen dat de massamoord ook stopt.

Ook in Drenthe roek voorlopig veilig

Nadat Groningen, na bezwaar door Animal rights en Fauna4Life, op 6 september alsnog de vergunning weigerde voor het afschieten van roeken in die provincie, trok ook Drenthe een vergelijkbare vergunning in op 25 september 2024.

Het amateurisme van de Faunabeheereenheid Drenthe blijkt uit de motivering voor het intrekken van de vergunning. De provincie schrijft: “Deze aanvraag was niet ondertekend, was niet vergezeld van een machtiging en bevatte niet de benodigde gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig waren.” De FBE werd in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen, maar: “Wij hebben geen aanvullende informatie of een ondertekende aanvraag ontvangen.”

Lees meer: Ook de roeken in Drenthe zijn voorlopig veilig.

Hunt Saboteurs in het veld en in het nieuws

In 2024 waren de Hunt Saboteurs van Animal Rights regelmatig te vinden in het veld. Waaronder in de Hoeksche Waard. Door middel van lawaaidemonstraties worden dieren actief gered van de kogel. Daarnaast leggen de Hunt Saboteurs ook misstanden vast. We zien regelmatig dat dieren onnodig lang lijden door onkunde en complete desinteresse van hun moordenaars.

Onze Hunt Saboteurs zijn niet alleen in het veld te vinden om te strijden tegen de jacht. Regelmatig is ook de pers bij deze anti-jacht acties aanwezig:

Illegale vossenval opgedoekt in het Vlaamse Kluisbergen

Op 6 november 2023 vroeg een inwoner van Kluisbergen een omgevingsvergunning aan voor het plaatsen van een vossenval, type betonbuis met valluiken. Jagers van de jachtgroep Ruien hadden de vossenval reeds in de bosjes geplaatst langs de Kontrijnstraat te Kluisbergen. Het terrein is eigendom van een jachtrechthouder die lid is van de wildbeheereenheid (WBE) Vlaamse Ardennen.

Op 14 februari 2024 tekende Animal Rights beroep aan bij de deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen tegen de vergunning die aanvankelijk afgeleverd werd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Destelbergen. Op 30 april vond een hoorzitting plaats.

De aanvraag kon de natuurtoets en de planologische toets niet doorstaan en de vergunning werd op 8 mei 2024 alsnog geweigerd. Echter, de vossenval stond er nog steeds. Daarom legde Animal Rights op 13 juli 3024 een strafklacht neer tegen de aanvrager op het politiebureau van Oudenaarde wegens een inbreuk op het decreet natuurbehoud.

Op 8 oktober krijgt Animal Rights een brief van het Openbaar Ministerie dat er een opsporingsonderzoek geopend werd. Aansluitend krijgt Animal Rights op 14 oktober nieuws van het Openbaar Ministerie dat de feiten bewezen werden in het dossier en de verwachte werd aangemaand om de schade te vergoeding en/of de aangeklaagde onwettige toestand te beëindigen. Animal Rights is na dit laatste bericht ter plaatse gegaan en stelde vast dat de vossenval verwijderd werd.

Ganzenvergassingen campagne

Animal Rights zet zich sinds 2015 in tegen het vergassen van ganzen. Zo zijn er demonstraties georganiseerd, vergassingsacties verstoord en juridische procedures aangespannen. Helaas komen elk jaar, ondanks inspanningen van Animal Rights en ook de Partij voor de Dieren, vele ganzen op een pijnlijke manier aan hun einde door middel van de vergassingen.

In 2024 hebben we een grootse media campagne gevoerd door middel van advertenties op reclamemasten langs de snelweg. Ook hebben we focus gelegd op het informeren van het publiek over deze afschuwelijke vergassingen door middel van lezingen. Animal Rights wil met deze campagne aandacht vragen voor het leed wat ganzen ondergaan tijdens de jaarlijkse ruivangsten en de brute vergassingen die hierop volgen.

In juni 2024 konden wij ook weer beelden maken van een brute ganzenvergassing. Door een anonieme tip hebben we samen met Partij voor de Dieren deze praktijken vastleggen. Op de beelden is duidelijk te zien hoe de ganzen met grof geweld bij elkaar gedreven worden en in totale paniek zijn.

Veroordeling in beroep voor dader die vosje Willie ving met staaldraadstrop

Vosje Willie werd in 2021 gevangen met een illegale en wrede staaldraadstrop. Animal Rights diende in België een klacht met burgerlijke partijstelling in. Na een veroordeling in eerste aanleg eind 2023 volgde dit jaar ook een veroordeling in beroep! Het Hof van Beroep Brussel oordeelde op 14 november 2024 dat de dader schuldig werd bevonden en legt een boete van 4000 euro op, waarvan de helft met uitstel, of een gevangenisstraf van 3 maanden. Twee keer gerechtigheid voor vosje Willie na een jarenlange juridische strijd.

Lees meer: Succes: gerechtigheid voor vosje Willie in beroep!

Strijd duurt voort

De strijd om fundamentele rechten te krijgen voor dieren duurt voort. Ook in 2025 zullen wij weer de weg bewandelen naar de rechtbank, het veld ingaan met onze Hunt Saboteurs en op beeld de misstanden van de jacht vastleggen. We hebben al vele successen behaald, maar we zijn er nog niet en het vergt een lange adem. Naast een lange adem vergt een campagne tegen de jacht ook veel geld.

Rechtszaken duren vaak meerdere jaren voordat we een uitspraak krijgen. De Hunt Saboteurs hebben degelijk materiaal zoals camera’s nodig om de misstanden vast te kunnen leggen. En het publiek informeren over deze misstanden kost tijd en geld.

Daarom hebben we jullie hulp nu nodig! Doneer aan onze Year End Fundraising en help de wilde dieren in 2025 naar gerechtigheid!

Melderslo: stalbrand (2014), gestikte varkens (2021) en in 2024 nog altijd sjoemelen met luchtwassers

Dinsdag 24 augustus 2021 werden in een varkensstal aan de Broekhuizerdijk 53 in het Limburgse Melderslo honderden dode varkens gevonden. De luchtwasser van de stal was uitgevallen waardoor de dieren stikten. In de stal zaten 700 varkens waarvan volgens de brandweer 95% van de dieren het niet overleefden. Hoe dit kon gebeuren, werd nooit bekendgemaakt.

Voor het bedrijf uit Melderslo was dat niet de eerste keer dat daar een ramp plaatsvond. Op 2 juni 2014 komen 1300 varkens om het leven als de stal waarin ze zitten opgesloten, uitbrandt.

Lees ook: 600 VARKENS STIKTEN IN MELDERSLO, NVWA WEIGERT INZAGE IN ONDERZOEK EN OM SEPONEERT DE ZAAK

En: ANIMAL RIGHTS WIL, VIA ARTIKEL 12, 5 GESEPONEERDE HITTESTRESS-VERSTIKKINGSZAKEN ALSNOG VOOR DE RECHTER BRENGEN

Het bedrijf mag 5228 ‘vleesvarkens’ houden.

Animal Rights vroeg bij de gemeente de inspectierapporten bij het bedrijf op sinds de brand van 2014. Dat leverde twee rapporten op in ruim 10 jaar tijd.

Uit een brief van de gemeente Horst aan de Maas van 26 juni 2023, blijkt dat op 18 april 2023 een toezichthouder van de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Limburg Noord in opdracht van de gemeente Horst aan de Maas bij het bedrijf een controle uitvoert of het bedrijf zich houdt aan de artikelen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de bijbehorende regeling en de omgevingsvergunning(en). Er blijkt van alles mis te zijn.

Op 3 mei 2024 wordt er opnieuw een rapport opgemaakt door de RUD Limburg Noord en opnieuw gaat het bedrijf in de fout.

Luchtwassers worden niet onderhouden

In 2023 blijkt onder andere dat het bedrijf zich niet houdt aan de voorschriften die gepaard gaan met het in gebruik hebben van een luchtwasser. Van één van de wassers was het display met de pH-waarde niet afleesbaar. Verder gaf deze aan dat de doorstroming te laag was. Er waren geen gegevens van recent onderhoud of het halfjaarlijks kalibreren van de EC-elektrode en de pH-elektrode en de filterpakketten werden niet ten minste jaarlijks gereinigd.

Tijdens het bezoek konden er geen logboeken worden overgelegd met gegevens van het kalibreren van de EC-elektrode en de pH-elektrode. Verder ontbraken gedragsvoorschriften, een gebruikshandleiding, een dimensioneringsplan en een opleveringsverklaring van het geïnstalleerde luchtwassysteem. Ook werden er geen registraties bijgehouden van het verrichte onderhoud of andere storingen waarbij de wasser tijdelijk buiten gebruik is geweest.

Het bedrijf is niet in overeenstemming met haar vergunning

Verder bleek dat er geen reservoir voor de opslag van propaan meer aanwezig was, er is geen dieseltank meer aanwezig, in de stallen zijn geen verwarmingsinstallaties meer, de loodsen aan de voorkant van het bedrijf zijn niet (meer) bij de uitbater van de varkenshouderij in gebruik, deze maken geen onderdeel meer uit van de inrichting, en alle stallen zijn aangesloten op een luchtwassysteem wat niet conform de vergunning is.

De bedrijfssituatie moet volgens de RUD in overeenstemming worden gebracht met de vergunning van 18 september 2007. Of er moet voor bovengenoemde wijzigingen een omgevingsvergunning verandering worden aangevraagd. Het is onduidelijk of dit gebeurd is.

Luchtwassers worden omzeild

Op 3 mei 2024 wordt er opnieuw een rapport opgemaakt door de RUD Limburg Noord. Op 25 augustus 2023 werd geconstateerd dat de deur van de drukkamer van de luchtwasser van stal 5 volledig openstaat. Wanneer de deur van de drukkamer niet gesloten is, passeert een deel van de ventilatielucht ongereinigd het luchtwassysteem en zorgt hiermee voor een verhoogde verontreiniging van het omringende milieu, In principe is de schade niet herstelbaar aangezien de extra ammoniakuitstoot reeds is geëmiteerd in het milieu.

In het voorjaar van 2024 werd opnieuw een controle uitgevoerd, waarbij geconstateerd is dat de drukkamer van een andere stal (deels) geopend was. Op 12 april staat de deur van de drukkamer van stal 2 open en op 16 april is dat nog steeds het geval. Op 26 april is deze gesloten.

Aangezien het bedrijf eerder is aangesproken op het dichthouden van de deuren en dit niet wordt opgevolgd is het voorstel van de toezichthouder om direct een last onder dwangsom op te leggen bij iedere volgende constatering. Of er nog controles/constateringen zijn geweest was niet op te maken uit de door Animal Rights opgevraagde informatie. Op 13 november laat de gemeente weten: “In de periode nadat geconstateerd was dat de deur van de drukkamer van de luchtwasser weer dicht was, is door toezichthouder diverse keren gecontroleerd of deze deur ook dicht bleef. Dit was telkens het geval waarvan geen afzonderlijke verslaglegging heeft plaatsgevonden, aangezien dit een situatie conform vergunning is en dus geen overtreding.”

Luchtwassers

In een chemische luchtwasser wordt ammoniak en in mindere mate geur verwijderd door de uitgaande stallucht door een filter te voeren dat met zuur waswater wordt besproeid. Met het waswater wordt ook fijnstof verwijderd.
In een biologische luchtwasser en in een biofilter worden ammoniak en geur door micro-organismen (bacteriën) omgezet. Bij een biologische wasser zitten de micro-organismen op een kunststof of metalen filter en bij een biofilter op natuurlijk filtermateriaal.
Een waterwasser verwijdert met water fijnstof uit de stallucht.

De EC-elektrode meet de geleidbaarheid van het waswater. De geleidbaarheid is een maat voor de vervuiling van het waswater. Bij het bereiken van de ingestelde geleidbaarheid-waarde wordt het waswater, of een deel daarvan, uit de wateropvangbak gepompt – het ‘spuien’ – en wordt dit met vers water weer aangevuld.

De pH-elektrode meet de zuurgraad van het waswater. De waarde van de zuurgraad is belangrijk voor een goede werking van zowel een biologisch als een chemisch luchtwassysteem. Het waswater van een chemische wasser moet voldoende zwavelzuur bevatten om met voldoende ammoniak te kunnen reageren tot ammoniumsulfaat.
In een biologische wasser lost de ammoniak uit de stallucht op in het water en wordt omgezet in ammonium (NH4+). Daarna breken de micro-organismen het ammonium af naar nitriet (NO2-) en van nitriet naar nitraat (NO3-). Dat proces wordt ‘nitrificatie’ genoemd.
Het op deze wijzen gebonden ammoniak verdwijnt niet meer met de ventilatielucht uit de stal maar lost op in het waswater.

Bij het omzetten van ammoniak wordt het waswater zuurder. Wanneer de afbraakproducten niet voldoende worden afgevoerd, stijgt de zuurgraad (daalt de pH). De zuurgraad van het waswater mag niet te hoog, maar na verversing van het waswater na spuien ook niet te laag zijn.
De zuurgraad moet voldoen aan de eisen die gelden voor het luchtwassysteem. Het is niet toegestaan om hiervan af te wijken. De zuurgraad moet continu worden gemeten en ieder uur worden geregistreerd. De actuele zuurgraad van het waswater is af te lezen van de display van de installatie.

Voor een biologische luchtwasser geldt een bandbreedte voor de zuurgraad van niet lager dan 6,5 en niet meer dan 7,5. Bij een te hoge zuurgraad (lage pH) of te lage zuurgraad (hoge pH) kunnen de bacteriën, die de ammoniak omzetten in nitriet en nitraat, niet goed hun werk doen.
De benodigde zuurgraad is bij chemische luchtwassers afhankelijk van het type luchtwasser.

De lucht uit de stal moet zonder veel obstakels bij het filterpakket komen. De lucht moet na de ventilatoren tot rust komen in een ruimte voor de eerste reinigingsstap van de luchtwasser zodat deze zo laminair mogelijk door de luchtwasser gaat en zo optimaal mogelijk over het oppervlak van het filterpakket wordt verdeeld. Deze ruimte is de drukkamer. Ook als er geen ventilatoren tussen de stal en de luchtwasser aanwezig zijn, wordt de ruimte voor de luchtwasser drukkamer genoemd.

Raakt eendenslachter Tomassen haar natuurvergunning kwijt?

Op 23 september 2019 vroegen Mobilisation for the Environment en Animal Rights de provincie Gelderland om handhavend op te treden tegen eendenslachter Tomassen Duck-To omdat het bedrijf niet over een natuurvergunning beschikte.

Lees hiervoor:

De organisaties wisten destijds dat het bedrijf wel een omgevingsvergunning uit 2002 bezat. In 2016 nam Tomassen concurrent VSE uit Harderwijk over en verplaatste alle activiteiten naar Ermelo. In 2013 werden 4,5 miljoen eenden geslacht. In 2018 bedroeg dit aantal 8,4 miljoen. De productie was dus significant verhoogd en er werd door Tomassen ook duchtig, illegaal bijgebouwd.

Mob en Animal Rights vroegen de provincie om de werktijden/productie terug te brengen tot het niveau ten tijde van de omgevingsvergunning van 2002 en tegelijkertijd te onderzoeken of er soms geen eerdere referentiedatum moest worden aangehouden.

Op 24 februari 2020 wijst de provincie het handhavingsverzoek af:
“Het wegvallen van het Programma aanpak stikstof, de per 1 januari 2020 inwerking getreden wijziging van de Wet natuurbescherming en landelijke afstemming eisen een zorgvuldige aanpak wat doorwerkt in de beoordeling van uw verzoek tot handhaving en evenzeer resulteert in een langere beoordelingsduur. Het, onder deze omstandigheden, inzetten van (preventieve) bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten wordt in deze zaak als onredelijk geacht. In het kader van de gemaakte belangenafweging wordt opgemerkt dat het belang van handhaving vooralsnog niet opweegt tegen het bedrijfsbelang van de slachterij.”

Toen het zogeheten Programma aanpak stikstof (PAS) nog van kracht was, hoefden bedrijven die relatief kleine hoeveelheden stikstof uitstoten slechts een melding te doen. De Raad van State heeft het PAS echter ongeldig verklaard in mei 2019, omdat het te vrijblijvend was en daarmee in strijd met Europese natuurwetten. Ieder bedrijf dat stikstof uitstoot moest vervolgens een natuurvergunning aanvragen, zo ook Tomassen.

Tomassen Duck To BV diende op 22 juli 2019 een vergunningaanvraag Wet natuurbescherming in en verkreeg de vergunning op 13 mei 2022.

Mobilisation en Stichting Doeh zetten de zaak voort en tekenden beroep aan. Op 14 augustus 2024 laat de advocaat van de provincie aan de rechtbank Midden-Nederland weten dat er een eerdere referentiedatum is, namelijk een vergunning op grond van de Hinderwetvergunning uit 1992.

In de aanvraag door Tomassen voor de natuurvergunning zijn daarom onjuiste uitgangspunten gehanteerd op het gebied van hoeveelheden brandstof, het vermogen en type van een ketel, vervoersbewegingen en het type en gebruik van een heftruck. Tomassen heeft vragen hierover niet beantwoord.

De provincie is daarom op dit moment van oordeel dat de natuurvergunning op basis van onjuiste gegevens is verleend en is daarom voornemens om de verleende natuurvergunning in te trekken.

Of dat directe consequenties heeft voor Tomassen is de vraag. Tot medio 2025 krijgen provincies de ruimte om in sommige gevallen af te zien van handhaving tegen bedrijven zonder natuurvergunning, zo heeft de Raad van State bepaald. Ze moeten dan wel motiveren dat er een redelijk evenwicht is tussen de belangen van PAS-melders aan de ene kant en het natuurbelang aan de andere kant.

Updates

Op 25 september stellen de PvdD en SP er vragen over aan de Gedeputeerde Staten van Gelderland. Onder andere:
Klopt het dat de provincie de natuurvergunning van eendenslachterij Tomassen gaat intrekken? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de slachterij?
Waarom heeft u vorige week op onze schriftelijke vervolgvragen over de Pekingeenden van Gelderland geantwoord dat de natuurvergunning van de slachterij in orde is, terwijl de provincie de vergunning gaat intrekken? 1

De mondelinge antwoorden diezelfde dag worden wat warrig verwoord door gedeputeerde Ans Mol, daarom in zijn geheel: “We zijn inderdaad voornemens de natuurvergunning bij het bedrijf in te trekken. Dat heeft als gevolg dat het bedrijf terugvalt op de oude referentiesituatie. Bestaande op het moment dat de milieuvergunning ten tijde van de aanwijzing van de Natura2000-gebied. Die status gaat dan weer gelden. Daar zijn activiteiten in vergund met een kleinere emissie dan in eerste instantie gedacht. Dat betekent dat het bedrijf nadere maatregelen moet nemen om aan die emissie-eisen te kunnen voldoen. Daardoor wordt er een nieuwe aanvraag voorbereid en dat zal worden getoetst of dat past binnen de referentie die dan in de huidige milieuvergunning nog steeds dan geldig is. Waarom hebben we eerder niet geantwoord dat er een vergunning van de slachterij in orde was, terwijl we die gaan intrekken? Omdat wij bij een controle die we recent hebben uitgevoerd, is gebleken dat er geen overschrijdingen zijn van de uitstoot op basis van de Wet milieuvergunning. Dus daarom is die vergunning ook niet ingetrokken en nog steeds van kracht. Wel is bij het verlenen van de vergunning uitgegaan van een grotere referentiesituatie dan eerder in werkelijkheid aanwezig was. Dat is pas na het verlenen van die vergunning duidelijk wordt en daarom wordt die nieuwe vergunning ook ingetrokken. Dus daarmee komt het weer terug op de oude vergunning die erin zit. Hebben wij een verzoek ontvangen om een oude vergunning in te trekken? Dat hebben we recent inderdaad ontvangen. We zijn nog aan het beoordelen of deze vergunning op de gronden die zijn aangegeven in dat intrekkingsverzoek, wel in moeten of kunnen trekken.” 2

Op 9 december publiceert de provincie Gelderland het voornemen om de vergunning te in te trekken. 3

Op 17 januari 2025 dienen Animal Rights en Mobilisation for the Environment een ondersteunende zienswijze in voor het ontwerpbesluit tot het intrekken van de natuurvergunning. Deze zienswijze geldt dus als steunbetuiging aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland om in het besluit te volharden en over te gaan tot intrekking van de natuurvergunning. Animal Rights en MOB zijn met het college van mening dat de door hen verleende vergunning geen stand kan houden.

Tevens zijn er ontwikkelingen geweest in de rechtspraak waarmee wordt bekrachtigd dat de voorliggende natuurvergunning ten onrechte is verleend en er ook aanleiding is het voornemen inhoudelijk aan te passen.

In het ontwerpbesluit schrijft het college:
“Daarnaast is de natuurvergunning […] verleend met toepassing van intern salderen. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State […] blijkt echter dat voor intern salderen geen natuurvergunningplicht geldt. Als intern gesaldeerd kan worden, kan immers op grond van objectieve gegevens uitgesloten worden dat een wijziging van een project significante gevolgen heeft en zijn gedeputeerde staten niet bevoegd om een vergunning te verlenen.”

Deze redenering is met de uitspraken van 18 december 2024 betreffende Rendac en de Amercentrale (ECLI:NL:RVS:2024:4909 / ECLI:NL:RVS:2024:4923) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State achterhaald. Intern salderen mag niet meer worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning nodig is. Het ontwerpbesluit is hiermee niet in overeenstemming en dient op dit punt in het definitieve besluit te worden aangepast.

Animal Rights en MOB verzoeken het college om het ontwerpbesluit te bekrachtigen in het definitieve besluit en dus de natuurvergunning voor het exploiteren van een eendenslachterij aan de Fokko Kortlanglaan 116 te Ermelo in te trekken.

Op 12 februari 2025 was de zitting bij de rechtbank in Utrecht. Na het aanhoren van de argumenten van (de advocaten van) Mobilisation, Doeh, Gelderland en Tomassen, trokken de drie rechters en de griffier zich terug om te beraadslagen. Een half uur later volgde direct een uitspraak en was de natuurvergunning van het eendenslachthuis vernietigd. De eendenslachterij wilde van de rechtbank uitstel, omdat ze hoop hebben dat ze in de toekomst alsnog een vergunning krijgen. Dat lijkt echter onmogelijk. De rechter vond onder meer het belang om tot een spoedige uitspraak te komen, zwaarder wegen dan het belang van Tomassen Duck-To. De uitspraak inclusief motivering volgt over twee weken. Vervolgens heeft Tomassen Duck-To zes weken de tijd om in hoger beroep te gaan bij de Raad van State, wat men ongetwijfeld zal doen. Ondertussen opereert het bedrijf illegaal en dat opent de weg naar handhavingsverzoeken door Animal Rights, MOB en Stichting Doeh, daar het zicht op legalisatie van het slachthuis verder weg dan ooit is.


  1. Mondelinge vragen: Intrekken van natuurvergunningen in de vleeseendensector ↩︎
  2. Monde­linge vragen Intrekken van natuur­ver­gun­ningen in de vlees­een­den­sector ↩︎
  3. Provincie Gelderland Omgevingswet, locatie Fokko Kortlanglaan 116 Ermelo ↩︎