De resusapen Figaro, Meneer Nilson, Marvin en Galileo worden door KNAW gepresenteerd als partners in wetenschappelijk onderzoek. In werkelijkheid zijn ze slechts instrumenten in achterhaald wetenschappelijk onderzoek. Dit artikel is een reactie op een artikel gepubliceerd in NRC handelsblad op 4 december.1
Rowena Vanroy: “Dit is geen wetenschap maar veredelde dierenmishandeling. Dierproeven zijn een morele nullijn die niet overschreden zou moeten worden.”
Hoewel onderzoekers zoals Pieter Roelfsema de leefomstandigheden van de apen omschrijven als goed verzorgd, leven deze dieren in kooien van slechts 4 m², met een hoogte van 3 meter. Voor een diersoort die in vrijheid door bomen slingert, is dit verre van een paradijs. Hoewel er verrijkingsmateriaal aanwezig is en ze deeltijds gezelschap van een andere aap hebben, volstaat dit in de verste verte niet om hun natuurlijke gedrag na te bootsen.
Niet vrijwillig
De bewering dat de apen alleen meewerken wanneer ze dat willen, is misleidend. Apen worden dorstig gehouden, en sap als beloning maakt het moeilijk om van echte vrijwilligheid te spreken. Het alternatief voor niet meewerken is dorstig blijven. Bovendien zijn de hersenimplantaten die de dieren krijgen per definitie invasief en brengen ze blijvende fysieke en mentale belasting met zich mee. Na een leven van opsluiting eindigt hun bestaan vaak met de dood om hun hersenweefsel te onderzoeken.
Decennialang leed
Het Herseninstituut voert al decennia proeven uit op resusapen met als doel een visuele prothese te ontwikkelen. Dit implantaat, bedoeld om blinden te helpen zien, blijft in praktijk steken op een rudimentair niveau van enkele lichtpunten of eenvoudige patronen. Ondanks decennia van belastinggefinancierd onderzoek is er nog geen blinde weer ziend gemaakt.
Toch blijven de onderzoeken maar doorgaan. Na tientallen jaren investeren in apenonderzoek zijn onderzoekers vatbaar voor de sunk cost fallacy: doorgaan ondanks weinig hoop op daadwerkelijke doorbraken.
Ook het streefbeeld van het Nationaal Comite Advies Dierproevenbeleid (NCAD) noemt volgende beperkingen van hersenonderzoek met proefdieren: 2
De gelimiteerde overeenkomst tussen een proefdierbrein en het menselijk brein;
Het bestaan van ziekten en aandoeningen (zoals depressie) die niet voorkomen in dieren, of in ieder geval niet op dezelfde manier ontstaan als bij mensen;
Het feit dat de omstandigheden in dierexperimenten ver afstaan van de menselijke situatie.
Belastinggeld
Het onderzoek wordt gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Dit budget kan beter worden besteed aan innovatieve, proefdiervrije technologieën, die zowel beter zijn voor dieren als financieel voordeliger zijn. 34
Dreigementen als pressiemiddel
Roelfsema suggereert dat een verbod op apenexperimenten zal leiden tot een uittocht van onderzoekers naar landen als de VS of China, waar minder strenge regels gelden. We zien dit dreigement terugkeren in vrijwel elke immorele industrie die dreigt afgeschaft te worden, zoals bijvoorbeeld ook de nertsenfokkerij. Dit mag echter geen reden zijn om onethische praktijken in stand te houden. Door zijn voortrekkersrol in proefdiervrij onderzoek te versterken, kan Nederland zijn positie als ethische en technologische leider behouden.
Stop apenleed
Animal Rights roept de Tweede Kamer op om op 12 december vast te houden aan het plan om apenexperimenten uit te faseren.
Rowena Vanroy benadrukt: “De politiek moet zich niet laten leiden door dreigementen en emotionele argumenten van de sector, maar kiezen voor een innovatieve wetenschap zonder dierenleed.”
Op 28 november 2024 besloot het college van Gedeputeerde Staten van Drenthe het bezwaar van Animal Rights en Fauna4Life tegen het Faunabeheerplan ‘vrijgestelde soorten’ gegrond te verklaren en het goedkeuringsbesluit in te trekken. Het plan zou stond toe om zwarte kraaien, Canadese ganzen en vossen door de hele provincie af te schieten.
Landelijke vrijstelling
Omdat bepaalde diersoorten, volgens de overheid, in het gehele land schade veroorzaken en niet in hun voortbestaan worden bedreigd, heeft de landbouwminister hun bestrijding, door deze soorten opzettelijk te doden of te vangen, en voor zover het om vogels gaat ook te storen, aangewezen als vergunningvrij geval. Deze dieren mogen het hele jaar worden bestreden, als op tenminste één perceel schade is ontstaan of dreigt te ontstaan in het huidige of komende jaar aan landbouw of aan flora of fauna. Deze vergunningvrije gevallen zijn aangewezen in artikel 4.18 en 4.27 van de Omgevingsregeling. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren dezelfde soorten landelijk vrijgesteld op grond van artikel 3.15 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Voorwaarde om van de aanwijzing gebruik te kunnen maken, is dat de faunabeheereenheid (FBE) een faunabeheerplan (FBP) vaststelt dat de goedkeuring van het college behoeft.
Tijdlijn
Het voorliggende FBP, op 6 maart 2024 vastgesteld door de FBE Drenthe en aangevuld op 16 mei 2024, gaat in op de noodzaak en het effect van het bestrijden van alle aangewezen soorten, met als conclusie dat ‘slechts’ aanleiding bestaat om bestrijding van de Canadese gans, vos en zwarte kraai toe te staan (en niet die van houtduif, kauw en konijn, de andere landelijk vrijgestelde soorten).
Bij besluit van 2 juli 2024 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Drenthe goedkeuring gegeven aan het FBP ‘vrijgestelde soorten’ Drenthe 2024-2029. Dit betekent dat voor de duur van het FBP grondgebruikers gebruik kunnen maken van de ministeriële aanwijzing van vergunningvrije gevallen, voor zover het de Canadese gans, vos of zwarte kaai aangaat.
Fauna 4 Life en Animal Rights hebben hiertegen bezwaar gemaakt op 15 juli 2024.
Op 16 september 2024 werd een openbare hoorzitting gehouden bij de Commissie rechtsbescherming van de provincie Drenthe. Deze commissie bracht advies uit op 16 oktober.
Op 19 september 2024 schorste de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland het afschot van zwarte kraai en Canadese gans.
Animal Rights en Fauna4Life zijn van mening dat de aanwijzingen in de Omgevingsregeling van de vergunningvrije gevallen door de minister onvoldoende zijn onderbouwd. Hiertoe verwijzen de stichtingen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1545), waarin de Afdeling dit over de landelijke vrijstellingen op grond van de Wnb heeft bepaald.
De stichtingen stellen dat de huidige aanwijzingen in de Omgevingsregeling op exact dezelfde informatie zijn gebaseerd als de landelijke vrijstelling op grond van de destijds geldende Wnb en dat aan deze aanwijzingen derhalve dezelfde gebreken kleven.
Het Faunabeheerplan en het goedkeuringsbesluit van Drenthe gaan niet in op de gevolgen van deze uitspraak en bovendien mist het goedkeuringsbesluit überhaupt een motivering.
Het advies
Op basis van het dossier en de standpunten die de partijen tijdens de hoorzitting naar voren hebben gebracht, stelde de commissie vast dat de partijen niet van mening verschillen dat aan de door de minister onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) aangewezen vergunningsvrije gevallen eenzelfde gebrek aan de onderbouwing kleeft als bij de eerdere landelijke vrijstellingen. ”Het geschil strekt zich daarmee primair uit tot de vraag of bij de goedkeuring van het Faunabeheerplan uitgegaan mag worden van de ministeriële aanwijzing van vergunningvrije gevallen.”
”De commissie leest in deze uitspraak dat wanneer de ministeriële aanwijzingen onvoldoende zijn onderbouwd niet van deze aanwijzingen mag worden uitgegaan. De onderbouwing kan ook niet worden hersteld op provinciaal niveau. Wanneer de aanwijzing zelf niet voldoet, komt aan de vraag of de wijze waarop uitvoering aan de aanwijzing wordt gegeven geen betekenis meer toe.”
”Gelet op het voorgaande kan het college geen goedkeuring geven aan het faunabeheerplan en dient het goedkeuringsbesluit te worden herroepen.”
”De commissie concludeert op basis van het voorgaande dat de aanwijzing vrijgestelde soorten (landelijke vrijstelling) niet als grondslag kan worden gebruikt voor dit Faunabeheerplan. Dit betekent dat de schadebestrijding van de soorten in Drenthe alleen mogelijk is na het verlenen van een omgevingsvergunning voor deze activiteit.”
Besluit op bezwaar
Op 28 november 2024 besluit het college van Gedeputeerde Staten van Drenthe op basis van het advies van de Commissie rechtsbescherming van 16 oktober 2024 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 19 september 2024 om het bezwaar van Fauna4Life en Animal Rights gegrond te verklaren. Dit betekent dat het goedkeuringsbesluit van 2 juli 2024 wordt herroepen en goedkeuring wordt onthouden.
Vossen, Canadese ganzen en zwarte kraaien kunnen in Drenthe niet langer worden afgeschoten vanuit het frivole idee dat deze dieren overal in het land schade zouden veroorzaken. In een dichtbevolkt land als Nederland is de ruimte voor wilde dieren al uiterst beperkt, waardoor conflicten tussen menselijke belangen en het welzijn van wilde dieren onvermijdelijk zijn. Helaas trekken de dieren in deze situaties bijna altijd aan het kortste eind.
Animal Rights benadrukt dat wilde dieren recht hebben op bescherming en een leefbare habitat. Het routinematig doden van deze dieren, onder het mom van schadebestrijding, gaat voorbij aan de kern van het probleem: het gebrek aan ruimte en respect voor de natuur. In plaats van de natuur naar onze hand te zetten, zouden we manieren moeten zoeken om harmonieus samen te leven met wilde dieren.
Recent vrijgegeven beelden van vossenbontfokkerijen in Finland werpen een schokkend licht op de wrede omstandigheden waarin deze dieren leven. Humane Society International/UK, in samenwerking met de Finse dierenbeschermingsorganisatie Oikeutta Eläimille, onthulde gruwelijke taferelen.
Misstanden op Finse fokkerij
De beelden, gemaakt in oktober 2023, tonen de schrijnende staat van de dieren: er zijn vossen te zien die zodanig zijn gefokt om overtollige huid te hebben dat de dieren wel in hun huid lijken te ‘verdrinken’. We zien vossen met overgroeide nagels, ontstoken ogen, een vos met een half afgerukte staart, een vos die zit te hijgen van pijn en stress. Sommige dieren vertonen stereotiep gedrag, zoals eindeloos rondjes draaien in de kale kooi – een teken van extreme psychische stress.
Het fokken van vossenbont is verboden in Nederland en België, maar de import en verkoop van bontproducten – waaronder kragen en sleutelhangers – gaan onverminderd door. Merken als Modemerken als Moose Knuckles, Woolrich, Philip Plein, Yves Salomon, Vuitton en Fendi hebben nog steeds vossenbont in de rekken hangen.
Zoveelste horrorbeelden
De beelden uit Finland zijn niet uniek. Soortgelijke schandalen duiken regelmatig op in andere Europese landen:
Polen: Activisten legden vast hoe vossen leven in vuile kooien zonder schoon drinkwater. Veel dieren vertonen ernstige mentale stoornissen en krijgen geen enkele verzorging.
Tsjechië: Opnames tonen vossen die wanhopig proberen te ontsnappen uit kooien, wat resulteert in pijnlijke verwondingen. Vossen leven op draadgazen bodems die pijnlijke verwondingen veroorzaken aan de poten.
Noorwegen: Hier werden vossen gefilmd met verminkte poten en infecterende huidwonden. Dode dieren lagen ontbindend in de kooien.
Ook in Finland, Europese leider in de vossenindustrie, werden gruwelijke misstanden gefilmd door activisten. We krijgen vossen te zien met etterende wonden en verminkingen. De dieren worden gek van stress en frustratie in de smerige krappe kooien. Alle gefilmde fokkerijen werken onder de vlag van ‘Saga Furs’, het officiële veilinghuis dat de Europese pelzenhandel beheerst.
Sommige vossen ‘zwemmen’ in overtollig vel.
Een treurig leven voor een bontkraag.
Een dier met een halve, afgerukte staart.
Een vos met oogproblemen.
Martelmode geen excuus
Ondanks de herhaalde onthullingen blijft bont een mode-accessoire. Dit is onbegrijpelijk. Wie nog bont draagt en dus letterlijk een dood dier om de hals heeft hangen, maakt zich schuldig aan zware dierenmishandeling. Als je bont draagt, zeg je in feite: “Ik geef niets om het lijden van een levend wezen, zolang ik er maar mooi uitzie.”
Tijdlijn
Op 19 december 2023 besloot het college van Gedeputeerde Staten (GS) van Drenthe tot het verlenen van een ontheffing aan de Faunabeheereenheid Drenthe van artikel 3.17 en 3.26 van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor populatiebeheer van reeën met gebruik van het geweer binnen Drenthe.
Animal Rights en Fauna4Life dienden op 29 januari 2024 een bezwaarschrift in dat de provincie op 16 juli 2024 besloot te negeren.
Op 26 augustus 2024 hebben de stichtingen beroep ingediend bij de Rechtbank Noord–Nederland tegen dat besluit van het college van 16 juli.
Op 3 december verzochten de stichtingen, in afwachting van de behandeling van dit beroep, de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen en het bestreden besluit inclusief de verleende ontheffing te schorsen tot zes weken nadat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.
Voorlopige voorziening
De ontheffing geldt vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2029 en mag dus al gebruikt worden. Het doden van reeën is onomkeerbaar en dat is de reden dat bestuursrechters in vergelijkbare zaken spoedeisend belang aannemen.
Animal Rights en Fauna4Life hebben een aantal relevante ontwikkelingen afgewacht en dat is de reden waarom het verzoekschrift nu (pas) wordt ingediend. Eén van deze ontwikkelingen betreft [de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland–West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2024:6964)](https://www.animalrights.nl/winst-voor-de-reeën-zeeland).
Waar gaat het om?
Deze ontheffing is verleend voor het doden van reeën in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid (specifiek zijnde de verkeersveiligheid), alsmede ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren.
Aan de besluitvorming tot het verlenen van een dergelijke ontheffing zijn strikte voorwaarden verbonden, welke voorwaarden de oorsprong hebben in de Habitatrichtlijn (Hrl). Afwijkingen zijn mogelijk, maar moeten dan wel een laatste redmiddel zijn, zo schrijft artikel 16 voor.
In tegenstelling tot de provincie Drenthe, zijn de stichtingen van oordeel dat niet aan de cumulatieve voorwaarden uit artikel 16 Hrl is voldaan:
Er is niet voldoende onderbouwd dat er sprake is van een reëel gevaar voor de volksgezondheid,
de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang.
De ontheffing is op voorhand verleend.
Er bestaan andere bevredigende oplossingen / Afschot van reeën biedt geen bevredigende oplossing.
Noodzaak? – Er kan geen verband gelegd worden tussen aantal reeën en aantal aanrijdingen
De stichtingen stellen voorop dat het gebrek aan een noodzaak voor de bestreden ontheffing reeds volgt uit het Faunabeheerplan (fbp) Ree Drenthe 2024 – 2029: 1 “Wanneer we de trendtelling en de aanrijdingen beschouwen als twee steekproeven uit de populatie, kan de conclusie alleen maar zijn dat we weinig weten van de populatieomvang en -structuur. Dit resultaat vormt een belangrijk argument voor een andere vorm van beheer”.
“De cijfers leiden tot de vraag wat dit beheer betekent voor de werkelijke populatieomvang en -structuur i.c. voor het aantal aanrijdingen met reeën. Opnieuw een argument voor ander beheer.”
“Wanneer we de trendtelling van en de aanrijdingen met reeën als gelijkwaardige steekproeven beschouwen, luidt de conclusie dat we bij de volwassen reeën niet alleen in het duister tasten over de werkelijke aantallen, maar ook over de populatiestructuur. Dat maakt gericht ingrijpen lastig te beargumenteren en vormt een pleidooi om het beheer niet zozeer te baseren of te richten op aantallen (doelstand), ook niet van een bepaalde leeftijd of geslacht, maar veel meer op het voorkomen van vormen van overlast.”
”In het geval van wilde hoefdieren is beheren op aantallen en het hanteren van ‘doel-, streef- of gewenste standen’ in veel gevallen een illusie. Onderzoek naar de vraag of het beoogde effect (bijvoorbeeld minder aanrijdingen) wordt bereikt is daarom lastig tot onmogelijk.”
Besluitvorming ter rechtvaardiging van afschot van beschermde dieren, dient gebaseerd te zijn op een zorgvuldig onderzoek en onderbouwing. Dat ontbreekt in Drenthe.
De stichtingen stellen bovendien dat geenszins is onderbouwd waarom 600 aanrijdingen acceptabel is voor de provincie Drenthe en alles daarboven niet. Er is niet toegelicht waarom een dergelijk streefgetal kan worden aangehouden als zijnde een ‘redelijke invulling van het begrip openbare veiligheid’.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland–West-Brabant sprak zich daar in de uitspraak van 11 april 2024 in een vergelijkbare zaak reeds over uit: “Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende onderbouwd en
aannemelijk gemaakt dat het verlenen van de ontheffing nodig is in het belang van de openbare veiligheid en meer specifiek de verkeersveiligheid. (…) Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder echter niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat in Zeeland een zodanig risico voor de verkeersveiligheid bestaat, dat het nodig is om de reeën te doden. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet of onvoldoende onderbouwd wat de omvang van de aanrijdingen met reeën in Zeeland is, hoe ernstig de aanrijdingen zijn en welke schade (materiële- of letselschade) daaruit voortkomt.”
Deze overweging is volgens de stichtingen direct toepasbaar op het bestreden besluit van Drenthe, waarin een dergelijke onderbouwing eveneens ontbreekt.
In conclusie stellen de stichtingen dat het belang waarop een beroep wordt gedaan – hier verkeersveiligheid – overtuigend moet worden aangetoond. Hiervoor is van belang dat onderzoeksrapporten actueel zijn, onderzoeksresultaten gedetailleerd zijn en inzicht moet worden geboden in de onderzoeksgegevens die aan de resultaten ten grondslag hebben gelegen. Verder is het van belang dat ondubbelzinnig dient vast te staan dat het belang zwaarder weegt dan het belang van de bescherming van de betrokken soort.
De ontheffing is op voorhand verleend
Afschot van reeën wordt in Drenthe (mede) toegestaan op basis van door de wildbeheereenheden (wbe’s) nog op te stellen, en door de faunabeheereenheden (fbe’s) goed te keuren, werkplannen. De onderbouwing wordt daarmee in feite pas achteraf aangeleverd, wat in strijd is met het wettelijke kader.
Eenzelfde handelingswijze is aangehouden door GS van de provincie Groningen. Hierover heeft de voorzieningenrechter op 29 augustus 2024 het volgende geoordeeld: “De voorzieningenrechter is gelet op voormeld voorschrift van oordeel dat de inhoudelijke toetsing van de vraag, of is voldaan aan de voorwaarden voor ontheffingverlening, namelijk het bestaan van een risico voor de verkeersveiligheid en de afwezigheid van andere bevredigende oplossingen, feitelijk berust bij de fbe, de aanvrager van de ontheffing. De fbe toetst namelijk, na aanlevering door de wbe van de daartoe benodigde gegevens in een werkplan, of in de betreffende wbe sprake is van een noodzaak voor het doden van de reeën en of en welke andere bevredigende oplossingen zijn toegepast. Dit is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met de Wnb, waarin de bevoegdheid voor ontheffingverlening, en daarmee de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden voor ontheffingverlening, berust bij het college. Nadat het college de betreffende toetst heeft verricht en al dan niet ontheffing heeft verleend, kan het besluit worden voorgelegd aan de rechter ter toetsing.”
Er zijn andere bevredigende oplossingen
De tweede voorwaarde voor ontheffingverlening is dat er geen andere bevredigende oplossing
bestaat. Alleen wanneer voldoende is aangetoond dat andere potentiële oplossingen niet bevredigend zijn en wanneer ook aan de andere voorwaarden is voldaan, kan het gebruik van de ontheffing worden gerechtvaardigd.
Of een afwijking van de verbodsbepalingen, dus afschot van reeën, kan worden toegestaan, dient te worden beoordeeld op basis van de aan-/afwezigheid van andere bevredigende, diervriendelijke, oplossingen en de mate waarin na het toepassen van die andere diervriendelijke oplossingen nog sprake is van een ‘resterend probleem’. In het bestreden besluit is niet (afdoende) toegelicht welke andere bevredigende, diervriendelijke, oplossingen er zijn uitgevoerd, wat daarvan het effect was en de mate waarin na het toepassen van die andere diervriendelijke oplossingen nog sprake is van een ‘resterend probleem’ waardoor afschot noodzakelijk is.
De stichtingen merken allereerst op dat het ‘onderzoek’ naar andere bevredigende oplossingen in Drenthe ten onrechte ziet op slechts een beperkt aantal maatregelen.
Bovendien is geen overzicht gegeven van exact welke maatregelen dan zijn ingezet, gespecificeerd per Wbe, over welke periode dat is geweest, op welke locaties dat is gedaan, hoe het effect daarvan dan is gemonitord en wat het ‘resterende probleem’ nog is na inzet van die maatregelen.
Reeds hierom is niet voldoende gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossingen bestaan en kan het bestreden besluit geen stand houden.
De stichtingen verwijzen tevens nog naar de navolgende overwegingen van de Europese Commissie (EC): “Het proces om na te gaan of een andere oplossing onbevredigend is, moet gebaseerd zijn op een goed gedocumenteerde beoordeling van alle mogelijke beschikbare opties, onder meer wat betreft de doeltreffendheid ervan, op basis van de beste beschikbare feiten en gegevens.”
“Gezien het uitzonderlijke karakter van de afwijkingsregeling zou een afwijking alleen gerechtvaardigd zijn indien op objectieve wijze kan worden aangetoond waarom niet voor andere, op het eerste gezicht bevredigende oplossingen kan worden gekozen”
“De lidstaten hebben beperkte discretionaire bevoegdheid en indien er een andere oplossing bestaat, moeten alle argumenten dat deze niet bevredigend is overtuigend zijn.”
In dit kader verwijzen de stichtingen wederom naar eerder genoemde uitspraak van de rechtbank Zeeland –West-Brabant van 18 oktober 2024: “Alleen wanneer afdoende is aangetoond dat andere potentiële oplossingen niet bevredigend zijn, kan het gebruik van de afwijking worden gerechtvaardigd. Indien een maatregel gedeeltelijk bevredigend is, moet die maatregel eerst worden uitgevoerd. Afwijkingen voor dodelijke interventie moeten in verhouding staan tot het probleem dat overblijft nadat er niet-dodelijke maatregelen zijn genomen.”
“Andere bevredigende oplossingen kunnen echter niet van meet af aan worden afgewezen omdat zij te duur zouden zijn.”
“Om te weten welke maatregel in een specifieke situatie zinvol is, […] zijn gegevens nodig over bijvoorbeeld locaties, aantallen en tijdstippen van de aanrijdingen, kenmerken van de weg, ligging in het landschap en uitgevoerd beheer.”
De afwijking, zijnde afschot, kan slechts dan toegestaan worden indien écht geen andere bevredigende oplossingen bestaan, waarvan op basis van objectieve controleerbare gegevens kan worden geconcludeerd waarom deze oplossingen niet voldoende bevredigend zijn. Enkel nadat alle mogelijke andere bevredigende oplossingen zijn uitgeput, kan afschot worden toegestaan voor het resterende probleem. Op geen enkele wijze blijkt uit het bestreden besluit dat wordt voldaan aan voorgaand beschreven kader. De stichtingen stellen dan ook dat tevens op dit punt er een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek aan het bestreden besluit kleeft.
Afschot is geen bevredigende oplossing
De stelling van het college, dat afschot invloed heeft op de omvang van de populatie, is niet onderbouwd.
Op basis van de aangeleverde cijfers kan niet eenduidig worden geconcludeerd dat afschot een daadwerkelijk positief effect heeft op het beperken van de reeënpopulatie of het aantal aanrijdingen. Hoewel afschot een constante maatregel lijkt te zijn, blijven de populatie en het aantal aanrijdingen relatief constant of nemen zelfs toe. Dat zegt het fbp in principe ook:
“Van belang is te beseffen dat er in dit verhaal niet veel zekerheden zijn: alleen het cijfer van het jaarlijks afschot is een ‘hard gegeven’. Het telresultaat en het aantal stuks geregistreerd valwild, inclusief slachtoffers van aanrijdingen, zitten waarschijnlijk onder de werkelijke aantallen. En omdat we dat niet weten, kennen we ook niet het exacte effect van het afschot op de stand c.q. de dichtheid en kan het nog steeds zo zijn dat dit afschot zich bevindt in de marge van de totale sterfte, dat het er met andere woorden niet zo toe doet.”
In het bestreden besluit op bezwaar is door het college geenszins onderbouwd dat afschot van reeën wél een positief effect zou hebben op het aantal aanrijdingen en bijdraagt aan het verbeteren van de verkeersveiligheid, als zijnde het aangedragen wettelijke belang voor ontheffingsverlening.
Slotsom
De stichtingen stellen dat het college van Gedeputeerde Staten van Drenthe ten onrechte is overgegaan tot het verlenen van een ontheffing voor afschot van reeën in de provincie Drenthe. De noodzaak van het afschot is onvoldoende onderbouwd. Tevens ligt aan de bestreden ontheffing ten onrechte geen deugdelijke afweging van andere bevredigende oplossingen ten grondslag.
De stichtingen vinden dat met de verleende ontheffing in strijd met de Habitatrichtlijn en Wet natuurbescherming wordt gehandeld.
Naar overtuiging van de stichtingen geeft dit voldoende aanleiding tot schorsing van de bestreden besluitvorming en verzoeken uw rechtbank dan ook om het bestreden besluit en de bestreden ontheffing te schorsen tot zes weken nadat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.
Op 14 december 2023 besloot het college van Gedeputeerde Staten (GS) van Flevoland tot het verlenen van een ontheffing aan de Faunabeheereenheid Flevoland van artikel 3.17 van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor populatiebeheer van reeën met gebruik van het geweer binnen Flevoland.
Animal Rights en Fauna4Life dienden op 23 januari 2024 een bezwaarschrift in dat de provincie op 16 juli 2024 besloot te negeren.
Op 26 augustus 2024 hebben de stichtingen beroep ingediend bij de Rechtbank Midden-Nederland tegen dat besluit van het college van 16 juli.
Op 30 november verzochten de stichtingen, in afwachting van de behandeling van dit beroep, de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen en het bestreden besluit inclusief de verleende ontheffing te schorsen tot zes weken nadat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.
Voorlopige voorziening
De ontheffing geldt vanaf 1 januari 2024 tot en met 30 april 2025 en mag dus al gebruikt worden. Het doden van reeën is onomkeerbaar en dat is de reden dat bestuursrechters in vergelijkbare zaken spoedeisend belang aannemen.
Deze ontheffing van de Wnb is verleend voor het doden van reeën in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid (specifiek zijnde de verkeersveiligheid), alsmede ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren.
Aan de besluitvorming tot het verlenen van een dergelijke ontheffing zijn strikte voorwaarden verbonden, welke voorwaarden hun oorsprong hebben in de Habitatrichtlijn (Hrl). Afwijkingen zijn mogelijk, maar moeten dan wel een laatste redmiddel zijn, zo schrijft artikel 16 voor.
In tegenstelling tot de provincie Flevoland, zijn de stichtingen van oordeel dat niet aan de cumulatieve voorwaarden uit artikel 16 Hrl is voldaan: Er is niet voldoende onderbouwd dat er sprake is van een reëel gevaar voor de openbare veiligheid of het algemeen belang, omdat er geen relatie bestaat tussen de ‘dichtheid’ van reeën en verkeersongevallen en omdat niet onderbouwd is dat de verkeersveiligheid in het geding is als het valwildpercentage hoger is dan 5%. Bovendien wordt er oneigenlijk gebruik gemaakt van een wettelijk belang en kan het wettelijke belang niet worden bereikt. Daarnaast bestaan er andere bevredigende oplossingen, terwijl het afschot van reeën geen bevredigende oplossing biedt.
Noodzaak? – Er is niet voldoende onderbouwd dat er sprake is van een reëel gevaar voor de openbare veiligheid of het algemeen belang
Het voornaamste belang waarop de voorliggende bestreden ontheffing is gestoeld, is op het belang van de verkeersveiligheid, in het kader van volksgezondheid. De stichtingen stellen in dit kader dat onvoldoende is onderbouwd waarom dit belang wordt gediend met het doden van reeën.
De stichtingen stellen dat zowel een causaal verband als een positieve correlatie tussen het aantal reeën en het aantal aanrijdingen niet kan worden aangenomen.
Voor een verband tussen de populatiegrootte en het aantal aanrijdingen zou bij een stabiele populatie ook een stabiel aantal aanrijdingen moeten worden geregistreerd, en dat is nu juist niet af te leiden uit de aangeleverde grafieken en cijfers. Immers, verspreidt over meerdere jaren, zijn er bij een stabiele populatie van ongeveer 1500 reeën respectievelijk, bij benadering 290, 390, 410, 420 en 500 aanrijdingen geteld. Bovendien zijn bij een populatiegrootte van bij benadering 3200 reeën een zelfde aantal aanrijdingen geregistreerd als bij een populatiegrootte van de helft minder (dus ongeveer 1600) reeën.
In 2020 neemt de populatie met ca. 5% toe ten opzichte van 2019 en neemt het aantal aanrijdingen met ca. 10% toe. In 2021 neemt de populatie reeën af met ca. 5% ten opzichte van 2020 terwijl het aantal aanrijdingen met ca. 20% toeneemt. Daaruit blijkt dat er geen correlatie is tussen het aantal aanrijdingen en de omvang van de populatie en dat een causaal verband al helemaal niet verondersteld mag worden.
Valwild
Bovendien blijkt dat het gebruik van een hoger valwildpercentage als argument om afschot te verantwoorden een oneigenlijk argument is, want het valwildpercentage neemt in 2021 toe terwijl de populatie afneemt.
Het belang dat wordt gediend met afschot is volgens het college aangetoond doordat het percentage aanrijdingen ten opzichte van de populatie boven de landelijke norm van 5% ligt.
5% Aanrijdingen zegt, echter, niets over de verkeersveiligheid. Wat van belang is, zijn de omstandigheden in de betreffende gebieden waar de reeën voorkomen.
Belangrijker nog is het feit dat dit valwildpercentage is gebaseerd op enerzijds een hard cijfer, te weten het aantal aanrijdingen en anderzijds op een grove schatting van het aantal reeën.
Dat uit landelijke cijfers blijkt dat 5% van het totale aantal reeën betrokken is bij een verkeersongeval, betekent niet dat bij een hoger percentage dan 5% specifiek in de provincie Flevoland sprake is van een onaanvaardbaar gevaar voor de verkeersveiligheid.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland–West-Brabant sprak zich daar in de uitspraak van 11 april 2024 in een vergelijkbare zaak reeds over uit: “Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat het verlenen van de ontheffing nodig is in het belang van de openbare veiligheid en meer specifiek de verkeersveiligheid. (…) Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder echter niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat in Zeeland een zodanig risico voor de verkeersveiligheid bestaat, dat het nodig is om de reeën te doden. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet of onvoldoende onderbouwd wat de omvang van de aanrijdingen met reeën in Zeeland is, hoe ernstig de aanrijdingen zijn en welke schade (materiële- of letselschade) daaruit voortkomt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de conclusie dat sprake is van een gevaar voor de verkeersveiligheid in Zeeland redelijkerwijs niet kunnen baseren op het valwildpercentage van 5%. (…) Verweerder heeft echter niet onderbouwd waaruit blijkt dat bij een valwildpercentage van hoger dan 5% sprake is van een gevaar voor de verkeersveiligheid. Dit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet uit de Leidraad waar verweerder naar verwijst. Dat uit landelijke cijfers blijkt dat 5% van het totale aantal reeën betrokken is bij een verkeersongeval, betekent niet dat bij een hoger percentage dan 5% in Zeeland sprake is van een onaanvaardbaar gevaar voor de verkeersveiligheid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan die 5% grens niet worden gehanteerd om de enkele reden dat er ‘geen beter alternatief voorhanden is’ om dat risico vast te stellen, zoals de ABRvS in een uitspraak van 27 november 2019 lijkt te hebben geoordeeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan onderzoek worden gedaan naar de ernst van de ongevallen in Zeeland en kan de noodzaak op die manier inzichtelijk worden gemaakt.”
Ook de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland sprak zich hier op 29 augustus 2024 over uit: ”… er is geen onderscheid gemaakt naar locaties en wbe’s. Derhalve is niet duidelijk in welke wbe’s en in hoeveel wbe’s het streefpercentage van 7% overschreden wordt. Verder blijkt hieruit niet wat voor soort aanrijdingen het zijn geweest en wat de schade daarvan is (en dus of er een risico voor de verkeersveiligheid was).”
”Daarbij komt dat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende is onderbouwd dat er een risico voor de verkeersveiligheid ontstaat indien het (gemiddelde) valwildpercentage hoger is dan 7%”.
”De enkele omstandigheid dat er een landelijk een streefnorm geldt van 5% betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat bij een percentage hoger dan 7% in de provincie Groningen automatisch sprake is van een onaanvaardbaar gevaar voor de verkeersveiligheid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvoor inzicht moet bestaan in de aard en ernst van de ongevallen. Dat inzicht ontbreekt.”
Voornoemde uitspraken van de voorzieningenrechters te Zeeland en Groningen zijn recentelijk (18 oktober 2024) tevens bekrachtigd door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland–West-Brabant in de uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RBZWB:2024:6964: ”De rechtbank is, anders dan de Afdeling, van oordeel dat de enkele algemene verwijzing naar de overschrijding van de grenswaarde van 5% onvoldoende is om te motiveren dat sprake is van een dusdanig gevaar voor de verkeersveiligheid dat afschot van de populatie van het ree is gerechtvaardigd.”
”De rechtbank acht hierbij van belang dat deze summiere en algemeen geformuleerde onderbouwing onvoldoende recht doet aan het hiervoor genoemde beschermingsregime, waarbij afschot van reeën enkel is toegestaan in uitzonderlijke gevallen.”
”Evenmin wordt hierin geconcludeerd dat bij overschrijding van het valwildpercentage van 5% de verkeersveiligheid dusdanig in gedrang komt dat afschot van reeën is gerechtvaardigd. In de leidraad is juist opgenomen dat er verschillende oorzaken kunnen zijn voor aanrijdingen met reeën, zowel door gedrag van het ree als door gedrag van de mens.”
Deze overwegingen zijn volgens de stichtingen één op één toepasbaar op voorliggende zaak en dat ook ten aanzien van de bestreden besluitvorming het oordeel moet luiden dat het college onvoldoende inzichtelijk gemaakt heeft waarom de populatie reeën in Flevoland een zodanig onaanvaardbaar gevaar vormt voor de verkeersveiligheid dat het doden van de reeën redelijkerwijs noodzakelijk kan worden geacht.
Oneigenlijk gebruik wettelijk belang
Onder het kopje ‘Doelstelling beheer ree’, van de bestreden ontheffing staat dat het doel is de populatie reeën zo veel mogelijk af te stemmen op: de veiligheid van weggebruikers; de belangen van grondgebruikers.
Gelet op deze passage, lijkt rekening gehouden te zijn met belangen waarvoor de ontheffing niet is aangevraagd, zijnde de belangen van grondgebruikers, ten behoeve van het voorkomen van land- en bosbouwschade als gevolg van het voorkomen van reeën in Flevoland. Door dit in één adem te noemen met het belang van de volksgezondheid/verkeersveiligheid lijkt oneigenlijk gebruik te worden gemaakt van dit wettelijk belang.
Wettelijke belang kan niet worden bereikt
In de ontheffing staat: ”“In de voorgaande beheerperiode is de beoogde doelstelling, het aantal aanrijdingen met reeën verminderen, niet gehaald. Dit vraagt om een herwaardering van het reewildbeheer in de provincie.”
Mét het toestaan van afschot wordt de doelstelling dus niet behaald. Niet is onderbouwd waarom dat met de voorliggende bestreden ontheffing anders zou zijn.
Bovendien wordt er – zonder onderbouwing – aan toegevoegd dat “Wanneer er geen afschot wordt uitgevoerd dan blijft het absolute aantal reeën in Flevoland stijgen.” Deze uitspraak doet vermoeden dat het voorkomen van een stijging van het ‘absolute aantal reeën’, an sich het doel van de ontheffing is.
In conclusie komt het er volgens de stichtingen op neer dat het college een ontheffing heeft afgegeven voor een niet (voldoende) gedefinieerd en onderbouwd belang, waarvan tevens vaststaat dat dit belang niet wordt gediend met de toestemming die wordt verleend.
Er zijn andere bevredigende oplossingen
De tweede voorwaarde voor ontheffingverlening is dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Alleen wanneer voldoende is aangetoond dat andere potentiële oplossingen niet bevredigend zijn en wanneer ook aan de andere voorwaarden is voldaan, kan het gebruik van de ontheffing worden gerechtvaardigd.
In de bestreden ontheffing schrijft het college dat afschot de ‘meest effectieve methode en bevredigende oplossing’ is. Niet alleen is dit een onjuiste stelling (afschot is geenszins de ‘meest effectieve methode’ om aanrijdingen met reeën te voorkomen), dit uitgangspunt is op zichzelf ook een miskenning van de voorwaarde die de wet stelt aan het verlenen van een ontheffing. Er staat immers nergens in de wet dat ‘de meest effectieve methode’ mag worden gekozen.
Of een afwijking van de verbodsbepalingen, dus afschot van reeën, kan worden toegestaan, dient te worden beoordeeld op basis van de aan-/afwezigheid van andere bevredigende, diervriendelijke, oplossingen en de mate waarin na het toepassen van die andere diervriendelijke oplossingen nog sprake is van een ‘resterend probleem’. In het bestreden besluit is niet (afdoende) toegelicht welke andere bevredigende, diervriendelijke, oplossingen er zijn uitgevoerd, wat daarvan het effect was en de mate waarin na het toepassen van die andere diervriendelijke oplossingen nog sprake is van een ‘resterend probleem’ waardoor afschot noodzakelijk is.
Verwezen wordt naar de navolgende overwegingen van de Europese Commissie (EC): ”De bevoegde nationale autoriteiten wordt verzocht dit probleem of deze situatie op te lossen door uit de andere mogelijke oplossingen de meest geschikte te kiezen waarmee de beste bescherming van de soort zal worden gewaarborgd en tegelijkertijd het probleem/de situatie zal worden opgelost (…).”
”Alleen wanneer afdoende is aangetoond dat andere potentiële oplossingen niet bevredigend zijn, hetzij omdat het specifieke probleem daarmee niet kan worden opgelost, hetzij omdat zij technisch niet haalbaar zijn, en wanneer ook aan de andere voorwaarden is voldaan, kan het gebruik van de afwijking worden gerechtvaardigd. Indien een maatregel gedeeltelijk bevredigend is, zelfs als het probleem daarmee niet voldoende wordt aangepakt, maar wel kan worden verminderd of beperkt, moet die maatregel echter eerst worden uitgevoerd. Afwijkingen voor dodelijke interventie kunnen alleen voor het resterende probleem worden gerechtvaardigd als er geen andere methoden mogelijk zijn, maar moeten in verhouding staan tot het probleem dat overblijft nadat er niet-dodelijke maatregelen zijn genomen.”
In het bestreden besluit is niet toegelicht welke andere bevredigende, diervriendelijke, oplossingen er zijn uitgevoerd, wat daarvan het effect was en de mate waarin na het toepassen van die andere diervriendelijke oplossingen nog sprake is van een ‘resterend probleem’ waardoor afschot noodzakelijk is.
Verwezen wordt ook naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 juni 2021 met kenmerk ECLI:NL:RBNNE:2021:2500: ”(…) Als het doden van de betrokken dieren geheel of gedeeltelijk vermijdbaar is door het treffen van geschikte en proportionele mitigerende maatregelen, is het niet verlenen van de ontheffing of vrijstelling, of het daarbij voorschrijven van dergelijke maatregelen, uitgangspunt.”
In dit kader verwijzen de stichtingen wederom naar eerder genoemde uitspraak van de rechtbank Zeeland –West-Brabant van 18 oktober 2024: “Alleen wanneer afdoende is aangetoond dat andere potentiële oplossingen niet bevredigend zijn, kan het gebruik van de afwijking worden gerechtvaardigd. Indien een maatregel gedeeltelijk bevredigend is, moet die maatregel eerst worden uitgevoerd. Afwijkingen voor dodelijke interventie moeten in verhouding staan tot het probleem dat overblijft nadat er niet-dodelijke maatregelen zijn genomen.”
“Andere bevredigende oplossingen kunnen echter niet van meet af aan worden afgewezen omdat zij te duur zouden zijn.”
“Om te weten welke maatregel in een specifieke situatie zinvol is, […] zijn gegevens nodig over bijvoorbeeld locaties, aantallen en tijdstippen van de aanrijdingen, kenmerken van de weg, ligging in het landschap en uitgevoerd beheer.”
Het college heeft niet concreet en toereikend gemotiveerd waarom verschillende andere oplossingen niet of niet afdoende bevredigend (zullen) werken om de aanrijdingen met reeën te voorkomen. In de bestreden besluitvorming ontbreekt een compleet overzicht van welke maatregelen op welke locaties zijn ingezet, wat daar de resultaten van zijn geweest en wat, na het inzetten van deze probleem verminderende ‘deel-oplossingen’, het ‘resterende probleem’ is op deze verschillende locaties waarvoor een afwijking van de verbodsbepalingen (zijnde afschot van reeën) nodig is.
Afschot is geen bevredigende oplossing
De richtsnoeren van de Europese Commissie zeggen: ”Wanneer een afwijking wordt toegestaan, moet het nagestreefde doel duidelijk en nauwkeurig worden aangegeven en moet de nationale autoriteit op grond van nauwkeurige wetenschappelijke gegevens aantonen dat de afwijkingen geschikt zijn om die doelstelling te bereiken, …”
Een dergelijke nauwkeurige en wetenschappelijke onderbouwing over de geschiktheid van afschot, ter bevordering van de verkeersveiligheid, is door het college niet gegeven. Integendeel.
Uit de bestreden ontheffing blijkt juist dat het afschot van reeën de laatste jaren niet heeft geleid tot een beperkte omvang van de populatie, wat vraagt om een herwaardering van het reewildbeheer in de provincie, aldus het college.
Dat afschot niet kan doorgaan als bevredigende oplossingen voor het te bereiken doel ‘verminderen van aanrijdingen’ in het kader van de verkeersveiligheid, zien de stichtingen bevestigd door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland in de uitspraak van 29 augustus 2024: ”Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is voorts onvoldoende onderbouwd dat afschot een positief effect heeft op het aantal aanrijdingen. […] In dit verband wijst de voorzieningenrechter op dat in zowel het fbp als in het primaire besluit expliciet wordt aangegeven dat het onduidelijk is of beheer door middel van afschot effect heeft op het aantal aanrijdingen.”
Slotsom
De stichtingen stellen dat het college van Gedeputeerde Staten van Flevoland ten onrechte is overgegaan tot het verlenen van een ontheffing voor afschot van reeën in de provincie Flevoland. De noodzaak van het afschot is onvoldoende onderbouwd. Tevens ligt aan de bestreden ontheffing ten onrechte geen deugdelijke afweging van andere bevredigende oplossingen ten grondslag.
De stichtingen vinden dat met de verleende ontheffing in strijd met de Habitatrichtlijn en Wet natuurbescherming wordt gehandeld.
Naar overtuiging van de stichtingen geeft dit voldoende aanleiding tot schorsing van de bestreden besluitvorming en verzoeken uw rechtbank dan ook om het bestreden besluit en de bestreden ontheffing te schorsen tot zes weken nadat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.