In Nederland zijn een vijftigtal eendenfokkerijen actief. Ze liggen vooral in de noordelijke helft van het land. Samen houden zij ruim 1 miljoen eenden. Jaarlijks worden er meer dan 8.5 miljoen eenden geslacht in Nederland.123
Video: Animal Rights maakte undercoverbeelden in de eendenfokkerij.
Voor de productie van eendenvlees worden in Nederland uitsluitend ‘pekingeenden’ gefokt, een zwaardere eendensoort die weinig eieren oplevert, maar veel vlees. De dieren worden selectief gefokt op snelle groei en hoog gewicht.
De volledige Nederlandse eendensector wordt beheerst door eendenslachterij Tomassen Duck-To in Ermelo. Dit bedrijf begeleidt en betaalt diverse andere eendenbedrijven voor het afleveren van eenden. Tomassen neemt het verdere productieproces op zich: slachting, verwerking, verkoop en export.4
De pekingeenden komen in de handel terecht als ‘hele eenden’, of ‘eendendelen’ zoals filets en bouten. Nederlanders zelf zijn niet tuk op eendenvlees. De gemiddelde consumptie per persoon bedraagt 300 gram per jaar. Het eendenvlees dat in Nederland geproduceerd wordt is voornamelijk bestemd voor de export. Negentig procent van de in Ermelo geproduceerde eenden gaat naar de Chinese restaurants in Europa, naar het Midden-Oosten en naar Singapore. De overige 10% wordt verkocht in retail, met name in Duitsland. 567 Een belangrijke afnemer van het eendenvlees is horeca groothandel Hanos.
Dons
De veren en het dons worden verwerkt in kussens en dekbedden van Auping, Ducky Dons, Yumeko en Swiss Sense en dragen het dierenwelzijnskeurmerk Responsible Down Standard (RDS). Begin 2018 won Animal Rights een zaak bij de Reclame Code Commissie omdat Auping ten onrechte op haar website beweerde dat eenden op de fokkerijen gezond leven, geen pijn lijden en geen angst of stress ervaren.
Vermeerderingsbedrijven, broederijen, opfok
Net als de vleeskippensector is de eendenhouderij opgebouwd als een productieketen met meerdere schakels. Er zijn vermeerderingsbedrijven waar ouderdieren gehouden worden. Op deze bedrijven worden de ouderdieren met enkele duizenden dieren gehouden in koppels van 200 à 300 dieren. Per vijf vrouwtjeseenden wordt één mannetjeseend gehouden. De vrouwtjes leggen in de leeftijdsperiode van 25 tot 77 weken zo’n 265 broedeieren. Na dertien maanden zijn ze ‘uitgelegd’ en worden ze afgevoerd voor de slacht. 8910
De eieren van de ouderdieren worden kunstmatig uitgebroed in broederijen. Na 28 dagen komen de eieren uit. De ééndagskuikens worden opgevangen in opfokstallen met strooisel. Voer en drinkwater wordt automatisch verstrekt. Na drie weken gaan de eendenkuikens naar een vetmestbedrijf.
Levensomstandigheden in de vetmestbedrijven
Er bestaan geen specifieke welzijnswetten voor het houden van eenden voor vleesproductie. De eendenfokkers zijn slechts gebonden aan de ‘algemene welzijnseisen voor dieren’. 11
In de praktijk worden de Nederlandse vleeseenden vetgemest in gesloten schuren met een bezettingsgraad van 6 à 7 eenden per vierkante meter. De stalvloer is bezaaid met stro. Voer en drinkwater worden toegediend via automatische systemen. In zes en een halve week tijd groeien de kuikens uit tot eenden van ruim 3,2 kilo. Dan zijn ze ‘klaar’ voor de slacht. 121314
Eenden op Veluwse fokkerijen
Welzijns- en gezondheidsproblemen
Het selectief fokken van eenden op snelle groei en hoog gewicht kan leiden tot hart- en circulatiestoornissen, en problemen met lever en longen. Ook de ontwikkeling van botten en gewrichten wordt verstoord door het snelle groeiproces met bewegingsproblemen en pijn tot gevolg. 15
Het Nederlandse houderijsysteem beperkt de eenden sterk in hun natuurlijk gedrag. In Nederland is binnenhuisvesting van eenden verplicht bij wet, omwille van milieuaspecten. De binnenhuisvesting heeft nadelige gevolgen voor het welzijn van de eenden. Het ontbreken van natuurlijk daglicht maakt dat de eenden minder actieve gedragingen uitoefenen, zoals snebberen, poetsen en eten. De automatische voer- en drinksystemen in de gesloten stallen komen niet tegemoet aan de natuurlijke behoefte van eenden om zelf actief naar voedsel te zoeken.16
Verzwakte Eend op Veluwse fokkerijen
Waternood!
Een zeer groot probleem voor de eenden in de fokkerijen is het gebrek aan open water. Eenden zijn watervogels. Ze hebben open water nodig om te zwemmen, om hun verenkleed schoon te houden, om te snebberen, om op natuurlijke wijze voedsel te zoeken, kortom om te doen wat alle eenden in normale omstandigheden doen. 17
In januari 2011 publiceerde de Universiteit Wageningen een uitgebreid rapport over de welzijnsproblemen bij eenden ten gevolge van het ontbreken van open water. Uit het onderzoek bleek dat het ontbreken van water in de eendenstallen het belangrijkste welzijnsprobleem is in de eendenhouderij. Watervoorziening via drinknippels is ontoereikend voor een goede lichaamsverzorging, en voor reiniging van ogen en neusgaten. Ook werd vastgesteld dat verstrekking van open water een positieve invloed heeft op de voer- en wateropname van eenden, in vergelijking met het uitsluitend verstrekken van water via een drinknippel.18
Het rapport van Wageningen toont aan dat het ontwikkelen van geschikte watervoorzieningssystemen essentieel is voor het welzijn van eenden in fokkerijen. Ook de Raad van Europa beveelt aan om eenden open water te verstrekken, maar er gelden geen wettelijk bindende eisen op dit vlak.
Dierenwelzijn is bijzaak
Drie jaar na de publicatie van het rapport maakte de Universiteit Wageningen een stand van zaken op over de verdere ontwikkelingen in de Nederlandse eendenhouderij. De conclusie luidde als volgt:
“In recente vakliteratuur zijn geen initiatieven/innovaties m.b.t. open water gevonden. Hiervoor hebben we ook geen subsidieaanvragen bij de overheid langs zien komen of terug kunnen vinden… Er lag een projectvoorstel voor het onderzoeken van systemen voor open water. De sector vond het plan destijds te duur… Er zijn geen aanwijzingen voor ontwikkelingen op het gebied van welzijn van vleeseenden, in het bijzonder v.w.b. toegang tot open water in de stallen.”19
Met andere woorden: de Nederlandse eendensector heeft geen enkel initiatief genomen om haar belangrijkste welzijnsprobleem op te lossen. Zoals in alle sectoren van de vleesindustrie is ook hier de vuistregel: ‘zoveel mogelijk produceren met zo min mogelijk kosten’. Dierenwelzijn is bijzaak.
Uitval
Net zoals in alle andere productiedieren-sectoren zijn er ook in de eendenhouderij dieren die vroegtijdig sterven. De ‘uitval’ in de eendenhouderij ligt rond de 10% wat betreft de ouderdieren in vermeerderingsbedrijven. In de afmestbedrijven bedraagt de uitval 2 à 3 procent. 20
Eenden hebben geen toegang tot water en komen niet buiten
Klaar voor de slacht
De overlevende eenden in de vetmestbedrijven zijn slachtrijp als ze negen en een halve week oud zijn. Dan wordt de eendenstal geruimd. De eenden worden bij elkaar gedreven naar een vangplek. Daarbij zijn er altijd wat slecht lopende en/of benauwde eenden en zogenaamde “achterblijvers” die met de hand of een kruiwagen naar de vangplek moeten worden gebracht. Bij het vangen worden de eenden bij de nek opgepakt en in plastic kratten geladen voor transport naar het slachthuis. 21 In juli 2018 bracht Animal Rights via RTL Nieuws de misstanden bij het op deze wijze vangen van eenden naar buiten. 22 Op de beelden is te zien hoe eenden bij hun nek worden gegrepen en hardhandig in kratten worden gesmeten. Eenden worden geschopt, bij de nek gepakt, doodgetrapt en doodgeslagen. Naar aanleiding van deze beelden haalden de PLUS supermarktketen alle eendenproducten uit hun schappen. De afnemers van dons reageerden geschokt. Animal Rights diende een handhavingsverzoek in bij de NVWA.
Elektrisch waterbad
Het elektrisch waterbad bedwelmen is een omstreden techniek waarbij het eerste en laatste waterbad dat pluimvee krijgt, gebruikt wordt om ze te verdoven voor de slacht. De effectiviteit van de methode is door verschillende onderzoeken in twijfel getrokken waardoor in 2011 is besloten de bedwelmingsmethode in Nederland uit te faseren. 23 Ook is er sinds 1 januari 2013 een strengere EU-regelgeving in plaats gekomen die het gebruik van het waterbad ontmoedigt. 24 Tegenwoordig zijn bijna alle slachterijen in Nederland overgestapt naar een gasverdoving met CO2, 25 behalve eendenslachterij Tomassen Duck-To in Ermelo. Bij binnenkomst in het slachthuis worden de eenden aan de poten in de slachthaak gehangen waarmee ze door het waterbad gevoerd worden. 26 De werking van het elektrisch waterbad is te vergelijken het krijgen van een epilepsieaanval. De spieren verkrampen en de dieren slaan wild om zich heen. Op dat moment kunnen vleugels en botjes breken. Doordat er als gevolg bot- en bloedresten in het vlees terecht kunnen komen, worden vaak lagere frequenties gebruikt, wat weer leidt tot grotere aantallen onvolledig bedwelmde dieren. 27
De minimum stroomsterkte die dieren krijgen is volgens Europese richtlijnen vastgesteld op 100 mA, ongeacht frequentie.28 Door de grote variatie in onder andere de weerstand van de individuele dieren is het vaak niet het geval dat ze direct verdoofd zijn met het gebruik van een elektrisch waterbad. Elk dier ondergaat een variabele stoomsterkte, afhankelijk van de vervuiling van slachthaken, contact tussen de haak en poten van het dier, individuele weerstand en lichaamsmassa. De dieren kunnen te veel of te weinig stroom krijgen, waardoor in het laatste geval ze niet voldoende verdoofd worden. Uit onderzoek van Wageningen UR Livestock Research blijkt dat een aanzienlijk deel van de dieren niet voldoende verdoofd wordt door de omstreden bedwelmingsmethode.
Uit het onderzoek van Wageningen UR blijkt verder dat met deze methode het vrijwel onmogelijk is om ieder dier voldoende te verdoven zonder andere dieren te overdoseren. Bovendien wijst het onderzoek uit dat zelfs als de methode effectief wordt toegepast, het erg stressvol kan zijn voor de dieren. Het levend ophangen aan de slachthaken veroorzaakt stress, pijn en verwondingen zoals breuken, kneuzingen en ontwrichtingen. Een pre-verdovingsschok kan plaatsvinden als de vleugels eerder dan de kop het water raken, als het onder stroom staande water het bad uitstroomt, of als de dieren tegen elkaar aankomen. Als een dier zijn kop optrekt is er bovendien een kans dat het helemaal niet verdoofd raakt en volledig bij bewustzijn geslacht wordt. Een ander onderzoek rapporteert een percentage van 10% van onverdoofde dieren. 29 Enkele vogels kunnen aan de andere kant geheel of gedeeltelijk het mes ontwijken waardoor ze verdrinken in water van 50 graden als ze niet handmatig door een controleur alsnog worden aangesneden.
Animal Rights
In de zomer van 2018 bracht Animal Rights de inspectie rapporten van de NVWA bij het slachthuis naar buiten. 30 De rapporten spreken onder andere over eenden die tijdens het doorsnijden van de halsslagaders weer bijkwamen, het aansnijden met een bot mes, eenden die van de slachtlijn vielen of hieraan aan één poot werden opgehangen, overbelading van de transport kratten, hittestress door onvoldoende ventilatie, of het vinden van levende eenden in kadaverbakken. Directeur Gertjan Tomassen wuifden de feiten weg.
Op 2 oktober 2018 bood Animal Rights 25.000 handtekeningen aan de Tweede Kamer aan van de petitie die een einde moet maken aan de eendenfokkerij. De PvdD beloofde deze strijd op te pakken.
Kippen zijn de meest gefokte en gedode diersoort in de veehouderij. Zowel vleeskuikens als legkippen lijden onnoemelijk. In de achtergrondartikelen hieronder leggen we je uit hoe het ellendige leven van een kip, haan of kuiken er in deze industrie uitziet.
In Nederland worden er bijna 500.000 melkgeiten gehouden, vooral op bedrijven in Noord-Brabant en Gelderland.1 In Vlaanderen worden ruim 26.000 melkgeiten gehouden op 80 bedrijven.2
De mannelijke geitjes die in de geitenhouderijen geboren worden zijn ‘overtollige bijproducten’: zij kunnen immers geen melk geven. De bokjes worden daarom zo snel mogelijk afgevoerd naar het slachthuis. Dit mag al als het dier zeven dagen oud is.
Reguliere geitenhouderij
Op reguliere melkgeitenbedrijven brengen de geiten hun leven door in stallen, waarbij er een ondergrond van stro als wandel- en slaaplocatie dienst doet. De dieren komen nooit buiten.3 De melkgeiten worden op jonge leeftijd onthoornd. Deze ingreep gebeurt onder verdoving, maar is niet zonder risico. Een verhitte bout wordt gedurende 5 tot 8 seconden tegen de hoornpit gehouden. Bij te lang branden is er kans op hersenbeschadiging, met een fatale afloop. Na afloop van de ingreep kan de geitenhouder nog verdere pijnstillers toedienen, maar dit is niet verplicht.4
Wanneer de melkgeiten lammeren baren, worden deze direct na de geboorte weggehaald om ziekteoverdracht van moeder naar lam te beperken en om de moedermelk meteen te kunnen gebruiken voor de handel. De vroege scheiding verstoort het normale sociale gedrag van de dieren en levert veel stress op bij zowel de jongen als de moeders. Onder natuurlijke omstandigheden blijven lammeren 3 maanden lang drinken bij de moedergeit.5
In het klassieke houderijsysteem laten de geitenhouders hun melkgeiten ieder jaar opnieuw lammeren. Een geit is ongeveer 150 dagen drachtig en kan 1 tot 3 jongen per dracht baren. Om de hoge aantallen lammetjes in de melkgeitenhouderij enigszins in te perken, wordt tegenwoordig meer en meer gekozen voor ‘duurmelken’. Bij ‘duurmelken’ worden de geiten 2 of 3 jaar doorlopend gemolken zonder tussentijds lammeren.6
Het melken gebeurt doorgaans tweemaal per dag. De melkgeiten worden aangesloten op melkmachines die de melk uit hun uiers zuigen. In deze video kan je zien hoe dat in zijn werk gaat. De geitenmelk wordt in verwerkingsbedrijven verwerkt tot geitenkaas, of als rauwe melk geëxporteerd naar het buitenland.
Biologische geitenhouderij
20 % van de Nederlandse en 17,5% van de Vlaamse geitenmelkerijen zijn biologische bedrijven.78 Net als in de reguliere geitenhouderij halen het grootste deel van de biologische melkgeitenhouders nieuwgeboren lammeren direct bij de moeder weg. Slechts een kleine groep biologische melkgeitenhouders experimenteert met het langer bij de moeder houden van de lammeren.9
In de biologische sector mogen geiten niet onthoornd worden, en is het verplicht om de dieren weidegang aan te bieden. Maar ook in een weide zijn de geiten beperkt in het stellen van hun natuurlijke gedragingen. In de natuur doen geiten niets liever dan op rotsen of andere hoge obstakels klimmen, een mogelijkheid waarover ze in een weiland niet beschikken. Geiten zijn bovendien niet zozeer ‘grazers’, maar eerder ‘knabbelaars’. Ze knabbelen liever aan bomen en struiken dan dat ze gras grazen in een weide.10
Weidegang is natuurlijk nog altijd beter dan een leven tussen stalmuren, maar het brengt wel bijkomende gezondheidsproblemen met zich mee. Zo bestaat er voor geiten die weidegang krijgen een verhoogd risico op infecties met maagdarmwormen.11 Bij geiten komen wereldwijd meer dan 20 soorten maagdarmwormen voor. Of deze wormen schadelijk zijn hangt in belangrijke mate af van de hoeveelheid wormen en van de soort. Sommige wormsoorten kunnen ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van geiten en zelfs tot de dood leiden.12
Foto: Arie van Gelder
Ziekten
Belangrijke ziekten in de geitenhouderijen zijn CAE (caprine arthritis encephalitis), en paratuberculose. Deze ziekten leiden tot ernstige gezondheidsproblemen en aantasting van het welzijn. Genezing is niet mogelijk. 13
Paratuberculose is een langzaam voortschrijdende infectueuze ontsteking van de dunne darm. Besmette geiten vermageren en vertonen atrofie aan de spieren van het achterlichaam en van de hals: de aangetaste spieren verschrompelen omdat spiercellen afsterven. In een gevorderd stadium van de ziekte kan ook diarree optreden.14
CAE is een virusinfectie die gepaard kan gaan met diverse ziekteverschijnselen. Naast langzaam voortschrijdende vermagering kunnen gewrichtsontstekingen optreden, waardoor de dieren stram en moeilijk lopen. Het centrale zenuwstelsel kan aangetast raken met verlammingsverschijnselen aan het achterlichaam als gevolg. Het uierweefsel droogt op en verhardt, de melkproductie vermindert en valt volledig stil in het eindstadium van de ziekte.15
Overtollige lammetjes
Om melk te kunnen produceren moet een geit eerst lammeren. Slechts een deel van de lammetjes die geboren worden in de melkerijen dient om de bestaande melkgeitenstapel te vervangen of uit te breiden. Vrijwel alle bokjes, maar ook een deel van de vrouwelijke lammetjes, zijn overtollige bijproducten, zowel in de reguliere als in de biologische geitenhouderij.16
De overtollige lammetjes worden in hun eerste levensweek overgebracht naar speciale bokkenmesterijen, waar ze vetgemest worden voor de slacht. In 5 tot 6 weken worden de dieren opgefokt tot een gewicht van 8 à 10 kg.17
Een bokkenmester koopt bij verschillende geitenmelkerijen de overtollige geitenjongen op en huisvest hen gezamenlijk in zijn bokkenmesterij. Lammeren afkomstig van verschillende geitenmelkerijen hebben verschillende ziekteprofielen en kunnen elkaar snel besmetten wanneer ze samen geplaatst worden. Het sterftecijfer ligt dan ook hoog in de bokkenmesterijen, bij ziekte-uitbraken kunnen de uitvalpercentages oplopen tot 40%!18
Foto: Arie van Gelder
Een veel voorkomende besmettelijke ziekte in de bokkenmesterijen is ‘zere bekjes’.19 Dat is een aandoening van huid en slijmvlies die veroorzaakt wordt door een virus. Besmette geiten krijgen zweren die opengaan en waaruit het wondvocht opdroogt tot grote, wratachtige korsten. De zweren bevinden zich onder meer aan de bek, waardoor de dieren niet goed meer kunnen eten, en aan de klauwen, waardoor de dieren kreupel gaan lopen.20
Om de hoge ziektedruk in de bokkenmesterijen te verminderen wordt er preventief antibiotica gebruikt. Dit creëert weer andere problemen: bij veel gebruik van antibiotica worden bacteriën resistent, wat een gevaar kan opleveren voor de volksgezondheid. 21
In Nederland is Pali Group marktleider in de handel van geitenvlees. Zij kopen jonge bokken in bij de melkproducenten en verdelen de dieren over bokkenmesterijen die onder contract voor hen werken.22
Geitenvlees
Nederlanders en Belgen eten nagenoeg geen geitenvlees. Het vlees van de afgemeste lammeren wordt voor het merendeel geleverd aan afnemers in Zuid-Europa. Een klein gedeelte van de levende geiten komt terecht in binnenlandse speciaalzaken en islamitische slagerijen.23 De geitjes worden onverdoofd geslacht. Bekijk hier beelden.
De lammetjes die vetgemest worden voor de Zuid-Europese vleesmarkt worden geslacht in binnenlandse slachterijen en als vleeskarkas geëxporteerd, of worden levend vervoerd naar buitenlandse slachthuizen waar de slachtkosten lager liggen. De lange transporttijden zijn een bijkomende bron van stress en leed voor de dieren.2425
Volgens Pali Group worden er jaarlijks in Nederland 80.000 overtollige lammeren afgevoerd van geitenmelkerijen.26 In Belgïe worden vanuit de geitensector geen cijfers openbaar gemaakt over het aantal overtollige lammeren, noch is er informatie beschikbaar over waar deze dieren afgemest worden voor de slacht. Wel probeert de Belgische geitensector nu ook ingang te vinden op de binnenlandse vleesmarkt, om zich te ontdoen van overtollige lammeren. In pr-campagnes wordt de Belgische consument aangespoord om geitenvlees te eten opdat de dieren ‘gered’ zouden worden van ‘een miserabel levenseinde in het buitenland’.27
Ouder wordende melkgeiten die minder melk produceren en oudere bokken die in de melkerijen gebruikt werden om geiten te dekken worden eveneens afgevoerd voor de slacht. In 2013 werden in Nederland ruim 132.000 geiten geslacht, lammeren en oudere dieren samen.28 Recentere Nederlandse jaarstatistieken zijn niet beschikbaar. In België werden 12.801 geiten geslacht, in 2016.29
Foto: Arie van Gelder
Recht op een waardig leven
Geiten verdienen beter dan een leven in de veehouderij. Het leven in een stal, met of zonder weidegang, lijkt in niets op het leven waar geiten van nature naar verlangen. Moedergeiten hebben, net zoals alle andere dieren en mensen, een sterke emotionele band met hun jongen. Een band die van essentieel belang is voor de verdere ontwikkeling van de jongen. Geiten hebben behoefte aan ruimte en vrijheid om hun natuurlijke gedrag te kunnen stellen. Veehouderijsystemen zijn op geen enkele manier in staat om dieren de leefomstandigheden te bieden die nodig zijn voor hun fysieke en mentale welzijn. Wil je dieren een echt dierwaardig leven gunnen, kies dan voor een 100% plantaardige levensstijl.
Verborgen in de stallen op het platteland lijden miljoenen varkens een miserabel leven in de varkensfokkerij. De dieren worden gefokt voor hun vlees. Animal Rights doet onderzoek naar het verborgen dierenleed.
Video: Animal Rights maakte undercoverbeelden van varkens in de fokkerij.
Een miserabel leven
De varkens in de vleesindustrie brengen hun volledige leven door in gesloten stallen, onder omstandigheden die schadelijk zijn voor hun fysieke en mentale welzijn. Van kraambox tot slachthuis is het leven van deze dieren één lijdensweg.
Zeugen
De productie van varkensvlees begint bij de moederdieren. Zeugen worden zwanger gemaakt door middel van kunstmatige inseminatie, met sperma afkomstig van ‘KI’ (kunstmatige inseminatie) – centra. Deze centra zijn gespecialiseerd in varkensgenetica en leveren afgetapt sperma van ‘kwaliteits’-fokberen. De bevruchte zeug bevalt na een drachttijd van gemiddeld 115 dagen.
Gedurende drie à vier weken wordt ze samen met haar jongen in een kraambox geplaatst om hen te zogen. Vervolgens wordt de zeug na een korte herstelperiode (gemiddeld negentien dagen) opnieuw ingezet voor een volgende ‘reproductie’-ronde.1 De zeugen brengen hun leven voornamelijk staand en liggend door, geklemd tussen de metalen stangen van de inseminatie-, dracht- en kraamafdelingen in de moderne ‘doorschuif-stalsystemen’.
De welzijnsproblemen die optreden bij zeugen zijn ernstig. Door het doorgedreven fokken ontstaan veel problemen rond vruchtbaarheid en uiergezondheid. Omwille van de zeer beperkte bewegingsvrijheid, lijdt tien procent van de zeugen aan poot- en klauwproblemen. Kreupelheid is bij zeugen de voornaamste reden voor euthanasie, met verlammingen van de achterhand, fracturen en gewrichtsontstekingen als belangrijkste onderliggende oorzaken. Bij kreupele zeugen ligt het sterftecijfer van de biggetjes in de kraamstal hoger. Dit laatste zou te maken hebben met de meer bruuske manier waarop kreupele dieren gaan liggen in de kraambox, waardoor het risico op geplette biggetjes stijgt.
Kreupelheid is de op één na voornaamste reden voor vroegtijdige ‘afvoer’ van zeugen. Alleen vruchtbaarheidsstoornissen gaan met 33% van alle afgevoerde zeugen aan kreupelheid vooraf.2 In goede omstandigheden kan een zeug wel twintig jaar oud worden. In het moderne fokkerij-systeem worden de meeste zeugen amper vier jaar oud. Na een zestal worpen stijgt het aantal doodgeboren biggen. De zeug wordt ‘afgevoerd’ naar het slachthuis en vervangen door een nieuwe fokzeug.3
Biggen
De ‘productie’-cijfers van zeugen en biggetjes zijn door jarenlange fokprogramma’s kunstmatig de hoogte ingejaagd. In de huidige zeugenhouderij produceert een zeug gemiddeld 29 à 30 gespeende biggen per jaar. De onnatuurlijk hoge geboortecijfers resulteren in een daling van het geboortegewicht en een toename in biggensterfte. 5% van de biggen wordt doodgeboren. Per worp brengt een zeug gemiddeld 14,5 levend geboren biggetjes voort. 13,8% van de levend geboren biggen sterft binnen de eerste levensweken.4
De ‘doodliggertjes’ uit de kraamstallen worden in een kadaverbak op straat gezet om opgehaald te worden door een destructiebedrijf. De voornaamste problemen met biggen in de kraamstal situeren zich op het vlak van te weinig melkgift (vooral in de eerste levensweek), diarree (met uitdroging en sterfte tot gevolg), gewrichtsontsteking, ‘bleke biggen’ (ijzertekort, snuffelziekte, PRRS), niezen en neusvloei.5 Als de biggen drie à vier weken oud zijn, worden ze ‘gespeend’, met andere woorden: gescheiden van de moederzeug.6
Video: Animal Rights deed onderzoek in een Vlaams bedrijf waar zeugen gehouden worden
Vleesvarkens of ‘mestvarkens’
De overlevende biggen worden verder opgefokt (gemest) tot slachtrijpe vleesvarkens. Gedurende een tiental weken worden ze ondergebracht in boxen op de biggen-opfokafdeling, ook wel ‘de biggenbatterij’ genoemd. Daarna worden ze weer verder doorgeschoven naar de ‘mestafdeling’, waar ze verblijven tot ze ‘klaar’ zijn voor de slacht. ‘Staartbijten’7 en ‘oorbijten’ zijn typische symptomen van mentale problemen bij opgroeiende biggen en vleesvarkens. Door de stresserende levensomstandigheden in de stallen hebben de varkens de neiging elkaar te bijten, met infecterende wonden en abcessen tot gevolg.8
Veelvoorkomende fysieke gezondheidsproblemen bij opgroeiende vleesvarkens zijn: ademhalingsproblemen en longziekten, hoesten, buikslag, diarree, slecht groeien, gewrichtsproblemen en ‘plotselinge sterfte’.9 Fokkerijen kunnen getroffen raken door uitbraken van besmettelijke varkensziekten, met als gevolg dat alle dieren gedood en ‘geruimd’ moeten worden. Besmette dieren zijn niet meer geschikt voor vleesconsumptie.
De vleesvarkens worden vanuit de fokkerijen getransporteerd naar het buitenland of rechtsreeks naar het slachthuis. Een vleesvarken wordt beschouwd als ‘slachtrijp’ wanneer het rond de 118 kg weegt. Het dier is dan ongeveer achtentwintig weken oud.
Beren
In varkensfokkerijen vind je behalve zeugen, biggen en opgroeiende vleesvarkens, ook nog een paar stevige volwassen mannetjesvarkens: de ‘zoekberen’. Hun ‘functie’ is om de fokker te helpen met het uitzoeken van zeugen die klaar zijn voor en nieuwe reproductie-cyclus. De beren mogen een rondje lopen tussen de zeugen. Aan de reacties van de zeugen op de aanwezigheid van de beer kan de fokker zien of een zeug in haar ‘vruchtbare periode’ zit. De beer wordt terug in het berenhok gestopt en de geselecteerde zeug wordt kunstmatig bevrucht.10
Ook de beren komen nooit buiten de stal. Hun leven eindigt wanneer ze niet meer voldoen aan de eisen die de fokker hen stelt. Dan worden ze net als alle andere varkens afgevoerd naar het slachthuis.
Animal Rights filmde een maand lang undercover in het Vlaamse varkensslachthuis van Tielt
Turbovarkens in megastallen
De hedendaagse varkensfokkerijen zijn opgezet als grootschalige fabrieken, met industriële methoden en principes. Duizenden dieren worden bij elkaar gestopt op relatief kleine oppervlakten. De bio-industrie doet uitgebreid onderzoek naar voeder-, huisvestings- en productiesystemen, met minimale kosten om het maximale rendement te halen uit de dieren. In Nederland is het aantal ‘megastallen’ voor varkens (bedrijven met meer dan 7500 vleesvarkens en 1200 zeugen) de laatste tien jaar explosief toegenomen: in 2005 waren er 12 vleesvarkens-megastallen en 61 fokzeugen-megastallen actief. In 2013 waren deze aantallen opgelopen tot respectievelijk 44 en 83 megastallen.11
In België zijn geen officiële cijfers bekend over megastallen. Wel is duidelijk merkbaar dat de Nederlandse trend zich ook begint door te zetten in Vlaanderen. Meerdere milieuvergunningen voor Vlaamse stallen met meer dan 7500 vleesvarkens zijn reeds verleend of in aanvraag. Sommige fokkerijen zijn al vergund of hebben aanvragen lopen voor stallen met meer dan 10.000 varkens.
De industrialisatie van de varkenssector wordt steeds verder doorgedreven. Niet alleen nemen de fokkerijen meer en meer de vorm aan van industriële fabrieken. Ook de dieren zelf worden ‘aangepast’ aan de steeds hogere productie-eisen van de sector. Bedrijven zoals Topigs specialiseren zich in het fokken van ‘turbovarkens’. Door strenge fokselectie worden varkens gecreëerd die ‘nog rendabeler’ zijn. Zo snel mogelijk zoveel mogelijk vlees voor zo weinig mogelijk geld.12
Miljoenen dieren
De Belgische varkensstapel bedraagt meer dan zes miljoen varkens. Bijna 12 miljoen varkens werden gedood in Belgische slachthuizen. België produceert op jaarbasis meer dan een miljoen ton varkensvlees. 13
In Nederland bedraagt de varkensstapel zo’n 12 miljoen varkens. 5 miljoen biggetjes worden doodgeboren of sterven in de eerste levensweken. 550.000 volwassen varkens sterven in fokkerijen. Ongeveer 8 miljoen varkens werden geslacht in Nederlandse slachthuizen. 14