Op 31 januari 2025 dienden Fauna4Life en Animal Rights bezwaar in tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 20 december 2024 om aan de faunabeheereenheid (FBE) Drenthe een omgevingsvergunning te verlenen voor het doden van vossen en zwarte kraaien ter bescherming van boerenlandvogels in zes weidevogelclusters in Drenthe. Vossen en zwarte kraaien kunnen daar met deze vergunning worden gevangen en gedood tussen 1 december en 30 juni en rondom de clustergebieden is een bufferzone van drie kilometer. De vergunning loopt tot en met 31 december 2029.
Het staat niet ter discussie dat het slecht gaat met boerenlandvogels. Wat wel ter discussie staat is de vraag of de staat van instandhouding van boerenlandvogels door het doden van predatoren verbetert. In het onderhavige geval stelt het college zich op het standpunt dat het jaarlijks, dag en nacht tussen 1 december en 30 juni vangen en doden van een onbeperkt aantal vossen en zwarte kraaien in door het college aangewezen gebieden een bevredigende oplossing is om boerenlandvogels te beschermen.
Animal Rights en Fauna4Life stellen daarentegen dat predatie van boerenlandvogel(legsel)s door vossen en zwarte kraaien niet de oorzaak is van de achteruitgang van boerenlandvogels en het vangen en doden van vossen en zwarte kraaien in deze beheergebieden het probleem niet oplost.
Alle deskundigen zijn het eens over wat dan wel de oorzaak van de achteruitgang van boerenlandvogels is: boerenlandvogels hebben nauwelijks nog geschikt leefgebied om te broeden en hun kuikens met succes te laten opgroeien. De belangrijkste schuldige: de intensieve melkveehouderij.
“Weidevogels zijn grondbroeders: ze maken hun nest op de grond en zitten daar een kleine maand op te broeden. Hun kuikens zijn nestvlieders en scharrelen zelf gedurende een maand hun kostje op de grond bij elkaar. Dat betekent dat grondbroeders zo’n twee maanden lang kwetsbaar zijn voor predatie, niet alleen door roofvogels, maar ook door zoogdieren als vossen en marterachtigen. Predatie kan een probleem zijn, maar het is niet de belangrijkste oorzaak van de teruggang van weidevogels. Dat blijkt uit tal van wetenschappelijke studies. Het grootste probleem voor de weidevogels is het verdwijnen van geschikt leefgebied door het steeds intensievere gebruik van het boerenland. De grootschalige weidelandschappen met een te lage grondwaterstand en eentonig raaigras dat vaak en vroeg in het jaar gemaaid wordt, bieden weidevogels te weinig voortplantingskansen. Maar ook stadsuitbreiding, wegenaanleg en de toenemende recreatie kunnen op gebiedsniveau belangrijke negatieve factoren zijn.”
”Goede weidevogelgebieden zijn de afgelopen decennia steeds schaarser geworden. Om de weidevogels te redden is het dan ook een absolute voorwaarde dat er meer geschikte bloemrijke weilanden komen waar kuikens veilig zijn en voldoende voedsel kunnen vinden.”
”Standpunt Als predatoren beschermde nesten leeghalen is dat zeer frustrerend voor de boeren, vrijwilligers en natuurbeschermers die zich gepassioneerd voor weidevogels inzetten. Vogelbescherming begrijpt deze frustratie. Anderzijds kunnen we als natuurbeschermingsorganisatie niet om het feit heen dat predatie een natuurlijk fenomeen is. • Als er voldoende geschikt leefgebied is voor weidevogels en hun kuikens dan zou predatie geen gevaar voor het voortbestaan van de soort moeten zijn. (…) • De inspanning in Nederland moet vooral gericht zijn op het vergroten en verbeteren van leefgebied van weidevogels, te beginnen in deze kerngebieden. Dat betekent een hoog waterpeil, voldoende openheid en rust, voldoende oppervlakte kruidenrijk grasland en voldoende kuikenland. • Het bestrijden van predatoren begint bij maatregelen zoals het landschap ongeschikter maken voor predatoren en door predatoren te weren, bijvoorbeeld met tijdelijke rasters of schrikdraad. Het actief bestrijden van inheemse predatoren, zoals vossen en kraaien, is volgens de Vogelbescherming alleen in uiterste gevallen een optie. Daarvoor hebben we een afwegingskader opgesteld. Vóór alles geldt: werk uitsluitend op basis van systematisch verzamelde feiten en de best beschikbare kennis. Eerst doordenken, dan pas doen en altijd de effecten monitoren.”1
Sovon
”Net als bij de Grutto lijkt de kuikenoverleving [bij de Kievit] het knelpunt te vormen. Voedselbeschikbaarheid en predatiekans zijn sterk bepalend voor het opgroeisucces van kievitskuikens en worden beinvloed door de opgroeihabitat. Hier moet voldoende voedsel in de vorm van bodeminsecten en regenwormen aanwezig zijn, maar deze moet ook voldoende bereikbaar zijn voor kievitskuikens. De voedselbeschikbaarheid wordt bepaald door onder andere de timing, type en mate van bemesting, waterpeil en vegetatiehoogte. Ook voor de kans op predatie is de opgroeihabitat van belang, omdat deze bepalend is voor de aanwezigheid en dichtheden van predatoren, evenals voor het al dan niet bieden van voldoende dekking.”2
Altenburg en Wymenga in het A&W-rapport 1448:
”Maatregelen om predatie te verminderen hebben alleen zin als de kwaliteit van het broedhabitat goed is. Omdat het grootste knelpunt de kuikenoverleving is, betekent dat dat er voldoende kuikenland moet zijn (bij voorkeur op hoog waterpeil). De doorslaggevende betekenis van lang gras met een open structuur (kuikenland) voor Grutto’s en Tureluurs vormt de les van 2006, toen door weersomstandigheden het maaien grootschalig werd uitgesteld tot begin juni en ook het boerengrasland een open structuur had. De goede habitatkwaliteit compenseerde kennelijk de predatieverliezen, wat leidde tot een goede reproductie.”3
Dood geen predatoren, verbeter de leefgebieden!
De twee belangrijke factoren, waarvan de reproductie van boerenlandvogels afhankelijk is, zijn: het zogenaamde nestsucces en het zogenaamde broedsucces (ofwel kuikenoverleving). Een ei dient allereerst uit te komen (nestsucces) en vervolgens moet een kuiken vliegvlug worden (broedsucces) om uiteindelijk op te kunnen groeien tot broedvogel, wil de soort een kans maken om met succes te reproduceren. Juist dat laatste, het broedsucces, blijkt in Nederland het knelpunt te zijn, met name door voedseltekorten in de bodem, hetgeen slechts verbeterd kan worden door de leefgebieden op orde te maken en een gezondere bodem en betere biodiversiteit te realiseren.
Het afschieten van predatoren als vos en kraai is zinloos.
Wat wel moet gebeuren legt de Vogelbescherming uit in het ‘Actieplan Grutto’ en Sovon in het rapport ‘Predatieproblematiek bij Weidevogels’.
Pas als aan alle criteria wordt voldaan en het gebied geschikt is voor weidevogels met een geschikt opgroeihabitat, pas dan kan de volgende stap – het monitoren van de reproductie om te beoordelen of er een probleem resteert en waardoor dat probleem wordt veroorzaakt – effect hebben.
Het is dus niet voor niets dat predatorenbeheer pas als laatste stap, met het doden van predatoren als ‘ultimum remedium’, wordt genoemd. Predatorenbeheer heeft in elk geval geen nut als het gebied nog niet op orde is.
Een vergunning kan alleen verleend worden als de maatregelen helpen (effectief zijn) om het doel te behalen. Als dat het geval is, dan moet eerst gekozen worden voor de minst ingrijpende maatregelen, ofwel andere bevredigende oplossingen, waarbij het doden van een diersoort altijd het laatste redmiddel dient te zijn.
Zolang een bevredigende oplossing nog niet of onvoldoende is uitgevoerd, kan niet tegelijkertijd een meer ingrijpende maatregel worden toegestaan. Dat kan pas zodra na uitvoering van die minder ingrijpende maatregel blijkt dat deze niet of slechts deels bevredigend is, waarna (slechts) voor het resterende probleem de meer ingrijpende maatregel mag worden uitgevoerd en mits ook aan de andere wettelijke voorwaarden wordt voldaan.
In het onderhavige geval kan niet gesproken worden van een ‘resterend’ probleem, omdat andere (gedeeltelijk) bevredigende oplossingen niet voldoende zijn uitgevoerd of niet eens zijn beoordeeld. In het eerste geval betreft het het geschikt maken van leefgebieden voor boerenlandvogels, in het tweede geval betreft het maatregelen zoals het verwijderen van rustplaatsen voor zwarte kraaien en het plaatsen van voswerende rasters.
Is er nog hoop voor de boerenlandvogels?
Animal Rights en Fauna4Life concluderen dat, als het al mogelijk is om, ondanks de intensieve landbouw, het uitsterven van diverse soorten boerenlandvogels een halt toe te roepen – en dat hopen zij van harte – de focus geheel moet worden gelegd op het verbeteren van het leefgebied van boerenlandvogels en dat gebeurt in elk geval niet zolang de aandacht blijft gaan naar het vangen en doden van andere beschermde diersoorten, terwijl de ervaring leert dat de stand van de boerenlandvogels daardoor niet verbetert. Deze problematiek moet zo snel mogelijk anders worden aangepakt, niet alleen omdat het college daartoe juridisch verplicht is, maar ook omdat er anders geen weg terug meer is voor de boerenlandvogels.
Als provincies (en rechters) hun oor blijven laten hangen naar boeren en jagers in plaats van te luisteren naar natuurbeschermingsorganisaties is het over en uit voor de boerenlandvogels in Nederland.
Ecoloog Jaap Mulder noemde het huidige weidevogelbeleid in een recent interview met het NRC ”stervensbegeleiding”. 4 Natuurbeheer, zegt hij, is het vertragen van de achteruitgang. En de weidevogel is volgens hem het redden voorbij – behalve misschien in natuurreservaten.
”De weidevogel wordt bedreigd door de landbouw, niet door roofdieren. Het weiland van vroeger, met bloemen en insecten, is ‘grasfalt’ geworden, daar kan geen kuiken meer opgroeien. Dát is wat de weidevogel bedreigt.”
En over het bestrijden van de vos: ”Omdat hij zogezegd schade aan de natuur toebrengt, zeggen ze. Hoe kan dat? Hij is zelf onderdeel van de natuur.”
Zaterdagochtend 14 juni 2025 om half 5 brak er brand uit in de mestopslag van leghennenconcentratiekamp ‘De Eierhoeve’ in Heibloem in Noord-Limburg. De brand sloeg over op een naastgelegen kippenstal en dat kostte volgens de eerste opgave 50.000 individuen hun treurige leven.
Dat de brandweer honderduizenden eveneens levenslang opgesloten kippen wist te ‘redden’ is natuurlijk prettig voor boer (zoekt vrouw) John Nouwen. Zo kan hij ze nog maanden in slavernij houden als productiemachines voor eieren, voordat ze hun poten en vleugels breken bij het in kratten smijten voor het transport naar het slachthuis, waar hun lijken nog een paar centen opbrengen als het product ‘soepkip’. Want van ‘redden’ is in deze industrie nooit sprake, slechts het voortduren van het lijden en van uitstel van de onvermijdelijke, voortijdige dood.
Eerder dit jaar, op 11 februari, kwamen 19 koeien om het leven bij een stalbrand aan de Wagendijk in Kockengen. Op 15 maart kwamen zeker 30 schapen om bij een brand in een schuur in Herwijnen. Een een big kwam om bij een brand in IJsselstein op 1 mei. Daarnaast waren er nog tientallen ‘agrarische branden’ waar het net goed afliep, of de slachtoffers niet bekend gemaakt zijn.
Het staat niet ter discussie dat het slecht gaat met de weidevogels. Wat wel ter discussie staat is de vraag of de weidevogelstand door het vangen en doden van predatoren verbetert. Geen enkele provincie weet aan te tonen dat de weidevogelstand verbetert door mogelijke predatoren te doden. Daarnaast zijn er andere bevredigende oplossingen om de weidevogelstand wél te verbeteren die tevens minder ingrijpend zijn dan het doden van andere beschermde dieren.
Predatie is onderdeel van de natuurlijke processen en niet de oorzaak van de teruggang van weidevogels. Uit tal van wetenschappelijke studies blijkt dat het grootste probleem voor de weidevogels het verdwijnen van geschikt leefgebied is door het steeds intensievere gebruik van ‘boerenland’. De grootschalige weidelandschappen met een te lage grondwaterstand en eentonig raaigras – grasfalt – dat vaak en vroeg in het jaar gemaaid wordt, bieden weidevogels te weinig voortplantingskansen.
Goede weidevogelgebieden zijn de afgelopen decennia steeds schaarser geworden. Om de weidevogels te redden is het dan ook een absolute voorwaarde dat er meer geschikte bloemrijke weilanden komen waar kuikens veilig zijn en voldoende voedsel kunnen vinden. Inzetten op verbetering van leefgebieden is in de Vogelrichtlijn verplicht gesteld. Als er voldoende geschikt leefgebied en rust is voor weidevogels en hun kuikens dan zou predatie geen gevaar voor het voortbestaan van de soort moeten zijn.
Of kuikens uitgroeien tot broedvogels heeft met diverse factoren te maken en hangt af van zowel het nestsucces als het broedsucces. Het nestsucces betekent de nestoverleving, ofwel het aantal eieren uit een legsel dat uitkomt. Het broedsucces betekent de kuikenoverleving, ofwel hoeveel kuikens vliegvlug worden, uitvliegen en het gebied verlaten om uiteindelijk zelf te broeden.
De kansen van kuikens om op te groeien worden beperkt door met name het voedselaanbod, hetgeen verbeterd kan worden door de leefgebieden op orde te maken en een betere biodiversiteit en gezondere grond te creëeren.
De voedselbeschikbaarheid voor kuikens wordt bepaald door onder andere de timing, type en mate van bemesting, waterpeil en vegetatiehoogte. Ook voor de kans op predatie is de opgroeihabitat van belang, omdat deze bepalend is voor de aanwezigheid en dichtheden van predatoren, evenals voor het al dan niet bieden van voldoende dekking.
In Nederland worden vooral maatregelen – zoals afschot predatoren – genomen om het nestsucces te verhogen. Hoewel dat succesvol lijkt, resulteert het niet in een hoger broedsucces. Wanneer alle mogelijke risico’s op het uitkomen van eieren worden weggenomen, zullen er meer eieren uitkomen, en er dus meer jonge kuikens zijn die allemaal moeten eten. Zolang er niet voldoende voedsel is omdat de leefgebieden onvoldoende op orde zijn voor het aantal kuikens, is er concurrentie tussen de jonge kuikens. Dit resulteert erin dat een groter aantal kuikens lijdt en overlijdt aan honger en alsnog niet opgroeit tot volwassen broedvogels. Een hoger nestsucces zonder dat er verbetering komt in het broedsucces. Als men op deze kortzichtige wijze voortgaat, zijn de weidevogels voor Nederland verloren.
Hieruit blijkt duidelijk dat het gebied verbeterd moet worden, voordat uiteindelijk, na nog eens meerdere stappen, een predatorbeheerplan kan worden vastgesteld. Predatoren zouden tijdelijk geweerd kunnen worden met maatregelen om het landschap onaantrekkelijker te maken en met tijdelijke rasters of schrikdraad.
Het afschieten van predatoren is symptoombestrijding en leidt af van de werkelijke oorzaken, schuldigen en oplossingen. Toch blijven provincies toestemming geven om massaal dieren af te knallen en gaan rechters daar over het algemeen in mee. Zie Wieringen, waar Animal Rights en Fauna4Life geen voorlopige voorziening kregen toegewezen.
Wieringen
Op 17 mei 2023 heeft de Omgevingsdienst namens het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland een natuurvergunning verleend aan de Agrarische Natuurvereniging Hollands Noorden voor het vangen en doden van zwarte kraaien en kauwen met vangkooi en kastval, ter bescherming van weidevogels op Wieringen. Op 27 juni 2023 hebben Animal Rights en Fauna4Life bezwaar gemaakt. Het bezwaar werd op 6 november 2023 afgewezen. Daartegen hebben de stichtingen op 17 december 2023 beroep ingediend bij de Rechtbank Noord-Holland.
Voordat de ontheffing voor het jaarrond vangen en doden van een onbeperkt aantal zwarte kraaien en kauwen op Wieringen werd verleend, moest conform de Wet natuurbescherming, vaststaan dat de ontheffing nodig is ter bescherming van de weidevogels en er geen andere bevredigende oplossing is dan het vangen en doden van zwarte kraaien en kauwen. Daartoe moet zijn aangetoond dat het leefgebied voor weidevogels op Wieringen voldoende geschikt is om te kunnen overleven (broedsucces), de weidevogelstand desondanks alsnog verslechtert, dóór de zwarte kraai en kauw én het gerechtvaardigd is om ter voorkoming daarvan deze eveneens beschermde vogels als ‘ultimum remedium’ te doden, omdat er geen ‘andere bevredigende oplossing’ is. Animal Rights en Fauna4Life betwisten dat het college dit met de ontheffing heeft aangetoond.
De zitting was op 27 maart 2025. Op 6 mei ontvingen we bericht van de rechtbank dat het niet mogelijk bleek om in 6 weken uitspraak te doen. De termijn is met 6 weken verlengd, derde week juni dus.
Update – Uitspraak
Op 17 juni 2025 deed de rechtbank uitspraak. Die is, zoals in bijna alle weidevogel-/akkervogel-/boerenlandvogel-/grondbroeder-zaken teleurstellend.
De ontheffing werd op 20 februari 2025 wel beperkt door aan de bij het primaire besluit verleende ontheffing twee voorschriften toe te voegen, namelijk: “Er mogen in het uitvoeringsgebied, welke bestaat uit de jachtvelden van Vereniging Jagerscombinatie Wieringen, in de periode van 1 januari tot 1 oktober maximaal 1.000 kauwen en maximaal 210 zwarte kraaien gedood worden.” En: ”Van de ontheffing mag alleen in de periode van 1 januari tot 1 oktober gebruik gemaakt worden.”
De redenering van de rechtbank is tenenkrommend. Het landschap in Wieringen meer geschikt maken als leefgebied voor de weidevogels is als oplossing ”niet gericht op bescherming van de weidevogels tegen de predatie door de kauw en de zwarte kraai en kan dus niet als bevredigende oplossing worden aangemerkt waardoor kauw en kraai niet hoeven te worden gedood.” De rechtbank is niet in staat in te zien dat predatie iets natuurlijks is en dat weidevogels daar prima mee kunnen leven – en altijd hebben gedaan tot de opkomst van de industriële landbouw – áls hun leefgebied op orde is!
Dat niet dan wel onvoldoende is aangetoond dat weidevogels gepredeerd worden door de kauw en de zwarte kraai, wuift de rechtbank weg. De rechtbank vindt dat aan het woord ‘aantonen’ niet een andere betekenis moet worden gehecht dan aannemelijk maken. De rechtbank vindt ”dat het voldoende is dat aannemelijk wordt gemaakt dat het doden van de kauw en de zwarte kraai zorgt voor een betere bescherming van de weidevogels. Daarbij hoeft het precieze aandeel van de kauw en de zwarte kraai in de predatie van de weidevogels niet bekend te zijn.”
Ook over de lengte van het jachtseizoen gaat de rechtbank volledig met de provincie mee: ”Op de zitting hebben verweerder en de ontheffinghouder toegelicht waarom het vangen en doden van de zwarte kraai ook noodzakelijk is buiten het voorjaar. Zo dient in januari al te worden gestart met het weren van kraaien, zodat een gunstig vestigingsklimaat wordt gecreëerd voor de weidevogels. Verder is populatiebeheer van de zwarte kraai ook na het voorjaar belangrijk ter voorbereiding op het volgende broedseizoen en om een afschrikeffect te creëren.”
O, ja, de moord op 1.000 kauwen en 210 zwarte kraaien moeten de populaties makkelijk kunnen hebben.
Is er nog hoop voor de boerenlandvogels?
Animal Rights en Fauna4Life concluderen dat, als het al mogelijk is om, ondanks de intensieve landbouw, het uitsterven van diverse soorten boerenlandvogels een halt toe te roepen – en dat hopen zij van harte – de focus geheel moet worden gelegd op het verbeteren van het leefgebied van boerenlandvogels en dat gebeurt in elk geval niet zolang de aandacht blijft gaan naar het vangen en doden van andere beschermde diersoorten, terwijl de ervaring leert dat de stand van de boerenlandvogels daardoor niet verbetert. Deze problematiek moet zo snel mogelijk anders worden aangepakt, niet alleen omdat het college daartoe juridisch verplicht is, maar ook omdat er anders geen weg terug meer is voor de boerenlandvogels.
Als provincies (en rechters) hun oor blijven laten hangen naar boeren en jagers in plaats van te luisteren naar natuurbeschermingsorganisaties is het over en uit voor de boerenlandvogels in Nederland.
Ecoloog Jaap Mulder noemde het huidige weidevogelbeleid in een recent interview met het NRC ”stervensbegeleiding”. Natuurbeheer, zegt hij, is het vertragen van de achteruitgang. En de weidevogel is volgens hem het redden voorbij – behalve misschien in natuurreservaten.
”De weidevogel wordt bedreigd door de landbouw, niet door roofdieren. Het weiland van vroeger, met bloemen en insecten, is ‘grasfalt’ geworden, daar kan geen kuiken meer opgroeien. Dát is wat de weidevogel bedreigt.”
Ik ben Rosa en ik ben nog maar net 6 maanden jong. Mijn moeder heb ik al maanden niet meer gezien. Terwijl mijn broertjes, zusjes en ik in een ander hok zijn geplaatst, zorgt mijn moeder al weer voor haar volgende kinderen. Het is een eindeloze cirkel vol verdriet.
Ik heb het gevoel dat ik al 10 verschrikkelijke levens doorgelopen heb. Met alle ellende die ik heb ondergaan en heb gezien. Dit wens je jouw ergste vijand nog niet toe. In deze 6 maanden heb ik ook al veel van mijn familieleden zien verdwijnen en nooit meer terug zien komen. Wie weet waar ze heen gaan?
Vandaag voelt als een vreemde dag. Er heerst weer onrust in de stal. Er komen mensen binnen. Plotseling, zonder waarschuwing, moeten we eruit. Ik ben zo bang. Ik heb nog nooit iets anders gezien dan dit hok. We worden door de gangen heen gejaagd. Het gaat de mensen allemaal te traag. Ze reageren woedend op ons. “Achterlijk varken, loop door! Denk je dat ik niks anders te doen heb dan dit!”
Met geweld
We worden met geweld een vrachtwagen opgejaagd. Wie twijfelt wordt geslagen met stokken of geschopt. Mijn broertje heeft een gebroken poot. Hij kan amper staan, maar ze slaan hem net zo lang tot hij strompelend naar boven gaat.
Mijn zusje heeft een diepe wond op haar buik. Ze is zo zwak en kan niet lopen, maar ze trekken haar hardhandig bij haar oren tot ze mee gaat. Waarom zijn mensen altijd zo wreed tegen ons?
Uit naam van de bescherming van weidevogels ontketenen provincies, jagers en boeren een heksenjacht op predatoren zonder het leefgebied van de weidevogels op orde te brengen. Vooral het ‘grasfalt’-landschap van Engels raaigras voor de intensieve melkveehouderij is de oorzaak van de achteruitgang van weidevogels in Nederland. Je zou kunnen stellen dat ieder glas melk een grutto, kievit, of wulp doodt.
Op 28 december 2023 besluit het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot het verlenen van een ontheffing voor het vangen (middels vangkooi) en vervolgens doden van zwarte kraaien ter bescherming van weidevogels.
Het college stelt zich op het standpunt dat het jaarlijks, zes jaar lang, tussen 1 maart en 15 juli vangen en doden van zwarte kraaien in vier “weidevogelgebieden” een bevredigende oplossing is om weidevogels te beschermen. Animal Rights en Fauna4Life betwisten dat het college heeft aangetoond dat de weidevogelstand in deze gebieden verbetert door zwarte kraaien, die evenals weidevogels wettelijk beschermd zijn, te doden.
Noodzaak, geen andere bevredigende oplossing, staat van instandhouding
Voordat deze ontheffing werd verleend, moest conform de Wet natuurbescherming (Wnb) vaststaan dat de ontheffing nodig is ter bescherming van de weidevogels (causaal verband weidevogelstand en kraaienpredatie), er geen andere bevredigende oplossing is dan het vangen en doden van zwarte kraaien en de staat van instandhouding van de zwarte kraai daardoor niet verslechtert. Animal Rights en Fauna4Life betwisten dat het college dit met de ontheffing heeft aangetoond.
Verband tussen predatie en de slechte weidevogelstand?
Zonder cijfers over het broedsucces (kuikens die opgroeien tot volwassen vogels) valt er niets te zeggen over de uiteindelijke gevolgen die eventuele predatie heeft op de soort. Is er bijvoorbeeld weinig voedselaanbod dan zullen de ouderparen en kuikens zwakker zijn, hetgeen predatie vergemakkelijkt of kan resulteren in overlijden vóór predatie. Dit is niet meegewogen in het onderzoek waarnaar het college verwijst en daarom is het causale verband tussen predatie en de slechte weidevogelstand niet aangetoond, waardoor de noodzaak van de ontheffing ontbreekt en het bestreden besluit onrechtmatig is.
Aandeel predatie door de zwarte kraai?
Ook is het aandeel predatie door de zwarte kraai niet duidelijk. In een tabel behorende bij het besluit zijn alleen cijfers en percentages opgenomen van vogelpredatie (19 tot 22%). Hieruit concludeert het college dat de kraaienpredatie gemiddeld 20% is. Animal Rights en Fauna4Life betwisten de juistheid hiervan, nu nergens uit blijkt dat de zwarte kraai de enige vogelpredator is (meeuwen en roofvogels bijvoorbeeld). Bovendien wordt in de evaluatie benadrukt dat de predator in de meeste gevallen niet is aan te duiden. Zolang dat niet lukt, is een maatregel om één van vele mogelijke predatoren te doden niet gebaseerd op gevalideerde onderzoekgegevens en kan het niet gezien worden als effectief en doeltreffend om het uiteindelijke doel, dat bemoeilijk wordt door diverse factoren, zoals ongeschikt leefgebied, te behalen.
Animal Rights en Fauna4Life concluderen dat er geen causaal verband is aangetoond tussen de slechte weidevogelstand en predatie door zwarte kraaien in deze vier ontheffingsgebieden. Enkel het aanwezig zijn van zwarte kraaien en geturfde verliezen van legsels (nestpredatie) door alle soorten vogels is onvoldoende om de noodzaak van de ontheffing (het vangen en doden van zwarte kraaien ter bescherming van weidevogels) aan te tonen.
Leefgebied op orde?
Animal Rights en Fauna4Life merken op dat uit de door het college opgesomde reeds genomen maatregelen niet blijkt dat het leefgebied al zodanig op orde is dat (effectief) toegekomen kan worden aan predatiebeheer.
Om te beoordelen of een leefgebied voldoende op orde is, zijn door deskundigen duidelijke voorwaarden gesteld zoals onder meer opgenomen in het Aanvalsplan Grutto. Als het college kan aantonen dat in de vier ontheffingsgebieden aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan erkennen Animal Rights en Fauna4Life dat het leefgebied op orde lijkt te zijn en de weidevogels dus in principe zouden moeten kunnen overleven. Als vervolgens komt vast te staan dat de weidevogels nog steeds niet kunnen overleven, kan de oorzaak daarvan onderzocht worden.
In het onderhavige geval is echter niet aangetoond dat in elk ontheffingsgebied aan deze voorwaarden is voldaan, waardoor niet is komen vast te staan is dat de andere bevredigende oplossing (namelijk het geschikt maken van het leefgebied) is uitgevoerd en dat dient conform artikel 3.3, vierde lid, onder a, van de Wnb wel te gebeuren.
De gunstige staat van instandhouding van de zwarte kraai
In het bestreden besluit schrijft het college dat de gunstige staat van instandhouding van de zwarte kraai niet in het geding is en dat de bestrijding van zwarte kraaien ook geen bedreiging is voor de gunstige staat van instandhouding, waardoor de onderhavige ontheffing voor het lokaal vangen en doden van zwarte kraaien met de vangkooi geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.
Wat door het college wordt betoogd, is echter niet geborgd in de ontheffing. Met de ontheffing kan immers een onbeperkt aantal zwarte kraaien worden gedood, waardoor het wel degelijk mogelijk is dat het gebruik van de ontheffing de gunstige staat van instandhouding van de zwarte kraai bedreigd. Het effect van alle lokale ontheffingen dient te worden berekend om tot een eindoordeel te komen. Vele lokale ontheffingen kunnen tezamen immers grote gevolgen hebben.
Uitspraak
De rechtbank oordeelde op 27 mei 2025 dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat er een noodzaak bestaat om de ontheffing te verlenen voor bescherming van weidevogels, dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat de ontheffing niet leidt verslechtering van de gunstige staat van instandhouding van de zwarte kraai.
Als provincies en rechters hun oor blijven laten hangen naar boeren en jagers in plaats van te luisteren naar natuurbeschermingsorganisaties, als ze blijven inzetten op symptoom bestrijding -predatoren – in plaats van structurele oplossingen – verbeteren en uitbreiden van leefgebieden – is het buiten natuurreservaten over en uit voor de weidevogels in Nederland.