Undercover in de zuivelindustrie 2019-2020

Animal Rights ging enkele weken undercover in een Nederlands melkveebedrijf. Het gaat om een leverancier van zuivelgigant FrieslandCampina.

Op onze beelden is te zien hoe een kalfje direct na de geboorte bij de moederkoe wordt weggehaald. Dat is de gangbare praktijk in de zuivelindustrie: de moedermelk is voor de consument bestemd, niet voor het kalfje.

Ook legden we het melkproces vast. In het betrokken bedrijf worden de koeien meerdere keren per dag gedwongen om in een carrousel te staan zodat ze door een machine gemolken kunnen worden. We zien dat sommige koeien wonden hebben, anderen zijn kreupel.

In de melkveehouderij hebben de moederkoe en haar kalf een kort en ellendig leven. Draag hier niet aan bij en kies voor plantaardige alternatieven voor zuivel.

Koeien geven melk – toch?

Een koe geeft melk: van jongs af aan horen we het van onze ouders en op school. We lezen vrolijke boekjes over het leven op de boerderij: de hond loopt rond op het erf, de kat ligt in het zonnetje en de koe die daar lekker vrij rondloopt geeft melk. Gewoon, van nature. En dat is maar goed ook, want wij mensen hebben die melk nodig om gezond en sterk te blijven! Toch?

De werkelijkheid is anders. De melkproductie komt pas op gang wanneer een koe (net als een mens of een ander zoogdier) een jong krijgt. Daarom worden koeien in de melkveehouderij elk jaar opnieuw kunstmatig bevrucht. Wanneer de koe na een zwangerschap van negen maanden een kalfje baart, neemt de veehouder het jong vrijwel direct bij haar weg. De moederkoe loeit luid om het kalfje, maar mag haar jong niet verzorgen en zogen, omdat haar melk wordt afgepakt ten behoeve van de consument. Het kalfje is dus een ‘bijproduct’ van de zuivelindustrie.

Het lot van de moederkoe

Minimaal twee keer per dag worden de moederkoeien gemolken. Dit gebeurt in moderne melkveehouderijen met melkrobots. Een gemiddelde koe in de melkveehouderij produceert tegenwoordig bijna 9.000 liter melk per jaar. Rond 1910 gaf een Nederlandse koe iets meer dan 2.500 liter melk per jaar. In 1934/1938 was dat al 3.400 liter. 1 Koeien worden nu geselecteerd en gefokt op het geven van grote hoeveelheden melk. Ook is hun voedsel zo samengesteld dat het de melkproductie bevordert.

Een koe kan van nature tot wel 25 jaar oud worden, maar in de melkveehouderij gaan ze vaak na vijf à zes jaar al naar het slachthuis. Dan zijn ze ‘uitgemolken’ en niet meer rendabel – de veehouder kan niet meer genoeg geld aan haar verdienen.

Het lot van het kalfje

Nadat het kalfje van de moederkoe is gescheiden wordt het overgebracht naar een ‘eenlingenbox.’ Daar blijft het kalfje tot het acht weken oud is. Als het dier een vrouwtje is, en geschikt om melkkoe te worden, dan blijft ze mogelijk op het bedrijf: haar wacht dan hetzelfde lot als haar moeder.

De andere kalfjes, onder wie natuurlijk de stiertjes, worden overgebracht naar een vetmesterij als ze twee weken oud zijn. De meeste vleeskalfjes krijgen daar een speciaal dieet waar bewust te weinig ijzer in zit: daar krijgen ze bloedarmoede van en dat levert ‘mooi’ blank kalfsvlees op. Na acht maanden worden ze geslacht. Andere kalfjes worden gebruikt voor ‘rosé kalfsvlees’. Zij krijgen kracht- en ruwvoer en worden na 10 tot 12 maanden op piepjonge leeftijd geslacht.


  1. Hoeveel melk geeft een koe? ↩︎

NVWA laat zebra Smiley in de steek

Op 5 januari 2025 kreeg Animal Rights het bewijs in handen dat Circus Freiwald illegaal een zebra met het circus mee liet reizen. Het gaat vermoedelijk om Smiley. Animal Rights vroeg de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) om het dier te bevrijden uit handen van het circus.

Freiwald had sinds 20 december zijn tenten opgeslagen op de Goffertweide in Nijmegen als het ‘Kerstcircus Nijmegen’. Het circus blijft onverbeterlijk optreden met dieren, zoals ara’s, honden, pony’s en kamelen. Dat mag helaas nog, maar van oorsprong wilde zoogdieren zijn verboden.

Zebra Smiley treedt niet op, maar wordt wel met de andere dieren met het circus meegesleept en brengt zijn dagen blijkbaar door in een kleine kooi, zoals op de beelden van Animal Rights hierboven te zien is. Dit is verboden omdat de ontheffing om Smiley mee te zeulen vorig jaar werd ingetrokken.

Animal Rights heeft de NVWA de avond van 5 januari op de hoogte gebracht. Animal Rights verzocht de NVWA de zebra ‘in beslag’ te nemen, zodat hij zijn leven kan doorbrengen in een opvangcentrum met soortgenoten.

Er was haast geboden, want 5 januari was de laatste dag van het kerstcircus en de NVWA wist dat. Ondanks aandringen van Animal Rights ging de NVWA pas op 7 en 9 januari kijken in Arnhem. Er werd geen zebra (meer) aangetroffen.

Tijdlijn

Sinds 15 september 2015 mogen een groot aantal wilde diersoorten niet meer optreden in het circus na jarenlang campagnevoeren door verschillende organisaties. Daarmee kwam er een eind aan de uitbuiting van onder andere leeuwen, tijgers, olifanten en ook zebra’s in circuspistes in Nederland.

Circus Freiwald kreeg een ontheffing voor het meevoeren van 2 zebra’s, Smiley en Sascha, en olifant Buba omdat er destijds geen opvang beschikbaar was. Vanaf 3 januari 2016 kreeg het circus geen verlenging meer voor het houden van de zebra’s en heeft de NVWA meermaals een last onder dwangsom opgelegd. 
Vervolgens kwam op 22 september 2016 Sascha te overlijden door slechte verzorging op de locatie die nota bene zelf was uitgekozen door het circus.

In april 2021 maakten dierenrechtenorganisaties Animal Rights en Bite Back bezwaar tegen het besluit van 25 maart van dat jaar van toenmalig landbouwminister Schouten om een ontheffing voor onbepaalde tijd te verlenen aan circus Freiwald van het ‘circusverbod’ voor zowel olifant Buba als zebra Smiley. Er waren nu immers opvanglocaties beschikbaar.
De minister gaf met de ontheffingen, tegen het advies van haar ambtenaren in, gehoor aan moties van het CDA en de PVV om de dieren bij het circus te laten.

Op 11 augustus 2023 werd de ontheffing voor Buba ingetrokken. Buba was inmiddels met medewerking van het landbouwministerie weggesluisd naar Hongarije en stierf daar afgelopen december in een circuspark.

Op 29 oktober 2024 veegt de rechtbank (eindelijk) de vloer aan met de besluiten van betreffende minister en wordt ook de ontheffing voor zebra Smiley ingetrokken:
“De minister heeft vervolgens, zo blijkt uit de stukken, aan de hand van een ambtelijke notitie gekozen voor de optie waarbij zowel voor Buba als Smiley op aanvraag van Freiwald een ontheffing wordt verleend. In deze ambtelijke notitie is voor de ontheffingverlening echter evenmin een onderbouwing te vinden. Daarin wordt integendeel juist de vraag opgeworpen of die onderbouwing wel kan worden gegeven.”

“Uit de brieven van de minister leidt het College af dat het de minister niet is gelukt het ontheffingsbesluit te voorzien van een nadere motivering, ook niet nadat de minister daartoe een laatste poging heeft gedaan. Het College gaat er daarom vanuit dat de minister die nadere motivering ook niet kan geven. […] Uit het voorgaande volgt dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor ontheffingverlening en dat het ontheffingsbesluit zal moeten worden herroepen. Het College zal dit, zelf in de zaak voorziend, doen.” 1

Dat betekent dat het de familie Freiwald niet langer is toegestaan om Smiley (in Nederland) te vervoeren ten behoeve van een circus of een ander optreden.
Zoals Buba in Hongarije was ondergebracht, werd Smiley naar Duitsland gebracht om te voorkomen dat deze dieren een rustige oude dag zouden krijgen in relatieve vrijheid met soortgenoten.

Voor Buba is het te laat. Ook Smiley kan stikken als het aan de NVWA en LVVN ligt, maar een kans op pensioen voor Smiley bestaat nog steeds en zolang blijven wij voor hem vechten.

Update

Omdat Animal Rights de terugmelding vanuit de NVWA te mager vond, heeft de dierenrechtenorganisatie op 20 maart 2025 via een informatieverzoek aan de NVWA gevraagd om haar alle informatie te verstrekken ten aanzien van de meldingen over de aanwezigheid van een zebra (vermoedelijk Smiley) bij Circus Freiwald/Kerstcircus in Arnhem.

We wisten al dat na de melding op 5 januari, waarin uitdrukkelijk werd vermeld dat de urgentie hoog was omdat het de laatste dag van het kerstcircus was, de NVWA pas op de zevende ging kijken en de zebra niet aantrof.

”Wij zagen tijdens onze controle geen zebra. Wel zagen wij een vergelijkbare opstelling van de dierenverblijven als die in het filmpje. Daar waar in de video een zebra gestaan had was nu niks (meer) aanwezig. Hierna zijn we weggegaan…”

Freiwald en zijn vrouw liegen glashard tegen de NVWA-inspecteurs: ”Zij vertelde dat de bewuste zebra niet aanwezig was en ook niet aanwezig was geweest.”

Uit het vooronderzoek werd al wel duidelijk dat het circus geen TRACÉS aangevraagd had of heeft. Voor het vervoer van levende dieren binnen de EU moet de eigenaar/vervoerder in de online applicatie TRACÉS een dierengezondheidscertificaat aanmaken; de NVWA valideert deze vervolgens.

Op 9 januari gaat de NVWA nogmaals kijken. Freiwald had ’s ochtends gebeld dat hij geen tijd had: ”Op donderdag 9-1 werd ik kort voor 10 uur gebeld door dhr. … Hij gaf (in het Duits) aan dat hij en met hem de rest van het circuspersoneel zeer druk bezig was met het afbreken van het circus en dat een bezoek van ons absoluut niet uitkwam. Hij vertelde dat hij, voor zover hij wist voldaan had aan alle eisen en dat er meermaals in het verleden contact geweest was met de NVWA. Gevraagd naar waar de zebra was antwoordde hij dat het dier in Duitsland was en ondanks verder aandringen voor een nauwkeurigere locatie bleef hij bij “Duitsland”. Ik vroeg hem of hij op de hoogte was van gerechtelijke uitspraken omtrent Smiley de zebra. Hij gaf aan dat hij wist van een uitspraak in april van 2024 maar, nadat ik hem gewezen had op een definitieve uitspraak in oktober 2024, vertelde hij dat hij van deze uitspraak niet op de hoogte was. Hij verbaasde zich er uitermate over dat hij, als betrokken partij, daarvan niet op de hoogte gebracht was.”

Het blijkt wel mee te vallen met die drukte: ”’s Middags ben ik, wederom samen met collega … naar het circus gegaan. Daar zagen we dat een klein gedeelte van het circus afgebouwd was en in eerste instantie geen mensen op het terrein aanwezig waren. Wij hebben een ronde over het terrein gemaakt waarbij we, toen we in de staltent waren, zagen dat de op 7-1 waargenomen pony’s verdwenen waren. De overige dieren zagen wij nog.
Uiteindelijk hebben wij nog met mevr. … gesproken die aangaf dat haar partner weg was met de trailer en dat ze druk bezig waren in het proces van afbreken. Zij was bang dat ze de deadline van 18 jan. niet zou halen.
Wij hebben haar aangegeven dat we een verklaring van haar man op wilden nemen met betrekking tot de melding van de zebra. Wij hebben haar een Duitse vertaling via Google translate laten lezen van de tekst dat wij haar man als verdachte aanmerkten en hem als zodanig wilden horen (of woorden van gelijke strekking). Wij hebben haar daarbij uitgelegd dat dit gewenst was om zijn (hun) versie van het verhaal op papier te krijgen.
Gevraagd waar naartoe de aanwezige dieren vervoerd zouden worden antwoordde zij: “Duitsland”. Een exacte locatie werd niet gegeven. Wij hebben haar verteld dat voor het vervoeren van de dieren een TRACÉS document nodig is. Zij vertelde ons dat alle dieren beschikten over een paspoort of iets vergelijkbaars en dat een TRACÉS echt niet nodig was en dat het in het verleden ook altijd zo goed ging.
Hierna hebben wij afscheid genomen en hebben het terrein verlaten.”

Die verklaring hebben de Freiwalds blijkbaar niet afgelegd. Althans, die zit niet bij de geopenbaarde documenten. Animal Rights vroeg dit na: “Uit navraag bij de betrokken inspecteurs is gebleken dat de man (uiteindelijk) niet meer is gehoord. Er is door hem dan ook geen verklaring afgelegd met betrekking tot de melding over de zebra. Dit verklaart ook waarom u deze informatie niet heeft aangetroffen tussen de aan u verstrekte documenten. Wel heeft een van de inspecteurs de man nog een
keer telefonisch gesproken over de gang van zaken, maar de inhoud van dit gesprek is verder niet vastgelegd in een document.”

Op 22 januari 2025 wordt het rapport afgerond. De inspecteur geeft aan dat de overtreding van het verplaatsen van dieren zonder TRACÉS wordt doorgezet naar TBM (team bestuurlijke maatregelen). Hij vraagt nog: ”Is het mogelijk om hier een last (ter voorkoming?) voor op te leggen?” Of een last onder dwangsom of boete is opgelegd, blijkt niet uit de documenten.

Freiwald vraagt voor de terugtocht naar Duitsland alsnog TRACÉS aan.


  1. ECLI:NL:CCB:2024:749 ↩︎

Schokkende beelden van stervend reekalf in Ronse

Animal Rights ontving aangrijpende beelden van een dodelijk gewond reekalf in de regio Ronse, Vlaamse Ardennen. Het dier lag stuiptrekkend op de grond met een bloedende prolaps, nadat het neergeschoten werd door een jager. De opnames, gemaakt door een bezorgde voorbijganger, leggen bloot hoe gruwelijk en onnodig het dierenleed is dat veroorzaakt wordt door de jachtindustrie. De beelden werden gemaakt in de ochtend van zondag 2 maart 2025.

In plaats van de natuur met kogels te proberen reguleren, moeten beleidsmakers inzetten op het vergroten en verbinden van natuurgebieden. Dieren hebben rust en ruimte nodig, niet nog meer menselijke inmenging. Animal Rights eist een onmiddellijk einde aan het afschieten van wilde dieren voor het plezier van jagers.

Lees ook:

Opgeschrikt en afgeknald

De ooggetuige zag enkele ogenblikken vooraf nog hoe verschillende jonge reeën over een open veld liepen en opgeschrikt werden door geweerschoten. De dieren vluchtten in paniek het aangrenzende bos in en daar schoot de jager een van de reekalveren neer.

Leefgebieden van wilde dieren worden steeds kleiner en in de gebieden waar ze zich veilig voelen, worden ze opgeschrikt, bejaagd en neergeknald.

Reeën kunnen wel 20 jaar oud worden, maar gemiddeld leven ze slechts 7 à 8 jaar o.a. door wintersterfte bij kitsen (jonge reeën van minder dan een jaar oud), het verkeer en natuurlijk de jacht.

Reeënjacht

Reeën vallen onder het jachtdecreet 1 en zijn ingedeeld als “grofwild”. In Vlaanderen worden reeën bijna uitsluitend bejaagd door aanzitjacht. Jagers verschuilen zich soms urenlang in een jachthut waar reeën veelal naartoe worden gelokt met lokvoer en likstenen, meestal in de ochtend- of avondschemering wanneer de reeën het actiefst zijn. Van 1 januari tot 31 maart kunnen reegeiten en reekits (jonge reeën) worden geschoten. Bokken moeten oppassen van 1 mei tot half september. 2

Daarnaast kan er altijd en overal bestrijdingsjacht op reeën plaatsvinden, ook in gebied dat niet is ingekleurd als jachtgebied. Als er schade is kan de eigenaar van het perceel melding doen bij het Agentschap Natuur en Bos en 24 uur later een jager laten komen voor bestrijding. Dit gebeurde bijvoorbeeld in 2019 in de plantentuin in Meise: een tiental reeën werd afgeschoten omdat ze aan de rozenknopjes knabbelden. 3

Eerste hulp voor reeën dankzij VOC’s

De Vlaamse Opvangcentra voor Vogels en Wilde Dieren vangen jaarlijks honderden reeën op die gewond, verzwakt of aangereden zijn. Bij SOS wilde dieren in het Oost-Vlaamse Geraardsbergen ging het in 2024 alleen al om 90 reeën. Teams van vrijwilligers halen de dieren op en de verzorgers staan dag en nacht klaar om deze dieren de nodige intensieve zorgen toe te dienen. Voor zowel de herstellende reeën als voor de verzorgers kost het bloed, zweet en tranen om deze dieren erbovenop te krijgen.

Na een soms weken- of maandenlange revalidatie worden de reeën weer de vrije natuur in gelaten en kunnen ze vroeg of laat gedood worden door jagers die voor het plezier dieren neerknallen onder het mom van de plezierjacht.

Geen kogel, maar co-existentie is de oplossing

Animal Rights veroordeelt de jacht in al haar facetten. “We moeten streven naar co-existentie,” zegt Animal Rights. “Meer en meer mensen verzetten zich tegen de gruwel van de jacht en willen in harmonie samenleven met wilde dieren. Vlaanderen moet prioriteit geven aan ontsnippering en het creëren van veilige, robuuste natuurgebieden waar dieren vrij zijn van de bemoeienissen van de mens.” Het vermoorden van wilde dieren kan op geen enkele manier ethisch verantwoord worden.

De bladeren in het bos zijn stille getuige van de gewelddadige dood van het reekalfje

  1. Het jachtdecreet ↩︎
  2. Het jachtopeningsbesluit ↩︎
  3. Plantentuin van Meise laat reeën afschieten ↩︎

Steenmarter-paniek op Terschelling

Animal Rights en Fauna4Life hebben vernomen dat op Terschelling vangkooien zijn geplaatst voor het vangen van steenmarters. Omrop Fryslan berichtte op 28 februari 2025 dat er voor het eerst een steenmarter is gesignaleerd op Terschelling. 1 De paniek onder de lokale bestuurders is te vergelijken met die toen in 2024 de eerste ratten 2 werden gezien: één enkele ‘nieuw’ dier is meteen een ‘plaag’ en moet zo snel mogelijk dood.

Die intolerantie naar andere levende wezens toe en de obsessie om de natuur naar ‘onze’ voorkeuren in te richten, is een groot kwaad en spat van het nieuwsbericht af:
”Het zijn prachtige beesten, maar voor de weidevogels zijn ze een predator. En dat is heel kwetsbaar op Terschelling”.
“Zolang ze muizen en ratten eten is het op Terschelling niet zo’n probleem. Maar eieren en kuikens willen we niet hebben.”
”We liggen er nog niet wakker van. Maar ik hoop dat we er heel lang niks meer van horen. Het is gewoon beter als het dier gevangen wordt.”

Bij de steenmarter heeft Terschelling daar echter een probleem, want in tegenstelling tot de rat is een steenmarter een beschermde diersoort. Deze mag dus niet zonder vergunning worden verstoord, gevangen, of gedood.

Het is niet duidelijk wat er na de vangst met het individu gebeurt, mogelijk volgt de dood. Het vangen en doden van steenmarters (en andere beschermde soorten als bijvangst) is een verboden ‘flora- en fauna-activiteit’.

Artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet zegt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten.
Artikel 11.54, eerste lid, onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving zegt dat het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A.
De steenmarter staat in die bijlage.

Er is geen vergunning verleend voor het vangen en doden van steenmarters op Terschelling. Om die reden is er sprake van een overtreding.

Daarom vragen Fauna4Life en Animal Rights Gedeputeerde Staten van Fryslân om met spoed handhavend op te treden en de overtreding te doen staken, door te eisen dat de vangkooien worden verwijderd en mogelijk gevangen individuen worden vrijgelaten.

Update

In reactie op het handhavingsverzoek van Animal Rights en Fauna4Life komt de provincie Fryslan met de wat merkwaardige reactie dat er wel vangkooien zijn geplaatst, maar deze niet “op scherp staan”, dus niet dicht vallen. Er worden op dit moment dus geen steenmarters gevangen (en gedood). De vangkooien zijn, aldus de provincie, alvast neergezet omdat een (nog niet gepubliceerde) aanvraag is gedaan voor een vergunning om de steenmarter(s) te mogen vangen.

Het plaatsen van een vangkooi is in beginsel verboden. Artikel 11.72 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zegt:
1. Het is verboden zich buiten gebouwen te bevinden met een of meer van de volgende middelen of met materialen waarmee die middelen direct kunnen worden gemaakt, als moet worden aangenomen dat die middelen of materialen zullen worden gebruikt voor het doden of vangen van dieren:
(…)
e.vangkooien, met uitzondering van vangkooien geschikt en bestemd voor het vangen van verwilderde katten en verwilderde duiven binnen de bebouwde kom;

De organisaties wachten het besluit op hun handhavingsverzoek en de vergunningaanvraag af.

Op 12 maart 2025 bericht de Leeuwarder Courant 3 dat de gemeente half februari een vergunningaanvraag ingediend heeft om de steenmarter te mogen vangen en doden. Er zijn inmiddels vijf vangkooien met camera uitgezet bij Oosterend. De kastvallen heeft de gemeente laten plaatsen, zodat de steenmarter eraan kan wennen, meldt de provincie Fryslân. “Deze vallen staan niet op scherp”. Het handhavingsverzoek van Animal Rights en Fauna4Life wordt betrokken bij de vergunningaanvraag, meldt de provincie.

Op 21 maart 2025 verleende de provincie Friesland aan de gemeente Terschelling de ‘Omgevingsvergunning vangen en doden steenmarter op Terschelling’. Het vangen en doden kan vanaf 19 april worden uitgevoerd.Onder de nieuwe Omgevingswet is er eerst een wachttijd van vier weken omdat het gaat om een onomkeerbare activiteit.

Update 2

Begin 2026 vroeg Animal Rights de gemeente Terschelling of er uiteindelijk een marter gevangen en omgebracht is. Vooral omdat het er in de Noord-Nederlandse pers verdacht stil over bleef. Op 19 maart laat Terschelling het volgende aan Animal Rights weten:

“Er zijn destijds signalen binnengekomen die aanleiding gaven om mogelijke maatregelen te overwegen. Voor zover bij ons bekend is er geen melding gedaan dat er daadwerkelijk een dier is gevangen of gedood. Na de eerste meldingen zijn er geen nieuwe bevestigde waarnemingen binnengekomen. Daarbij merken we op dat twijfel bestaat of het daadwerkelijk om een steenmarter ging, omdat de beschikbare informatie beperkt en niet eenduidig was.”

Mogelijk is er dus nog steeds nooit een steenmarter op Terschelling geweest…


  1. Steenmarter zet voor het eerst voet aan wal op Terschelling: “Meerdere vangkooien gezet” ↩︎
  2. Rattenplaag op Terschelling groeit: “Waar je één rat ziet, zijn er waarschijnlijk nog tien” ↩︎
  3. Terschelling mag steenmarter nog niet vangen. ↩︎

Ook Overijssel wil reeën afslachten voor verkeersveiligheid

Nadat in Groningen, Zeeland, Drenthe en Flevoland rechters al negatief hebben geoordeeld over plannen om reeën af te schieten ter verbetering van de verkeersveiligheid, komt Overijssel met een vergelijkbaar plan.

Op 24 december 2024 besloot het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel om de Faunabeheereenheid Overijssel een omgevingsvergunning te verlenen voor populatiebeheer van reeën met gebruik van het geweer in het belang van de verkeersveiligheid en ter voorkoming van onnodig lijden. Animal Rights en Fauna4Life hebben hier bezwaar tegen gemaakt.

Op 21 januari 2025 neemt het college nog een besluit dat aan de Faunabeheereenheid Overijssel toestemming geeft voor het gebruik van de omgevingsvergunning. Een vreemde constructie, want een afzonderlijke toestemming voor het gebruik van een verleende omgevingsvergunning is in juridische zin niet nodig/mogelijk. Een reeds verleende toestemming kan immers niet ‘dubbel’ worden verleend. Dit creëert onnodige onduidelijkheid.

VoVo

In afwachting van de behandeling van deze bezwaarschriften verzoeken Fauna4Life en Animal Rights de rechtbank Overijssel om een voorlopige voorziening te treffen en de bestreden besluiten te schorsen tot zes weken nadat door het college op de bezwaren is besloten.

De stichtingen hebben een spoedeisend belang. De bestreden omgevingsvergunning treedt vier weken na de dag van bekendmaking in werking, wat betekent dat hier gebruik van mag worden gemaakt. Het doden van reeën is daarbij onomkeerbaar.

De zitting is op donderdag 6 maart in Zwolle.

Coëxistentie

Voor de 11.000 reeën is naast de 1.189.003 inwoners (2024) in de provincie blijkbaar geen plaats meer. Natuurlijk moeten verkeersongevallen worden voorkomen waar dat kan, maar dit probleem met een dergelijk gemak afschuiven op slechts één soort is geenszins redelijk en evenredig te noemen.
De verantwoordelijkheid van de diersoort mens lijkt hierin buiten beschouwing te worden gelaten. Te hard rijden en onoplettende weggebruik lijken niet in ogenschouw te worden genomen. Geconcludeerd wordt dat er geen (voldoende) effectieve maatregelen genomen kunnen worden om verkeersongevallen te voorkomen en dus wordt er naar het geweer gegrepen.

Aan dergelijke besluitvorming zijn strikte voorwaarden verbonden, welke voorwaarden de oorsprong hebben in de Habitatrichtlijn.

Andere bevredigende oplossingen

De eerste voorwaarde voor vergunningverlening is dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Alléén wanneer voldoende is aangetoond dat andere potentiële oplossingen niet bevredigend zijn, hetzij omdat het specifieke probleem daarmee niet kan worden opgelost, hetzij omdat zij bijvoorbeeld technisch niet haalbaar zijn, en wanneer ook aan de andere voorwaarden is voldaan, kan een omgevingsvergunning voor het doden van dieren worden afgegeven.

De analyse van de vraag of er geen ‘andere bevredigende oplossing’ is, bestaat uit drie delen:
(1) Wat is het probleem of de specifieke situatie die moet worden behandeld?
(2) Bestaan er andere bevredigende oplossingen?
(3) Zo ja, zullen deze het probleem of de specifieke situatie waarvoor de afwijking wordt gezocht oplossen?

Of een afwijking van de verbodsbepalingen, zijnde afschot, noodzakelijk is, dient te worden bepaald door de aanwezigheid van andere bevredigende, diervriendelijke, oplossingen en de mate waarin na het toepassen van die andere diervriendelijke oplossingen nog sprake is van een ‘resterend probleem’.

Overijssel voldoet hier niet aan. Zo ontbreekt een toelichting op welke andere alternatieve oplossingen, buiten afschot en het aanbrengen van wildwaarschuwingssystemen op slechts een viertal locaties, reeds daadwerkelijk zijn uitgevoerd en wat daarvan het effect was.

Enkel van een beperkt aantal andere oplossingen wordt een korte toelichting gegeven over waarom deze maatregel niet bevredigend zou zijn. Daarbij wordt de algemene opmerking gemaakt dat genoemde alternatieven niet overal toepasbaar zijn, maar veelal wordt verwezen naar de hoge kosten daarvan.

Ondanks het grote scala aan beschikbare ‘andere bevredigende oplossingen’ is het college overgegaan tot vergunningverlening voor afschot. De stichtingen zien hierin een belangrijke inbreuk op het van toepassing zijnde wettelijke kader.

Al met al blijkt uit het bestreden besluit dat het college niet concreet en toereikend heeft gemotiveerd waarom verschillende andere oplossingen niet of niet afdoende bevredigend (zullen) werken om de aanrijdingen met reeën te voorkomen.

Er wordt geen (duidelijk) onderscheid gemaakt tussen aan de ‘specifieke locaties’ verbonden problematieken en er wordt op geen enkele manier duidelijk gemaakt wat, na het inzetten van probleem verminderende ‘deeloplossingen’, het ‘resterende probleem’ op deze locaties is waarvoor een afwijking van de verbodsbepalingen (zijnde afschot van reeën) nodig is.

’Afschot van reeën’ biedt geen bevredigende oplossing

In het bestreden besluit gaat het college er ‘blind’ vanuit dat het afschot leidt tot lagere aantallen reeën, ofwel dat het afschot voorkomt dat de populatie verder groeit en het aantal aanrijdingen daarmee wordt beperkt. Dat is echter op geen enkele manier aangetoond.

In een tabel in het besluit is te zien dat het aantal aanrijdingen is toegenomen, ondanks het uitgevoerde afschot de afgelopen jaren. Het aantal geschoten dieren is bovendien ook toegenomen. Dit toont volgens de stichtingen vooral aan dat het afschot geen enkele bijdrage levert aan het verminderen van het aantal aanrijdingen c.q. dat het belang van de verkeersveiligheid niet wordt gediend met afschot van reeën.

Uit het in het besluit aangehaalde rapport van Groot Bruinderink, ‘Factoren bij aanrijdingen met wilde hoefdieren op de Veluwe’, blijkt niet dat afschot van reeën lijdt tot het verbeteren van de verkeersveiligheid wat betreft aanrijdingen met reeën. In tegendeel, in het bewuste rapport staat dat in het duister wordt getast over het precieze effect van afschot op dichtheid.

In het bestreden besluit is door het college geenszins onderbouwd dat afschot van reeën wél het gewenste effect zou hebben op het aantal aanrijdingen in Overijssel en bijdraagt aan het verbeteren van de verkeersveiligheid.

Noodzaak?

De aanwezigheid van een wettelijk belang is de tweede voorwaarde waaraan moet worden voldaan om toestemming te kunnen verlenen voor een afwijking van een verbodsbepaling (op het doodschieten van onschuldige wilde dieren), zoals gedaan in het bestreden besluit.

Aan de bestreden omgevingsvergunning is “het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten” ten grondslag gelegd met de focus op de verkeersveiligheid. De stichtingen stellen in dit kader dat onvoldoende is onderbouwd waarom er sprake is van een dusdanig gevaar voor de verkeersveiligheid (openbare veiligheid/ volksgezondheid) dat daarmee het doden van reeën binnen de gehele provincie Overijssel gerechtvaardigd is.

Het aangedragen belang ziet op situaties waarin de veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht of risico’s ontstaan voor de veiligheid van de omgeving. Deze voorwaarde wordt aangemerkt als dwingende reden van groot openbaar belang.

Het college had met voldoende bewijs moeten aantonen dat er een verband bestaat tussen het effect van de te verlenen omgevingsvergunning en de genoemde doelstellingen van groot openbaar belang. Met andere woorden, in het bestreden besluit is onvoldoende onderbouwd dat het doden van reeën bijdraagt aan de openbare veiligheid of het algemeen belang.

Als afschot een effectief middel zou zijn om aanrijdingen te verminderen, dan zou naar verwachting het aantal aanrijdingen dalen na een stijging van het afschot, maar dat is in de meegeleverde grafieken niet zichtbaar.

In ieder geval blijkt uit deze data geen duidelijk bewijs dat verhoogd afschot leidt tot minder aanrijdingen en dus dat de verkeersveiligheid (volksgezondheid/ openbare veiligheid) wordt gediend met afschot.

Ook deze provincie tracht een valwildpercentage te koppelen aan de conclusie dat het doden van reeën bijdraagt aan de verkeersveiligheid. Het valwildpercentage is een zeer arbitraire grens die bovendien op drijfzand is gebaseerd; 8% aanrijdingen zegt niets over de verkeersveiligheid.
Het valwildpercentage is gebaseerd op enerzijds een hard cijfer, te weten het aantal aanrijdingen en anderzijds op het aantal reeën, terwijl het onmogelijk is om een exact aantal te bepalen en op zijn hoogst een grove schatting kan worden gemaakt. Het is niet mogelijk om op basis van een grove schatting een percentage te berekenen en daar een gevaar uit te destilleren. Bovendien worden de tellingen gedaan door de reeënjagers zelf, ofwel direct belanghebbenden. Verder geldt dat het tellen van reeën in beboste gebieden totaal onmogelijk is.

De stichtingen stellen verder dat het college niet heeft onderbouwd hoe het aangehouden percentage van 8% tot stand is gekomen en waaruit blijkt dat bij een valwildpercentage van hoger dan 8% sprake is van een gevaar voor de verkeersveiligheid.

In conclusie stellen de stichtingen dat het belang waarop een beroep wordt gedaan overtuigend moet worden aangetoond. Hiervoor is van belang dat onderzoeksrapporten actueel zijn, onderzoeksresultaten gedetailleerd moeten zijn en inzicht moet worden geboden in de onderzoeksgegevens die aan de resultaten ten grondslag hebben gelegen. Verder is het van belang dat ondubbelzinnig dient vast te staan dat het belang zwaarder weegt dan het belang van de bescherming van de betrokken soort.

Waar het volgens de stichtingen in het onderhavige voornamelijk om lijkt te gaan is om een financieel belang, gelegen in de in het bestreden besluit genoemde materiële schade aan betrokken voertuigen. Dit kan echter niet onder de noemer ‘volksgezondheid en verkeersveiligheid’ worden weggeschreven.

‘Voorkomen onnodig lijden van dieren’

Naast het belang ‘veiligheid’ zou sprake zijn van het belang ‘voorkomen onnodig lijden van dieren’. Ter onderbouwing van dit belang is de navolgende passage in het bestreden besluit opgenomen. “Door aanrijding verwonde reeën verdwijnen in het bos, lijden en gaan dood. In ons Kader Faunabeheerplan staat dat een beoogd resultaat van beheer het voorkomen van onnodig lijden van reeën moet zijn.”

Met het belang ‘voorkomen van onnodig lijden’ wordt echter bedoeld dat toestemming kan worden verleend om dieren die al ziek of gebrekkig zijn uit hun lijden te verlossen. Het is niet de bedoeling van de wetgever om op die grond gezonde dieren te doden. Dat is wel wat in het onderhavige geval met het bestreden besluit wordt toegestaan. De stichtingen achten het absurd en in strijd met de wet om bij voorbaat gezonde dieren op willekeurige basis af te schieten om zo te voorkomen dat deze eventueel zouden kunnen worden aangereden en daardoor onnodig zouden lijden.

Dit is volgens de stichtingen geen werkwijze die in lijn is met de geest en gedachte van de wetgeving omtrent soortenbescherming en de daaronder liggende Europese richtlijnen. Gehandeld moet worden vanuit de intrinsieke waarde van de dieren in kwestie, zijnde dat specifieke verkeersslachtoffers (de ree in kwestie) gepaste hulp moet worden geboden op het moment dat die hulp nodig is. Wat volgens de stichtingen overigens betekent dat een deskundig dierenarts wordt ingeschakeld in plaats van een jager.

De omgevingsvergunning is op voorhand verleend

Een vergunning voor een flora- en fauna- activiteit kan slechts worden verleend nadat aan alle voorwaarden is voldaan. Dat houdt in dat vóór besluitvorming vast dient te staan of in de specifieke situaties waarvoor de vergunning is verleend het doden van een ree volgens de beste relevante kennis nodig is.

Dit houdt in dat het college zelf dient te beoordelen of het doden van reeën nodig is, gelet op een wettelijk belang, of er geen andere bevredigende oplossing is dan het doden van reeën en of een omgevingsvergunning afbreuk zou doen aan de gunstige staat van instandhouding.
Deze beoordeling kan niet worden veralgemeniseerd en ook niet worden uitbesteed aan de faunabeheereenheid of (andere) uitvoerders.

Met het bestreden besluit wordt het afschot al op voorhand toegestaan op basis van nog op te stellen werkplannen. De onderbouwing van de omgevingsvergunning wordt daarmee pas achteraf aangeleverd. Deze gang van zaken is in strijd met het van toepassing zijnde wettelijke kader.

Slotsom

Animal Rights en Fauna4Life stellen dat het college ten onrechte is overgegaan tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor afschot van reeën in de provincie Overijssel. De noodzaak van het afschot is onvoldoende onderbouwd.
Tevens ligt aan het bestreden besluit ten onrechte geen deugdelijke afweging van andere bevredigende oplossingen ten grondslag en is niet aangetoond dat het afschot daadwerkelijk bijdraagt aan een verhoging/verbetering van de verkeersveiligheid.

Update

Teleurstellend genoeg laat de voorzieningenrechter in Zwolle de massaslachting van reeën in Overijssel voorlopig doorgaan. Ze gaat daarmee in tegen het oordeel van haar collega’s bij de rechtbanken Noord- en Midden-Nederland en Zeeland-West-Brabant. Ze stelt in de uitspraak van 17 maart 2025 dat de provincie Overijssel het verband tussen het afschieten van reeën en de verkeersveiligheid wél heeft aangetoond. Ze verwijst daarvoor naar de gegevens van 32 wildbeheereenheden in de provincie, waarvan ze op de zitting zelf aangaf dat ze de honderden pagina’s niet had gelezen.

Dit houdt in dat de provincie het bezwaar van Animal Rights en Fauna4Life zal moeten behandelen. De uitkomst staat vast want de jagers schrijven het moordplan en de handtekening van de provincie is slechts een formaliteit. Vervolgens zullen de stichtingen in beroep gaan. Ondertussen zijn de reeën hiervan de dupe.

Zoals verwacht wijst Overijssel de bezwaren af (28 mei 2025). Animal Rights en Fauna4Life gaan hiertegen op 8 juli in beroep en dienen op 6 augustus de gronden in. De organisaties blijven van mening dat er andere bevredigende oplossingen bestaan; dat het afschot van reeën’ geen bevredigende oplossing biedt; en dat niet voldoende is onderbouwd dat er sprake is van een reëel gevaar voor de openbare veiligheid of het algemeen belang.

Op 24 april 2026 verklaart de Rechtbank Overijssel het beroep ongegrond. Animal Rights en Fauna4Life zijn van mening dat de uitspraak aan alle kanten rammelt en gaan in hoger beroep. Op 17 augustus dienen de stichtingen de gronden van dat hoger beroep in.