Het Europese Hof over de staat van instandhouding van de wolf

Op 12 juni 2025 deed het Europese Hof van Justitie opnieuw uitspraak in een wolvenvraagstuk, deze keer uit Estland. Het gaat hier niet om een eindoordeel in een bepaalde rechtszaak, maar om een, zogenaamde prejudiciële beslissing of arrest, waarin een vraag over de uitleg die moet worden gegeven aan artikelen uit Europese richtlijnen wordt beantwoord.
In samenhang met de Spaanse en Oostenrijkse arresten van 2024 en eerdere Finse en Roemeense zaken wordt in dit Estse arrest, onder andere, het begrip ‘staat van instandhouding’ steeds concreter gedefinieerd.

Een ‘gunstige staat van instandhouding’ is, samen met een ‘noodzaak’ en het ontbreken van ‘andere bevredigende oplossingen’ – cumulatief dus – een voorwaarde om tot het afschieten van een wolf of wolven te kunnen overgaan. Dit is de reden dat demissionair BBB-staatssecretaris Rummenie van LVVN onderzoek laat doen naar de ‘staat van instandhouding’ van de door hem en zijn partij verafschuwde wolven in Nederland.
Vandaar dat deze ‘arresten’ van groot belang zijn.

Het Estse arrest van 12 juni 2024 in zaak C-629/23

Estland schiet al jaren wolven af. In het actieplan voor de periode 2012-2021 werd de staat van instandhouding van de wolf in Estland als gunstig beschouwd. In het actieplan voor de daaropvolgende periode 2022‑2031, echter, werd de Baltische wolvenpopulatie weliswaar geacht te vallen in de categorie ‘niet bedreigd’ (least concern) van de Rode Lijst van de IUCN, maar de Estse populatie werd als ‘kwetsbaar’ (vulnerable) aangemerkt en zelfs als ‘bedreigd’ (endangered) indien geen rekening wordt gehouden met naburige populaties. Dat riep vragen op die werden voorgelegd aan de Europese rechter.

De Estlandse wolven vallen onder bijlage V, de ‘gewone’ bescherming en niet de ‘strikte’ van bijlage IV. Eventueel ‘beheer’ moet verenigbaar zijn met het behoud van een gunstige staat van instandhouding van de soorten in die bijlage.

Wanneer een diersoort zich in een ongunstige staat van instandhouding bevindt, moeten maatregelen worden genomen om de staat van instandhouding van de betrokken soort zodanig te verbeteren dat de populaties ervan in de toekomst en op duurzame wijze in een gunstige staat worden gehouden.

Bij de beoordeling van de staat van instandhouding van een soort en van de geschiktheid van de maatregelen moet onder meer rekening worden gehouden met de meest recente wetenschappelijke gegevens.

Wanneer, overeenkomstig het voorzorgsbeginsel, na onderzoek van de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens onzekerheid blijft bestaan ​​over de vraag of de ‘beheer’ van een soort verenigbaar is met het behoud van die soort in een gunstige staat van instandhouding, moet de betrokken lidstaat afzien van het verlenen van een vergunning voor ‘beheer’.

Het begrip ‘staat van instandhouding van een soort’ wordt in de Habitatrichtlijn gedefinieerd als de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en die op lange termijn van invloed kunnen zijn op de verspreiding en de omvang van de populaties ervan binnen het EU grondgebied.

Een staat van instandhouding wordt als gunstig beschouwd indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moeten populatie-dynamische gegevens over de betrokken soort aantonen dat deze zich op lange termijn als een levensvatbaar onderdeel van zijn natuurlijke habitat handhaaft. Ten tweede mag het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner worden en ook in de nabije toekomst waarschijnlijk niet kleiner worden. Ten derde is het noodzakelijk dat er een voldoende grote habitat is en waarschijnlijk zal blijven om de populaties ervan op lange termijn in stand te houden.

Hoewel de gegevens, criteria en beoordelingen die hebben geleid tot de indeling van een soort op de Rode Lijst van de IUCN waarschijnlijk deel uitmaken van de wetenschappelijke gegevens die de betrokken lidstaat in aanmerking moet nemen voor zijn eigen beoordeling, sluit de indeling van een soort op de Rode Lijst van de IUCN, en meer specifiek in de categorie ‘kwetsbaar’ van die lijst op nationaal niveau, als zodanig niet uit dat de staat van instandhouding van die soort op het grondgebied van de betrokken lidstaat nog steeds als gunstig wordt beschouwd indien aan de drie cumulatieve voorwaarden van de Habitatrichtlijn is voldaan.

Die gunstige staat van instandhouding moet in de eerste plaats en noodzakelijkerwijs bestaan ​​en worden beoordeeld op lokaal en nationaal niveau, zodat een ongunstige staat van instandhouding op het grondgebied van een lidstaat of een deel daarvan niet wordt verhuld door het effect van een uitsluitend grensoverschrijdende beoordeling waaruit zou blijken dat die soort zich in een gunstige staat van instandhouding bevindt.

Om te bepalen of de staat van instandhouding van een soort op het grondgebied van een lidstaat gunstig is, kunnen gegevens betreffende de populaties van die soort in andere lidstaten of in derde landen relevant zijn, mits er uitwisselingen tussen die populaties plaatsvinden. Deze uitwisselingen kunnen immers een invloed op de soort hebben die op lange termijn de verspreiding en de omvang van die populatie binnen dat grondgebied kan beïnvloeden.

Dergelijke uitwisselingen kunnen met name het verlies van exemplaren van een soort door immigratie compenseren of, daarentegen, door emigratie de excessieve groei van de populatie van die soort in de betrokken lidstaat verzachten. Bovendien kunnen dergelijke uitwisselingen de genetische variatie van die populatie vergroten.

Die uitwisselingen kunnen zelfs een essentiële voorwaarde zijn voor het behoud van populaties die aanwezig zijn in relatief kleine lidstaten, hetgeen betekent dat de natuurlijke habitat die de soort daar kan vinden te klein is voor een levensvatbare populatie. In een dergelijk geval kan de betrokken soort haar voortbestaan ​​in een dergelijke lidstaat alleen garanderen indien haar populatie, die niet levensvatbaar zou zijn indien zij geïsoleerd zou blijven, voortdurend uitwisselingen onderhoudt met populaties van dezelfde soort die aanwezig zijn in aangrenzende lidstaten of derde landen. Door rekening te houden met deze uitwisselingen kan vervolgens worden vastgesteld dat aan de drie cumulatieve voorwaarden voor een gunstige staat van instandhouding is voldaan wat betreft die populatie.

Indien de staat van instandhouding van een soort niet gunstig is in een lidstaat tot wiens grondgebied het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort zich, althans potentieel, uitstrekt, kan die soort daar zijn ecologische functie niet vervullen, althans niet in zijn volle omvang, zelfs niet indien de in die lidstaat aanwezige populatie van de betrokken soort deel uitmaakt van een populatie waarvan de staat van instandhouding gunstig is.

Economische, sociale en culturele vereisten en regionale en lokale bijzonderheden die de situatie van een lidstaat kenmerken, kunnen relevant zijn om vast te stellen of de staat van instandhouding van een op zijn grondgebied aanwezige soort al dan niet gunstig is. Maar kunnen niet worden ingeroepen om af te wijken van de verplichting om ervoor te zorgen dat het onttrekken van specimens van een soort aan de natuur en de exploitatie ervan verenigbaar zijn met het behoud van die soort in een gunstige staat van instandhouding. De staat van instandhouding van die soort kan niet als gunstig worden beschouwd op grond van die vereisten en kenmerken, indien niet is voldaan aan de drie cumulatieve voorwaarden.

Het Spaanse arrest van 29 juli in zaak C-436/22

In Spanje besloot de autonome provincie Castilië en León de jacht te openen op wolven. In dit deel van Spanje, boven de rivier de Duero, wordt de wolf conform bijlage V van de Habitatrichtlijn beschermd, terwijl de wolf in de rest van Spanje onder de strikte bescherming van bijlage IV valt. Echter, in heel Spanje is de soort in een ongunstige staat van instandhouding.

Het Europese Hof van Justitie oordeelde: 
”Artikel 14 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van de Raad van 13 mei 2013, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de wolf wordt aangewezen als soort waarvan de specimens kunnen worden bejaagd op een deel van het grondgebied van deze lidstaat waar de wolf niet onder de strikte bescherming van artikel 12, lid 1, van deze richtlijn valt, hoewel de staat van instandhouding van deze soort in die lidstaat als ‘ongunstig-ontoereikend’ wordt aangemerkt.”

Het Hof oordeelt dus dat er een verplichting is om soorten die op grond van de Habitatrichtlijn worden beschermd in een gunstige staat van instandhouding te brengen, of ze nu op bijlage IV of V staan: 
”Krachtens het in artikel 191, lid 2, VWEU verankerde voorzorgsbeginsel moet de betrokken lidstaat zich er immers van onthouden dergelijke activiteiten toe te staan indien het onderzoek van de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens onzekerheid laat bestaan over de vraag of de exploitatie van een soort van communautair belang verenigbaar is met de handhaving van deze soort in een gunstige staat van instandhouding.”

Het Oostenrijkse arrest van 11 juli 2024 in zaak C-601/22

Tussen 29 juli en 31 oktober 2022 stond het provinciebestuur van Oostenrijks Tirol toe dat getracht werd een wolf die zo’n 20 schapen had gedood af te schieten. Het ging hier om onbeschermde schapen op alpenweiden. Diverse dierenbelangenorganisaties stapten naar de rechter. Het Landesverwaltungsgericht Tirol, de regionale bestuursrechtbank, vroeg vervolgens het Europese Hof van Justitie om advies. Op 11 juli 2024 volgde het arrest van het Hof. Het afschieten van de wolf mislukte, overigens.

Het Hof van Justitie stelt dat hun onderzoek geen enkele factor aan het licht heeft gebracht die de geldigheid van de strikte bescherming van wolven in Oostenrijk zou kunnen aantasten.

De Oostenrijkse autoriteiten moeten om af te kunnen wijken van het verbod op wolvenjacht om ernstige schade aan bijvoorbeeld de veehouderij te voorkomen, ervoor zorgen dat aan de diverse voorwaarden wordt voldaan. Een van de belangrijkste daarvan is de gunstige staat van instandhouding: 
Artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn moet aldus worden uitgelegd ”dat de daarin opgenomen voorwaarde dat de krachtens deze bepaling toegestane afwijking geen afbreuk mag doen aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, enkel kan worden beoordeeld aan de hand van de beschikbare gegevens op het niveau van de ruimere, grensoverschrijdende biogeografische regio wanneer eerst is vastgesteld dat deze afwijking geen afbreuk doet aan het behoud van een dergelijke gunstige staat van instandhouding op het lokale en nationale niveau van de betrokken lidstaat.”

”Daarnaast moet ook worden benadrukt dat, overeenkomstig het voorzorgsbeginsel van artikel 191, lid 2, VWEU, de lidstaat, indien het onderzoek van de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens onzekerheid laat bestaan over de vraag of een dergelijke afwijking al dan niet schadelijk is voor de instandhouding of het herstel van de populaties van een met uitsterven bedreigde soort in een gunstige staat van instandhouding, zich ervan dient te onthouden deze vast te stellen of uit te voeren.”

Bij een eventuele afwijking van de strikte bescherming hoeft geen rekening te worden gehouden met indirecte toekomstige schade en het moet gericht zijn op een specifiek dier: 
Artikel 16, lid 1, onder b), van de habitatrichtlijn moet aldus worden uitgelegd ”dat het begrip ‘ernstige schade’ in die bepaling geen indirecte toekomstige schade omvat die niet kan worden toegeschreven aan het specifieke dier waarvoor krachtens die bepaling een afwijking is toegestaan.”

De kosten van ‘andere bevredigende oplossingen’ zijn geen beslissende factor: 
Artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn moet aldus worden uitgelegd ”dat de bevoegde nationale autoriteiten, bij de vaststelling of er een ‘andere bevredigende oplossing’ in de zin van deze bepaling bestaat, de andere mogelijke oplossingen moeten beoordelen op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke en technische kennis, en met name daarbij de economische gevolgen ervan in aanmerking moeten nemen, zonder dat deze evenwel beslissend zijn, door deze af te wegen tegen de algemene doelstelling om de betrokken diersoort in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.”

”Het kan immers niet worden aanvaard dat een andere bevredigende oplossing bij voorbaat kan worden afgewezen op de enkele grond dat de economische kosten van uitvoering ervan bijzonder hoog zijn.”

Waar mogelijk moeten maatregelen genomen worden om de menselijke praktijken die aanleiding geven tot conflicten aan te passen om een cultuur van co-existentie tussen de wolvenpopulatie, de kuddes en de veehouders te verwezenlijken.

De ”evenredigheid van de alternatieve maatregel qua economische kosten moet worden beoordeeld in het licht van de verplichtingen van de lidstaten om uit hoofde van artikel 12 van de habitatrichtlijn systematische maatregelen en beheersplannen op te stellen die noodzakelijk zijn voor de strikte bescherming van de betrokken diersoort, waarvoor met name op het niveau van de Unie financieringsprogramma’s kunnen worden opgezet. De uitvoering van die programma’s en beheersplannen kan met name leiden tot aanpassingen van de betrokken landbouwactiviteiten […], die noodzakelijkerwijs gepaard gaan met bepaalde kosten en die – gezien de […] doelstellingen van de habitatrichtlijn om de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen – geen voldoende grond kunnen vormen om op grond van artikel 16, lid 1, onder b), van de habitatrichtlijn af te wijken van de verbodsbepalingen van artikel 12 van deze richtlijn”.

Het Roemeense arrest van 11 juni 2020 in zaak C-88/19

Șimon is een Roemeens dorp dat behoort tot de gemeente Bran en gelegen is in het district Brașov.  Op de avond van 6 november 2016 was personeel van dierenbeschermingsorganisatie DMPA samen met een dierenarts naar Șimon gegaan om een wolf te vangen en te verplaatsen, die zich sinds enige dagen op het terrein van een lokale bewoner ophield en samen met de honden van deze bewoner at en speelde. De wolf werd verdoofd met een geweer, na observatie bij staart en nekvel van de grond opgetild, naar een voertuig gebracht en vervolgens in een kooi voor hondenvervoer gelegd.
DMPA wilde de gevangen wolf naar het berenreservaat Libearty van Zărnești brengen, dat ook over een omheind verblijf beschikt waar wolven leven die uit dierentuinen zonder vergunning zijn gered. De wolf kon tijdens het transport echter uit de kooi breken en heeft zijn toevlucht gezocht in de plaatselijke bossen.
Op 9 mei 2017 heeft Alianța pentru combaterea abuzurilor een strafklacht ingediend wegens inbreuken in verband met het vangen en vervoeren in slechte omstandigheden van een wolf. Uit deze klacht blijkt dat er geen toestemming is gevraagd om de wolf te vangen en vervoeren.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient voor de uitleg van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.

De door artikel 12, lid 1, van de habitatrichtlijn geboden bescherming kent geen beperkingen of grenzen en er kan dus niet kan worden aangenomen dat een in het wild levend specimen van een beschermde diersoort dat in de buurt van of binnen door de mens bewoonde gebieden wordt aangetroffen, door dergelijke gebieden trekt of zich voedt met door de mens gecreëerde hulpbronnen, een dier is dat zijn ‘natuurlijke verspreidingsgebied’ heeft verlaten, of dat dit gebied geen menselijke nederzettingen of door de mens tot stand gebrachte elementen kan omvatten.

De definitie van het begrip ‘verspreidingsgebied’ van een soort slaat op de door deze soort doorkruiste gebieden van om het even welke aard.

Het staat buiten kijf dat de verbodsbepalingen van de habitatrichtlijn van toepassing zijn op alle specimens van beschermde diersoorten, ongeacht de plaats waar zij zich ophouden.

Bijgevolg kan de vangst en het vervoer van een specimen van een beschermde diersoort die onder de verbodsbepalingen van de habitatrichtlijn valt, slechts worden gerechtvaardigd indien de bevoegde nationale instantie daarvoor een afwijking heeft vastgesteld, die met name is gebaseerd op redenen van openbare veiligheid.

Artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn vereist verder uitdrukkelijk dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat de toegestane afwijking geen afbreuk doet aan het streven om de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Het Finse arrest van 10 oktober 2019 in zaak C-674/17

Met twee besluiten van 18 december 2015 stond het Finse ‘Wildcentrum’ toe om in januari en februari 2016 in de regio Noord-Savo in totaal zeven wolven af te schieten, omdat de wolven honden doodden en de lokale bevolking ‘bezorgd’ was. 
Finland wil wolven die ‘overlast’ veroorzaken af kunnen maken om de bevolking tevreden te houden en zo, theoretisch, het illegaal doden van wolven voorkomen.

Tapiola, een Finse milieubeschermingsvereniging, stelde tegen die twee besluiten van het ‘Wildcentrum’ beroep in.

De hoogste bestuursrechter van Finland (Korkein hallinto-oikeus) deed bij het Europese Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitleg van artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn.

Artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn bepaalt dat wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, de lidstaten mogen afwijken van het bepaalde in, onder andere, artikel 12. 
Het gaat in deze zaak met name om afwijkingsgrond e) ”teneinde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van bepaalde specimens van de in bijlage IV genoemde soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben.”

Artikel 12, lid 1, van die richtlijn bepaalt onder a) dat de lidstaten maatregelen treffen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, punt a), vermelde diersoorten, waaronder de wolf, in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten.
De verwijzende Finse rechter vroeg zich met name af of de staat van instandhouding van een soort, met het oog op de verlening van een dergelijke afwijking moet worden beoordeeld voor dat gebied of voor het gehele grondgebied van de lidstaat. 
Hij vroeg zich voorts af in hoeverre dergelijke afwijkingen kunnen worden gerechtvaardigd door de vermindering van de illegale jacht. 
De verwijzende rechter wenste ook opheldering te verkrijgen over de gevolgen van de problemen bij het toezicht op de illegale jacht, in het kader van de analyse of er een bevredigend alternatief bestaat voor het doden van wolven. 
Ten slotte wenst de verwijzende rechter te vernemen of de wens om schade aan honden te voorkomen en het algemene gevoel van veiligheid van de in het betrokken gebied wonende bevolking te vergroten, redenen zijn die de toepassing van die afwijking kunnen rechtvaardigen.

De verwijzende rechter zette zelf al uiteen dat er geen enkel wetenschappelijk bewijs is dat de legale jacht de illegale jacht zozeer terugdringt dat de legale jacht over het algemeen beschouwd een positief effect heeft op de staat van instandhouding van de wolf. 
De Finse autoriteiten slagen er dus niet in aan te tonen dat het afschot geschikt is om die doelstelling te bereiken.

Het loutere bestaan van een illegale activiteit zoals de illegale jacht of de problemen die zich bij handhaving daartegen voordoen, kunnen niet volstaan om een lidstaat vrij te stellen van zijn verplichting om de bescherming van beschermde soorten te waarborgen. In een dergelijke situatie is het de plicht van de lidstaat bij voorrang te zorgen voor een strikt en doeltreffend toezicht op deze illegale activiteit en alle middelen in te zetten zonder overtreding van verbodsbepalingen. 
Er is daarom niet naar behoren aangetoond dat de doelstelling die de Finse autoriteiten nastreven niet kan worden bereikt door een andere bevredigende oplossing.

Uit cijfers blijkt dat in Finland in het jachtseizoen 2015‑2016 op grond van afwijkingen in het kader van de beheersjacht die zijn toegestaan op grond van de nationale regeling, 43 of 44 wolven zijn gedood, waarvan de helft voortplantende specimens waren, op een populatie van in totaal tussen de 275 en 310 specimens op nationaal niveau. Zo zou ten gevolge van de beheersjacht bijna 15 % van de totale wolvenpopulatie in Finland zijn gedood, waaronder veel voortplantende individuen. Voorts is het jaarlijkse aantal illegale vangsten in het beheersplan geschat op ongeveer 30 specimens per jaar. 
Het kan daarom worden betwijfeld dat de bestreden besluiten geen schade zullen toebrengen aan het behoud, in een gunstige staat van instandhouding, van de populaties van de wolf in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Het Hof oordeelde verder dat er bij het toestaan van het afschot geen beoordeling geweest is van de staat van instandhouding van de populaties van de betrokken soort en van de impact die de beoogde afwijking daarop kan hebben, op het niveau van het grondgebied van die lidstaat of, in voorkomend geval, op het niveau van de betrokken biogeografische regio.

Als laatste punt stelt het Hof dat niet is voldaan aan de voorwaarden dat op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt en vastgesteld aantal wolven wordt gevangen onder strikt gecontroleerde omstandigheden, van welke voorwaarden de naleving moet worden vastgesteld, met name met betrekking tot de populatie, de staat van instandhouding en de biologische kenmerken.

Laatste nieuws over dierproefvrije alternatieven!

Animal Rights gelooft sterk dat een dierproefvrije toekomst nabij is. Elke maand zetten we de nieuwste ontwikkelingen op een rij, zodat je op de hoogte blijft van baanbrekende technologieën die dierproeven kunnen vervangen. Hieronder bespreken we veelbelovende innovaties die er voor ons uitspringen.

Maart 2025

Een lymfeklier-chip’ die het menselijk immuunsysteem nabootst

Veel ziektes, zoals reuma en ernstige infecties, worden beïnvloed door het immuunsysteem. Tot nu toe waren er geen goede laboratoriummodellen om de complexe werking van menselijke lymfeklieren te bestuderen. Maar dankzij het werk van Yunhao Zhai aan het Wyss Instituut van Harvard is daar verandering in gekomen. 1

Hij ontwikkelde een ‘Lymph Node Organ Chip’, een chip gebaseerd op menselijke cellen die functioneert als een mini-lymfeklier. Dit systeem maakt het mogelijk om medicijnen te testen op hun effect op het immuunsysteem, zonder dat er proefdieren nodig zijn. Een belangrijk voordeel is dat onderzoekers zelfs chips kunnen maken met cellen van individuele patiënten, waardoor therapieën beter afgestemd kunnen worden op de persoon zelf.

Omics-technologie voor hyperinflammatie

Een te sterke immuunreactie, ook wel hyperinflammatie genoemd, speelt een rol bij aandoeningen zoals ernstige COVID-19 en auto-immuunziekten. Nieuwe ‘omics’-technologieën, die de menselijke genen bestuderen, zoals genomics en proteomics, helpen wetenschappers om beter te begrijpen hoe ontstekingsreacties ontstaan en hoe ze behandeld kunnen worden. 2

Door het analyseren van grote hoeveelheden data met kunstmatige intelligentie, kunnen onderzoekers nu gepersonaliseerde behandelingen ontwikkelen. Dit zorgt niet alleen voor effectievere therapieën, maar ook voor minder dierproeven bij medicijnontwikkeling.

Lymfoom-op-een-chip

Onderzoekers van de Technische Universiteit Eindhoven hebben een innovatief ‘lymfoom-op-een-chip’-model ontwikkeld om de meest voorkomende agressieve vorm van non-Hodgkin lymfoom, diffuse large B-cell lymphoma (DLBCL), beter te begrijpen. 3 Dit type kanker is vaak resistent tegen bestaande therapieën en diermodellen blijken de ziekte onvoldoende na te bootsen.

Het nieuwe organ-on-a-chip-model vormt een nauwkeuriger weergave van de micro-omgeving van lymfeklieren door gebruik te maken van menselijke lymfekliercellen, zoals fibroblasten en lymfatische endotheelcellen. Dit geavanceerde model laat zien hoe fibroblasten bijdragen aan het overleven en migreren van lymfoomcellen. Daarnaast toont het aan dat tumorcellen de doorlaatbaarheid van lymfevaten verhogen, wat een cruciale rol speelt in de verspreiding van kanker. Dit ‘organ-on-a-chip’-model biedt een realistische weergave van de ziekte en kan helpen bij het ontwikkelen en testen van nieuwe, effectievere behandelingen zonder dierproeven.

April 2025

Diervrije technologie in de lift!

Uit het jaarlijkse statusrapport van ECVAM 4 – het Europese referentielaboratorium voor alternatieven voor dierproeven – blijkt dat de markt voor biotechnologie snel groeit, met zo’n 18% per jaar. Volgens het rapport komt dat deels doordat innovatieve technologieën, zoals organen-op-een-chip en computersimulaties, steeds breder beschikbaar en betrouwbaarder worden. Echter blijft validatie en standaardisering van nieuwe technologieen nog een struikelblok, waarin met name overheden een belangrijke rol spelen.

AI in medicijnontwikkeling

Een artikel in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift Nature5 beschrijft hoe AI mogelijk een revolutie teweegbrengt in de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Traditioneel is dat een langdurig en duur proces, waar talloze dieren voor worden opgeofferd. AI kan helpen door sneller verbanden te leggen in enorme hoeveelheden data en zo veelbelovende stoffen sneller te identificeren. Maar er zijn ook uitdagingen. Eén groot probleem is dat negatieve onderzoeksresultaten zelden gepubliceerd worden. Daardoor ziet AI vooral ‘mooie’ gegevens, en mist het cruciale informatie over wat níet werkt. Voor betrouwbare AI-toepassingen is dus niet alleen goede technologie nodig, maar ook transparantie en standaardisatie in het opzetten en delen van onderzoek.

Standaardisering van organs-on-a-chip

Organ-on-a-chip (OoC) technologie is een veelbelovend alternatief voor dierproeven. Het gaat hierbij om kleine chips waarin menselijke cellen groeien die samen de functie van bijvoorbeeld een lever, hart of long nabootsen. Wetenschappers kunnen hierop zien hoe een ziekte zich ontwikkelt en hoe medicijnen daarop reageren – zonder een proefdier aan te raken. In januari publiceerde het Joint Research Centre van de EU een routekaart om de standaardisatie van deze technologie te versnellen6. Uniforme normen zijn cruciaal om ervoor te zorgen dat gebruikte chips betrouwbaar en effectief zijn. Alleen dan kan deze technologie breed ingezet worden, bijvoorbeeld om gepersonaliseerde behandelingen te testen op een ‘chipversie’ van de patiënt zelf.

Nieuw OoC-laboratorium in Londen

In februari opende de Queen Mary University of London officieel een van de grootste organ-on-a-chip faciliteiten van Europa7. In dit gloednieuwe onderzoekscentrum wordt niet alleen gewerkt aan medische doorbraken, maar worden ook jonge wetenschappers opgeleid in deze technologie. Het centrum speelt daarmee een sleutelrol in de overgang naar dierproefvrije wetenschap in Europa.

Juni 2025

Een kloppend hart, zonder dierenleed

Bij het Texas Heart Institute bouwen wetenschappers aan een baanbrekend project: een bioartificieel hart, gemaakt van lichaamseigen cellen van de patiënt.8 Hiervoor gebruiken ze zogeheten geïnduceerde pluripotente stamcellen – volwassen cellen die worden “teruggeprogrammeerd” naar een stamceltoestand en zich daarna kunnen ontwikkelen tot elk type lichaamscel, inclusief hartspierweefsel. Dit betekent niet alleen dat patiënten in de toekomst misschien geen donorhart meer nodig hebben, maar ook dat dierproeven op bijvoorbeeld varkens of schapen zoals gebeuren aan de KU Leuven en die ernstig leed veroorzaken, om de werking van harttransplantaties te testen, overbodig worden. Dit onderzoek laat zien dat medische vooruitgang en dierenbescherming hand in hand kunnen gaan.

Veiligheid van een UV-filter testen zonder dieren

Reeds eerder kaartten dierenrechtenorganisaties aan dat ondanks het verbod op dierproeven voor cosmetica nog steeds zonnecremes en UV-filters in cosmetica op dieren worden getest. Een recente studie toont nog maar eens aan dat dit anders kan.9 Bezopehnon-4 (BP-4), een UV-filter in bodylotion, is recent getest door middel van in silico modellen (computersimulaties) en in vitro technieken (tests met gekweekte menselijke cellen). Zij konden zo aantonen dat BP-4 veilig is voor de huid én hoe het door het lichaam wordt uitgescheiden via de nieren. Dit onderzoek bewijst dat we geen dieren meer hoeven te gebruiken om te weten of een ingrediënt veilig is.

Medicijn tegen het coronavirus ontwikkeld met AI

Tijdens de coronapandemie werd pijnlijk duidelijk hoe dringend we veilige en effectieve antivirale middelen nodig hebben. Nu, in 2025, hebben onderzoekers van het Wyss Institute in Harvard met behulp van kunstmatige intelligentie een veelbelovende antivirale kandidaat ontdekt: bemcentinib, een reeds goedgekeurd geneesmiddel.10  Door filmindustrie-software (!) te combineren met natuurkundige modellen konden ze razendsnel simulaties uitvoeren en zo een molecuul identificeren dat effectief is tegen meerdere coronavirussen. Dit alles zonder de gebruikelijke fases van dierproeven, die normaal gesproken jaren in beslag nemen en talloze proefdieren kosten.

Oproep aan de beleidsmakers

Deze ontwikkelingen tonen aan dat dierproefvrije wetenschap niet alleen mogelijk is, maar ook noodzakelijk voor betrouwbaarder en ethischer onderzoek. Dierproeven leveren vaak geen accurate resultaten op voor de mens en vertragen de vooruitgang in de geneeskunde. Innovaties zoals organ-on-a-chip technologie, menselijke mini-organen, artificiële intelligentie en geavanceerde computermodellen helpen ons om ziektes beter te begrijpen en effectievere therapieën te ontwikkelen.

Om vooruitgang in dierproefvrije wetenschap te versnellen, is het essentieel dat overheden investeren in de verdere ontwikkeling en validatie van dierproefvrije methoden. Animal Rights roept de Nederlandse en Belgische overheid dan ook op om een concreet stappenplan op te stellen voor de transitie naar dierproefvrije wetenschap.

Blijf op de hoogte van onze campagne tegen dierproeven, door je te abonneren op onze nieuwsbrief!


  1. Yunhao Zhai on Modeling and Understanding the Immune System ↩︎
  2. Keskitalo. 2025. From rare to more common: The emerging role of omics in improving understanding and treatment of severe inflammatory and hyperinflammatory conditions. ↩︎
  3. Jouybar. 2025. Lymphoma-on-chip model reveals that lymph node stromal cells promote diffuse large B-cell lymphoma survival and migration. ↩︎
  4. Statusrapport ECVAM ↩︎
  5. Nature. Four ways to power-up AI for drug discovery. ↩︎
  6. Joint Research Centre. Setting out a roadmap for standardisation of organ-on-chip technology ↩︎
  7. Queen Mary University of London opens one of Europe’s largest organ-on-a-chip facilities ↩︎
  8. Building bioartificial hearts one beat at a time ↩︎
  9. Making safety decisions for a sunscreen active ingredient using next-generation risk assessment: Benzophenone-4 case study ↩︎
  10. Broad spectrum coronavirus drug developed through AI enabled dynamic modeling ↩︎

Klacht voor 150 verwaarloosde varkens in Houthulste Drugslabo-zaak

Op 9 juli 2025 werd in de media bericht over verwaarloosde varkens die in bloedhete serres zonder voedsel of water opgesloten zaten in het West-Vlaamse Houthulst. De geïmproviseerde ‘stal’ opereert illegaal. Mogelijk werden de dieren als dekmantel gebruikt voor een drugslab dat enkele dagen voordien werd opgerold in Houthulst.

Lees ook: Animal Rights stelt zich burgerlijke partij voor 900 verwaarloosde varkens in Bekkevoort

UPDATE: Op 15 juni 2026 werden drie mannen veroordeeld in deze zaak wegens het produceren van drugs. Het gaat om een landbouwer uit Oudenburg, die de loods huurde. Al in 2023 werd de landbouwer veroordeeld wegens vervaardiging, verkoop en bezit van verdovende middelen. Voor de feiten in het labo van Houthulst kreeg de man 55 maanden, ruim 4,5 jaar, celstraf opgelegd. De twee kompanen van Poolse afkomst kregen 40 en 50 maanden effectieve gevangenisstraf.

Bloedhete serres zonder ventilatie

Een buurtbewoner reageerde bij Het Nieuwsblad:“Binnen zit wel een put met water en er zijn ruiten gebroken, maar er is geen ventilatie voorzien. De temperaturen konden er de voorbije weken oplopen tot meer dan vijftig graden.”

Kannibalisme

Volgens de buurtbewoners werden er beelden gemaakt door buurtbewoners van zeugen in de serres die hun eigen biggen begonnen op te eten. Bij inspectie werden ook kadavers aangetroffen in de serres.

Klacht

Animal Rights zal een klacht indienen wegens het verwaarlozen van de dieren. “Net zoals we deden voor de dieren in Bekkevoort,” zegt Animal Rights campagneleider Els Van Campenhout. Begin 2024 diende Animal Rights al een klacht in voor 900 varkens die verwaarloosd werden in een stal in Bekkevoort. Ook daar ging het om een stal die als dekmantel voor een drugslab gebruikt werd.

Advocaat Anthony Godfroid: “Dat nu ook weerloze dieren de dupe worden van de geldhonger van dit soort gewetenloze ondernemers is zeer ernstig. Mijn cliënt zal dan ook aandringen dat het parket ook vervolging instelt voor de inbreuken op de milieuregels die gepleegd zijn op de rug van deze varkens.”

“Animal Rights neemt het altijd op voor de dieren en dat is ook in een zaak als deze niet anders”, vult Van Campenhout aan.

Nieuwe beelden: Angstige Nederlandse biggen op transport naar Spanje

Animal Rights publiceert beelden van jonge Nederlandse biggen op transport richting Spanje langs de Belgische E17 in het Oost-Vlaamse Kruibeke tijdens een warme dag. De beelden werden gemaakt op 20 juni om 18u38 toen de buitentemperatuur 27°C bedroeg.

Lees ook: Kuikens snakken naar adem onder snikkend hete temperaturen

Gekannibaliseerde oren, schrammen en schaafwonden

De angstige ogen van de jonge biggen spreken boekdelen. Sommige dieren hebben schaafwonden in het gezicht of krassen op hun lichaam. Ook zijn er onverzorgde oorwonden te zien, mogelijk het gevolg van stressgerelateerd bijtgedrag of kannibalisme onder de varkens, een bekend probleem in de intensieve varkenshouderij. Bij geen enkel dier met verwondingen zien we tekenen van medische verzorging. We zien hoe ze zonder zichtbaar water of voer worden vervoerd, vermoedelijk op weg naar een slachthuis in Spanje – een transport dat tot wel dagen kan duren.

De dieren dragen Nederlandse oormerken en worden vervoerd in een vrachtwagen met een Spaanse nummerplaat, die gefilmd werd ter hoogte van het Oost-Vlaamse Kruibeke. De vrachtwagen stond minstens twintig minuten stil bij een tankstation langs de E17. De truck is eigendom van het Spaanse transportbedrijf Cunino, dat zichzelf op zijn website presenteert als “European leaders in the national and international transport of live animals.” Het bedrijf is actief in heel Europa en Noord-Afrika. 1

Vlaams hitteprotocol redt geen enkel dier

In 2020 trad het Vlaamse hitteprotocol in werking dat veedieren op transport zou moeten ‘beschermen’ bij hitte. 2

Animal Rights benadrukt dat als we een hitteprotocol willen dat ook echt werkt, alle vervoer van dieren gestopt moet worden vanaf het moment dat de dieren hittestress zouden kunnen ervaren: de combinatie van temperatuur en luchtvochtigheid en de tolerantiegrens van elke diersoort moet daarbij in acht genomen worden. Elk transport dat toch doorgaat, is niets minder dan dierenmishandeling en opzettelijke marteling is, met medeplichtigheid van de verantwoordelijke overheid inbegrepen.

Die grens waarop hittestress ervaren kan worden ligt verschillend bij elke diersoort: een varken kan bijvoorbeeld al bij temperaturen die 20°C overschrijden de eerste voortekenen van hittestress ervaren. Varkens gaan sneller en oppervlakkiger ademen, de hartslag en de bloeddruk lopen op. Uiteindelijk worden ze sloom en lethargisch. Hitte leidt tot stress – al bij een temperatuur van 27°C, zelfs lager als de luchtvochtigheid hoog is – en hittestress kan leiden tot sterfte als gevolg van uitdroging, een verstoorde mineralenbalans, vergiftiging vanuit de darmen of hartstilstand. 3
Voor kippen ligt die grens op uiterlijk 21°C, vanaf dan wordt het moeilijk om de overtollige lichaamswarmte te verliezen. 4
Voor koeien ligt de grens op 20 °C en een luchtvochtigheid van 60 tot 80%. Dan lopen ze al risico op hittestress. 5

WAT ZEGT HET VLAAMS HITTEPROTOCOL?

Het protocol werd in 2020 door minister Ben Weyts en de slachthuissector opgesteld. Dat er hier vooral economische en imago afwegingen voor de vleesindustrie worden gemaakt met het protocol is duidelijk.

Op de website van de minister lezen we: “Voor het laden, vervoeren en lossen van groot vee enerzijds en pluimvee anderzijds wordt gewerkt met dezelfde kleurcode als het KMI. Elke kleur, groen, geel, oranje of rood, verwijst naar temperaturen op dagen gedurende een hittegolf en brengt extra, aanvullende, maatregelen met zich mee. Zo geldt bijvoorbeeld ‘code oranje’ bij een hittegolf waarvan drie opeenvolgende dagen een gemiddelde maximumtemperatuur van minstens 32 graden Celsius wordt vastgesteld of één dag met een maximumtemperatuur van minimum 35 graden Celsius. Voor groot vee is in dat geval transport tussen 14 uur en 19 uur verboden, daalt de bezettingsgraad per transport met 10 procent en is een aangepast klimaat in de zogenaamde ‘wachtstallen’ vereist.

Hoe extremer de weersomstandigheden, hoe meer maatregelen de grootvee of pluimveehouder, de chauffeur van het transport en het slachthuis moeten nemen. “Hittetemperaturen bezorgen dieren onnodig veel stress en kunnen verregaande en pijnlijke gevolgen hebben”, zegt Ben Weyts. “Een beschaafde samenleving heeft de verdomde plicht om al het vermijdbare dierenleed ook effectief te vermijden.”” 6

Animal Rights benadrukt dat zo’n hitteprotocol gebaseerd op de kleurcodes van het KMI allerminst rekening houden met de temperatuurgrens waarbij verschillende diersoorten het moeilijk krijgen. Bovendien is temperatuur niet de enige factor, ook de luchtvochtigheid speelt een belangrijke rol: hoe hoger de luchtvochtigheid, hoe eerder dieren in de problemen kunnen komen.


Europese richtlijn stelt: geen vervoer boven 30°C

Op Europees niveau bestaat er een richtlijn die stelt dat dieren niet vervoerd mogen worden bij een maximumtemperatuur van 30°C, met een tolerantie van vijf graden boven dat bereik. 7

Het huidige Vlaamse hitteprotocol schrijft voor dat tijdens dagen waarbij de maximumtemperatuur minimum 35 graden Celsius bedraagt, het transport van groot vee tussen 14 uur en 19 uur verboden is. Daarnaast moet de bezettingsgraad per transport met 10 procent dalen. Ook is een aangepast klimaat in de zogenaamde ‘wachtstallen’ vereist. We kunnen dus stellen dat het Vlaamse protocol geen rekening houdt met de bestaande Europese richtlijn, omdat transporten op dagen met maximumtemperaturen boven de 35 graden nog steeds toegestaan worden.

Animal Rights

Animal Rights benadrukt dat dieren in de vee-industrie lijden vanaf de geboorte tot als ze eindigen in het slachthuis. Met hun noden, behoeften en het uiten van natuurlijke gedragingen wordt amper tot nooit rekening gehouden. Het vervoeren van dieren tijdens een hittegolf of tropische temperaturen is een zoveelste onderdeel van hun lijdensweg.


  1. Transcunino Spaans transportbedrijf ↩︎
  2. Vlaamse Overheid: transport in alle weersomstandigheden ↩︎
  3. Hoe voorkom je hittestress bij varkens ↩︎
  4. Hoe voorkom je hittestress bij pluimvee ↩︎
  5. Hoe voorkom je hittestress bij runderen ↩︎
  6. Ben Weyts stelt hitteplan in werking ↩︎
  7. Bescherming van dieren tijdens transport ↩︎

Beroep-zaken vergunningen voor varkensconcentratiekamp Knorhof

Op maandag 7 juli 2025 worden op één zitting de beroep-zaken tegen zowel de intrekking van de omgevingsvergunning als de natuurvergunning voor De Knorhof behandeld in het Paleis van Justitie in Arnhem. Animal Rights is derde-belanghebbende in beide zaken.

Varkensfabriek De Knorhof brandde in de zomer van 2017, inmiddels bijna 8 jaar geleden, af met meer dan 20.000 varkens als slachtoffer. Het varkensconcentratiekamp werd nooit herbouwd.

Het is het belang van de varkens en de (wilde dieren in de) natuur dat dat zo blijft. Animal Rights strijdt daar ook al 8 jaar voor.

Een ‘derde-belanghebbende’ in het bestuursrecht is iemand die niet de directe ontvanger is van een besluit (dat is hier Sebava/Straathof), maar wiens belang wel rechtstreeks wordt geraakt door dat besluit (Animal Rights belang van het opkomen voor gehouden én wilde dieren).

Een tijdlijn

Op 21 december 2009 is aan Knorhof B.V. een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor het wijzigen van de veebezetting en stalsystemen van het bedrijf Knorhof B.V. aan de Burensewal 3 te Kapel-Avezaath.

Op 8 juni 2010 is aan Knorhof B.V. een revisievergunning verleend voor het in werking hebben van een varkenshouderij en -fokkerij.

Op 30 juni 2011 is aan Knorhof B.V. een vergunning verleend om de inrichting te wijzigen. De locatie en de omgevingsvergunningen zijn vervolgens overgenomen door Sebava B.V..

Op 27 juli 2017 breekt een catastrofale brand uit waarbij de varkensflat vrijwel helemaal is verwoest en meer dan 20.000 varkens zijn omgekomen. Na deze brand heeft Sebava geen gebruik meer gemaakt van voornoemde omgevingsvergunningen.

Midden januari 2019 dient Sebava de ‘Notitie reikwijdte en detailniveau’ in. Deze omvatte het voornemen tot nieuwbouw en verandering van de varkenshouderij in Kapel-Avezaath; de eerste stap op weg naar herbouw van varkensfabriek Knorhof.
Lees ook: 28.860 varkens in nieuwe Knorhof

Op 11 juli 2019 dient Sebava een aanvraag voor een nieuwe natuurvergunning in.

Op 18 juli 2019 heeft Sebava een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘milieu’, de herbouw van de door brand verwoeste varkenshouderij. Daarbij heeft Sebava een beroep gedaan op de calamiteitenregeling uit het destijds op het perceel geldende bestemmingsplan.

De aanvraag van Sebava bleek echter verre van compleet en kon niet inhoudelijk worden beoordeeld. Daarom is aan haar op 24 september 2019 de mogelijkheid geboden om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Deze termijn is verschillende keren verlengd.

Na veelvuldig overleg is gebleken dat de aanvraag niet gerealiseerd kon worden binnen de kaders van het bouwovergangsrecht en de calamiteitenregeling. Sebava heeft daarop in november 2020 aangegeven de aanvraag te willen wijzigen.

Gedurende het jaar 2021 heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden tussen Gelderland en Sebava, waarbij het college herhaaldelijk heeft aangegeven dat de stukken onvoldoende waren voor een ontvankelijke aanvraag voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘milieu’. Op 12 januari 2022 is een wijziging van de lopende aanvraag ingediend, waarbij de aanvraag wederom niet compleet was.

Op 8 februari 2022 heeft Gelderland besloten de aanvraag voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘milieu’ buiten behandeling te laten. Daartegen heeft Sebava bezwaar ingediend. In overleg met de bezwaarschriftencommissie is vervolgens Sebava nog eenmaal de gelegenheid geboden om de aanvraag compleet te maken. Ook toen verzuimde zij om alle benodigde gegevens aan te leveren.
Lees ook: Geen herbouw varkensflat Knorhof

Op 2 maart 2022 trekt Sebava de aanvraag (na een periode van aanhouding op verzoek) voor een nieuwe natuurvergunning van 11 juli 2019 in.

Op 8 november 2022 heeft Gelderland in de beslissing op bezwaar besloten tot het in stand laten van de buiten behandelingstelling van de aanvraag voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘milieu’. Sebava heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

Door de gemeenteraad van Buren is op 11 februari 2022 een voorbereidingsbesluit genomen om ongewenste ontwikkelingen op de onderhavige locatie te voorkomen.

Op 7 maart 2023 dient Animal Rights een ondersteunende zienswijze in. Zie: Animal Rights dient ondersteunende zienswijze in voor ‘Nooit meer Knorhof’

Op 7 maart 2023 heeft Gelderland een ontwerpbesluit genomen om de omgevingsvergunningen van 8 juni 2010 en 3 juni 2011 in te trekken.

Op 25 april 2023 is het bestemmingsplan ‘Buitengebied, eerste herziening’ deels herzien en het bestemmingsplan ‘Kapel-Avezaath, Burenseweg 1 en 3’ vastgesteld. Daarbij is op het perceel van Sebava de bestemming ‘intensieve veehouderij’ wegbestemd. Sebava heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Aangezien er geen verzoek om voorlopige voorziening is aangevraagd, is het bestemmingsplan in werking getreden.

Sebava heeft op 19 april 2023 haar zienswijze ingediend, evenals Animal Rights.

Op 26 september 2023 heeft Gelderland besloten tot gehele en gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunningen.

Op 22 februari 2024 heeft Animal Rights de provincie verzocht de Natuurvergunning in te trekken op grond van de omstandigheid dat deze vergunning reeds 7 jaar niet meer wordt gebruikt en toekomstig gebruik ook zeer waarschijnlijk kan worden uitgesloten. Zie: Animal Rights verzoekt de provincie tot intrekking natuurvergunning

Op 9 juli 2024 heeft het college de vergunning op grond de Natuurbeschermingswet 1998 van 21 december 2009 ingetrokken.

In reactie op Animal Rights’ verzoek laat de provincie per brief van 28 augustus 2024 weten dat reeds ambtshalve is overgegaan tot het (grotendeels) intrekken van de betreffende vergunning.

Bij uitspraak van 8 oktober 2024 heeft de rechtbank het beroep tegen de buiten behandelingstelling van de aanvraag voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘milieu’ ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconcludeerd dat Gelderland in de beslissing op bezwaar terecht de buiten behandeling stelling in stand heeft gelaten en vervolgens voldoende gemotiveerd de belangenafweging heeft uiteengezet.

Tegen deze uitspraak heeft Sebava op 13 november 2024 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.

25 juni 2025 informeert Animal Rights naar de stand van zaken met betrekking tot het intrekkingsverzoek. De dierenrechtenorganisatie wordt ook als derde-belanghebbende toegevoegd in deze hoger beroep-zaak.

De zaak

De zaak omtrent het intrekken van de natuurvergunning is vrij overzichtelijk.

Er is een bestemmingsplan door de gemeente Buren vastgesteld en in werking getreden op grond waarvan de bedrijfsactiviteiten van Sebava B.V. (intensieve veehouderij) niet meer zijn toegestaan. Er is geen omgevingsvergunning voor de herbouw van de stallen verleend en het bestemmingsplan staat (bouw)vergunningverlening ook in de weg. Hernieuwde exploitatie van het bedrijf zal op grond hiervan niet kunnen plaatsvinden.

Gelderland heeft de natuurvergunde situatie in overeenstemming gebracht met de nieuwe planologische situatie na het wegbestemmen van de intensieve veehouderij. Dit bestemmingsplan is in werking getreden. Sebava heeft daartegen wel beroep ingesteld, maar geen verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Dat er nog bodemprocedures lopen bij de rechtbank en Afdeling bestuursrechtspraak is voor de vergunningsintrekking niet van belang.

Het (juridisch) laten voortbestaan van ‘oude’ stikstofruimte op deze locatie is onwenselijk. Uit de natuurdoelanalyses voor de Natura 2000-gebieden van de Provincie Gelderland blijkt dat er blijvend gewerkt moet worden aan (het behouden van) de dalende lijn voor stikstofdepositie op de betrokken gebieden, waaronder Rijntakken en Veluwe.