In de konijnenindustrie wordt gesproken over voedsters, de vrouwelijk konijnen (officieel geldt die ‘titel’ vanaf 3 dagen voor haar berekende eerste worp) die worden gebruikt om jongen mee te fokken, gemiddeld 10 per worp. Ongeveer negentien weken na haar geboorte wordt een vrouwelijk konijn voor het eerst geïnsemineerd. Het is verboden om een vrouwelijk konijn te laten dekken of insemineren voordat ze 15 weken oud is. De dracht duurt een maand / 31 dagen.
10 dagen na de worp wordt ze opnieuw geïnsemineerd. Er wordt een diergeneesmiddel waarin hormonen zitten geïnjecteerd om de ovulatie op te wekken. Op deze manier brengt een voedster gemiddeld 80 nakomelingen voort op jaarbasis: 8 worpen van gemiddeld 10 konijnen. Daarna gaat ook zij naar het slachthuis. Niet als vleeskonijn, daarvoor beantwoordt de vleeskwaliteit niet meer aan de verwachtingen, maar voor de diervoedersector.
In Nederland zijn de huisvestingsvoorschriften voor konijnen vastgelegd in het Besluit houders van dieren. Een voedster beschikt over een kooi met ten minste een vloeroppervlakte van 4.500 cm2 per voedster, waaronder een van nestmateriaal voorziene nestruimte van ten minste 700 cm2, die verbonden is met de kooi, en een horizontaal plateau met een oppervlakte van ten minste 900 cm2 en een breedte van ten minste 20 cm, een vrije hoogte van 60 cm boven een vloeroppervlakte van 950 cm2 en een doorgang van de bodem naar het plateau met een breedte van 25 cm. 1
Een fokram is een mannelijk konijn “dat ten minste eenmaal gedekt heeft of waarvan ten minste eenmaal sperma is afgenomen.” Omdat praktisch alle fokkerijen gebruik maken van kunstmatige inseminatie, worden fokrammen eigenlijk alleen gehouden op de KI-stations.
Op de inseminatiestations wordt gebruik gemaakt van kunstschedes. Deze worden op temperatuur gebracht en er wordt een dummy moederkonijn getoond. De ram ejaculeert op de kunstschede en dit wordt opgevangen. Dit gebeurt één keer per week.
Een fokram beschikt over een kooi met ten minste een vloeroppervlakte van 4.000 cm2 per dier en een hoogte van 60 cm.
De jongen zitten samen met hun moeder in een kooi. Na ongeveer twee en een halve week kruipen de jongen zelf uit het nestje en voeden zich niet enkel met moedermelk, maar ook met korrels. Na 33 dagen / 5 weken wordt de moeder weggenomen bij de jongen (of de jongen bij hun moeder), het spenen. Op dag 41 bevalt de voedster opnieuw.
Lang niet alle jongen overleven. “Sterfte voor het spenen is gemiddeld 9,0% en sterfte na het spenen is gemiddeld 9,0% per worp,” antwoordde toenmalig landbouwminister Schouten in 2020 op Kamervragen. “In het handboek van de sector van 2019-2020 staat dat de gemiddelde totale sterfte 17,2% is.”
Sterftecijfers werden niet centraal geregistreerd, maar dat is sinds 1 januari 2026 wel verplicht. Animal Rights zal de cijfers van het eerste half jaar van 2026 binnenkort opvragen.
Een gespeend konijn is een konijn dat is gescheiden van de voedster en dat wordt gehouden om te worden geslacht, een ‘vleeskonijn’, of om te worden geselecteerd als opfokkonijn.
Een gespeend konijn wordt gehouden in een groep die bestaat uit ten minste twee konijnen en beschikt over een kooi met ten minste een vloeroppervlakte, waarbij de oppervlakte van een in de kooi aangebracht plateau van ten minste 10 cm breed kan worden meegerekend, van 700 cm2 per dier, indien de groep bestaat uit minder dan vijf dieren, of 600 cm2 per dier, indien de groep bestaat uit vijf of meer dieren en een hoogte van 40 cm boven 80% van de vloeroppervlakte indien in de kooi geen plateau is aangebracht, of een vrije hoogte van 40 cm boven 20% van de vloeroppervlakte indien in de kooi een plateau is aangebracht.
Een opfokkonijn is een konijn dat wordt opgefokt tot voedster of fokram en beschikt over een kooi met ten minste een vloeroppervlakte van 2.000 cm2 per dier en een hoogte van 40 cm boven 80% van de vloeroppervlakte.
Een koppel is een groep konijnen die in dezelfde kalenderweek is gespeend. Veel bedrijven werken volgens een ‘all-in-all-out’ schema: alle voedsters tegelijkertijd insemineren, zodat alle jongen dezelfde leeftijd hebben en tegelijk naar de slacht gaan. Nadat de dieren de afdeling verlaten, wordt deze gereinigd en nemen de voedsters hun plaats weer in.
Indien in een kooi een plateau is aangebracht, bedraagt de afstand tussen de vloeroppervlakte en het plateau en tussen het plateau en de bovenkant van de kooi ten minste 25 cm.
Indien de vloeroppervlakte uit gaas bestaat, heeft de bovenliggende draad een diameter van ten minste 2,4 mm, bedraagt de afstand tussen het middelpunt van de bovenliggende draden ten minste 10 mm en ten hoogste 16 mm en plaatst de houder in een kooi een mat van ten minste 900 cm2 van plastic of van materiaal met vergelijkbare eigenschappen als plastic.
Konijnen beschikken permanent over ruwvoer of knaagmateriaal dat voorziet in hun knaagbehoefte.
Konijnen worden gehouden in een ruimte waar een dag- en nachtritme wordt gehanteerd waarbij het ten minste acht uur licht is en ten minste acht uur donker, in beide gevallen ten minste vier uur aaneengesloten.
In een ruimte bestemd voor voedsters en fokrammen wordt na een periode van licht alsmede na een periode van donkerte een schemerperiode gehanteerd van ten minste een uur en bedraagt de lichtintensiteit op dierhoogte ten minste 20 Lux gedurende ten minste acht uur per dag.
Konijnen en de apparatuur die noodzakelijk is voor hun voer- en watervoorzieningen worden tenminste tweemaal per dag gecontroleerd.
In België geldt sinds 2016 verplichte huisvesting in parkkooien voor gespeende vleeskonijnen die worden vetgemest. Wel was er in twee uitzonderingen voorzien: konijnenhouders die nog maar recent in ‘verrijkte kooien’ hadden geïnvesteerd, kregen tot 31 december 2024 de tijd om over te stappen naar het parksysteem. En ook uitbollende bedrijven die van plan waren te stoppen voor 1 januari 2020, konden hun verrijkte kooien aanhouden. Deze regelgeving werd al van kracht in augustus 2014, maar tot 1 januari 2016 kon ze bijgestuurd worden als de praktijk of onderzoek nieuwe inzichten opleverden. Dat gebeurde niet en dus waren de normen definitief. 2
Sinds 1 januari 2025 moeten in België ook de voedsters ondergebracht worden in een ‘park’. Het parksysteem is een groepshuisvestingssysteem met kunststofvloer, opspringplatform, schuilmogelijkheden en knaagmateriaal.
De minimumstandaard – zie de eisen hierboven – in Nederland blijft de zogenoemde ‘verrijkte kooi’. In Nederland zou nu zo’n 55% van de fokkerijen gebruikmaken van parksystemen.
Het 1 ster Beter Leven Keurmerk – er bestaan geen criteria voor 2 of 3 sterren – van de Dierenbescherming vraagt om tunnels en schuilwandjes, groepshuisvesting van voedsters, onbeperkt ruwvoer en iets meer vloeroppervlakte per konijn. 3
Na 75 dagen / 11 weken, zijn de vleeskonijnen ‘slachtrijp’ en wegen zo’n 2,6 kg. Vervolgens gaan ze op transport naar het slachthuis. Nederland kent geen konijnenslachthuis. Op een enkele uitzondering na gaan alle Nederlandse en Belgische konijnen naar de twee Vlaamse slachthuizen, Lonki in Temse en Van Assche in Deinze. In 2025 werden daar 1,8 miljoen konijnen geslacht.
De sector werkt met contracten die begin januari ingaan en een looptijd van een jaar hebben. De vraag naar slachtrijpe konijnen is tussen oktober en Pasen groter dan het aanbod. In het andere deel van het jaar is er minder vraag. Door de jaarcontracten weten de fokkerijen zich gegarandeerd van afzet in de zomer als de vraag laag ligt en hebben slachterijen leverzekerheid in de winter. De twee slachthuizen beconcurreren elkaar naar de retail toe wat prijsonderhandelingen bemoeilijkt.
Het transport van konijnen voor Lonki wordt gedaan met vrachtwagens van ADL transport, net als Lonki gevestigd in Temse. Van Assche heeft een kleinere eigen truck, maar maakt vooral gebruik van de vrachtwagens van pluimveevervoerder Kruiskip uit Zulte.
Wanneer de vrachtwagen bij een konijnenfokkerij aankomt, lost de chauffeur de stapels kratten (Lonki) of de containers met laden (Kruiskip/Van Assche) op het erf van de fokkerij met behulp van de ‘kooiaap’.
Een kooiaap, of meeneemheftruck, is een heftruck die achterop een vrachtwagen wordt meegenomen. Door de vorken van de heftruck te schuiven in kokers die in de carrosserie van de vrachtwagen zijn aangebracht kan deze zichzelf achter de vrachtwagen omhoog brengen. De heftruck hangt dan achter de vrachtwagen. Hierdoor beschikt de chauffeur op zowel de laadlocatie (konijnenfokkerij) als de loslocatie (slachthuis) over zijn eigen laad- en losmiddel.
In het geval van kratten (Lonki) plaatsen de eigenaar(s), gezinsleden en/of medewerkers de kratten in een positie die hen het best uitkomt om de konijnen te laden en eveneens toegankelijk is voor de kooiaap.
Het laden van konijnen gebeurt ’s avonds tussen 17:00 en 22:30 (eigen waarnemingen Animal Rights). Konijnen worden uit hun kooien gehaald, op elkaar gepropt in winkelwagentjes (en varianten daarop), naar de kratten / containers gereden en ruw overgeladen. Zie de Animal Rights beelden. Vervolgens laadt de chauffeur de volle kratten / containers weer op de vrachtwagen en rijdt naar het slachthuis terug.
Tussen 21:00 en 3:30 (eigen waarnemingen Animal Rights) arriveren de vrachtwagens op het slachthuis. De vrachtwagenchauffeur parkeert de vrachtwagen gevuld met kratten vol konijnen op het slachthuisterrein in het geval van Lonki, of lost de containers met laden vol konijnen op het terrein van Van Assche waarna de lege vrachtwagen terugkeert naar Kruiskip.
Wanneer de eigen vrachtwagen van Van Assche wordt gebruikt, worden ’s ochtends de kratten met een palletwagen gelost vanaf de losklep en naar de lopende band gereden.
Rond 5 uur ’s ochtends starten de slachthuizen op. Bij Van Assche wordt een container op de lift geplaatst. De kratten, ieder met 10 tot 12 konijnen, worden er manueel uitgetrokken met een stok met daaraan een haak. Als een niveau is uitgeladen, zakt de lift tot het volgende niveau. De kratten worden op een lopende band geplaatst.
Bij Lonki gaat het er vergelijkbaar aan toe. Als het slachthuis opstart, wordt de ’s nachts geparkeerde vrachtwagen naar binnengereden en de kratten gelost met een palletwagen op een losplatform.
De konijnen worden bij Van Assche – het proces zal bij Lonki niet heel anders zijn – handmatig één voor één uit een krat op de lopende band gehaald en met de kop in een van de twee, zogenaamde, V-verdovers gedrukt (zie foto) en zo bedwelmd met 250 Volt, 50 Herz en minimaal 250 mili-ampère. De konijnen worden verneveld – de kop natgemaakt – voorafgaand aan de bedwelming voor een betere geleiding van de stroom. Ter hoogte van de keling is een penetrerend penschiettoestel aanwezig als back-up.
Na de bedwelming worden de konijnen aan hun achterpoten aan de slachthaken gehangen, manueel gekeeld en schuiven daarna verder het slachthuis binnen. De voorpoten worden door een machine afgeknipt, maar de scalp en de oren worden manueel weggesneden, evenals de huid en pels, het ‘ontbroeken’. Daarna worden de ingewanden verwijderd.
Geslacht weegt het konijn nog zo’n 1,5 kg. Het geslachte konijn wordt afgekoeld in een ruimte waar het anderhalf à twee uur verblijft bij een temperatuur van net boven de nul graden. Daarna komt het karkas in een zaal waar het eventueel nog versneden én ingepakt wordt bij zes à zeven graden. In een koelcel van 0 graden wacht het konijn op transport naar de winkel.
Oren en het vel van de kop worden binnen de diervoedersector gedroogd om te verkopen als hondensnacks. Poten en karkas gaan ook naar de diervoedersector en worden gebruikt voor korrels. De pels gaat naar China of het Oostblok om in de textielsector te worden gebruikt voor bijvoorbeeld bont op de rand van een jas of laars. De ingewanden en afgekeurde delen of volledige konijnen gaan als slachtafval naar Rendac, waar het omgezet wordt in diermeel. Bij volledige konijnen worden hart, lever, nieren en longen soms mee verkocht bij de poelier of in de supermarkt, voor de rest worden organen en kop apart gehouden voor de diervoedersector. Daar worden ze verwerkt in zowel korrels als blikken met zachte voeding. De lever gaat ook deels naar producenten van paté.
Het gros van het eindproduct gaat naar de Belgische supermarkten die onderling concurreren en daardoor weinig geneigd zijn prijsstijgingen toe te laten. De verkoop in de supermarkt valt uiteen in bereide producten en vers vlees. Waar slachterijen tijdens de winter inzetten op vers vlees, wordt in andere periodes meer bereid product verkocht. Deze producten worden gemaakt van konijnen die in de zomer niet verkocht raken en ingevroren worden.
Volgens het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing at de gemiddelde Belg in 2020 ongeveer 200 gram konijn, terwijl dat 20 jaar geleden nog 400 gram was. Nu is dat verder gedaald naar 170 gram. Vooral onder jongeren lijkt het aan populariteit in te boeten. Bij de 65- plussers koopt één op vier al eens konijn. Bij consumenten jonger dan 30 jaar is dat nog maar zes op de honderd. In Nederland wordt buiten Kerst en in mindere mate Pasen, nauwelijks konijn gegeten.
Animal Rights ziet hierin een extra reden om de konijnenindustrie te verbieden. Een niche product dat voor zoveel leed zorgt, heeft niet langer bestaansrecht.




















