De juridische strijd voor transparantie over de vee-industrie IX

jun 4, 2026 | Slacht

Animal Rights heeft in een informatieverzoek onder de Wet open overheid (Woo) van 6 september 2024 de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) verzocht om, over de periode van 1 augustus 2023 tot en met 6 september 2024, documenten te verstrekken die gaan over meldingen van destructiebedrijf Rendac aan de NVWA over het aanbieden van levende dieren tussen de kadavers, zoals de dierenrechtenorganisatie dat al jaren doet.

Op 12 februari 2024 heeft Rendac bij een pluimveehouder kadavers opgehaald. Rendac heeft hierbij geconstateerd dat in de kadaverton, tussen de kadavers, nog een levende kip zat. Rendac heeft dit aan de NVWA doorgegeven. Van de overtreding van de Wet dieren is een rapport van bevindingen opgemaakt. Naar aanleiding van deze overtreding heeft de NVWA de pluimveehouder op 5 juli 2024, een last onder dwangsom opgelegd. De opgestelde documenten maken onderdeel uit van het Woo-verzoek van Animal Rights.

Op 10 april 2025 heeft de NVWA het Woo-verzoek van Animal Rights toegewezen. De pluimveehouder heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit van de NVWA en de voorzieningenrechter zover gekregen dat de gegevens niet eerder dan twee weken na het nemen van de beslissing op bezwaar openbaar mochten worden gemaakt. De NVWA heeft bij beslissing op bezwaar van 1 juli 2025 het bezwaar van de pluimveehouder ongegrond verklaard. 

De NVWA heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat het belang van openbaarmaking van de bedrijfsnaam en -adres van de pluimveehouder zwaarder weegt dan de door het bedrijf aangehaalde belangen van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage. Een uitzondering op openbaarmaking is volgens de NVWA daarom niet aan de orde.

De pluimveehouder heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en ook tijdens deze beroepsprocedure de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In de uitspraak van 29 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de openbaarmaking van de gegevens wordt opgeschort tot twee weken na het doen van de uitspraak in de bodemprocedure.

De pluimveehouder voert in beroep aan dat zij niet wenst dat de door Animal Rights opgevraagde informatie openbaar gemaakt wordt, “omdat Animal Rights zeer negatief staat tegenover de sector”. Als de door Animal Rights opgevraagde informatie openbaar wordt gemaakt, raakt Animal Rights bekend met de naam van de onderneming, de vestigingsplaats en de personen achter de onderneming. 
De pluimveehouder is bang voor acties van “activistische groepen” en stelt dat de vrees voor dit soort activisme voldoende is om openbaarmaking tegen te houden.

De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld en in april de uitspraaktermijn met zes weken verlengd. De uitspraak (BRE 25/3971) volgde uiteindelijk op 21 mei 2026. 1

Het Woo-verzoek van Animal Rights ziet op informatie die gaat over het toezicht door de NVWA op de voedselveiligheid en de misstanden in de voedselketen. Het gaat hierbij om nagenoeg hetzelfde verzoek als in de procedures die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 18 mei 2022 (ECLl:NL:RVS:2022:1432) en 4 februari 2026 (ECLl:NL:RVS:2026:607). In de uitspraak van 4 februari 2026 heeft de AbRS geoordeeld dat het openbaar maken van informatie over de wijze waarop een toezichthouder toezicht houdt op bedrijven het publiek belang van een goede en democratische bestuursvoering dient.

Openbaarmaking van deze informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA. Het voorgaande sluit aan op de ontwikkeling in wet- en regelgeving en in de bestuurspraktijk van toezichthouders om in toenemende mate actief toezichtinformatie over ondernemingen openbaar te maken.

Daarbij geldt, zoals de AbRS in een uitspraak van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:48) heeft geoordeeld, dat het publieke belang van openbaarmaking niet in voldoende mate wordt gediend door een geanonimiseerde openbaarmaking van informatie van de NVWA.

Voor wat betreft de beroepsgrond die ziet op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de  pluimveehouder geldt dat de NVWA expliciet heeft aangegeven dat de openbaarmaking enkel ziet op de bedrijfsnaam en -adres. Voor zover bij openbaarmaking van de bedrijfsnaam en -adres al sprake zou zijn van gegevens die herleidbaar zijn naar individuele personen en het belang van de persoonlijke levenssfeer in het geding is, weegt dat belang naar het oordeel van de rechtbank niet zwaarder dan het belang van de onderhavige openbaarmaking.

Volgens vaste rechtspraak van de AbRS moet de pluimveehouder de gestelde vrees voor gewelddadig dierenrechtenactivisme voldoende actueel en concreet objectiveren. De beroepsgronden voldoen daar niet aan. 
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de NVWA zich ook voor deze uitzonderingsgrond in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het algemene belang bij openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang dat de pluimveehouder heeft ingeroepen.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er niets verandert aan de eerder door de NVWA aangewezen documenten om openbaar te maken. De pluimveehouder krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Het is opnieuw een fijne overwinning in de strijd vóór transparantie en tegen antidemocratische krachten als LTO en BBB. Het blijft verbazingwekkend dat toch weer twee voorzieningenrechters, ondanks een pakket aan jurisprudentie die overduidelijk maakt dat dit bezwaar en beroep evident kansloos waren, meewerkten aan de vertragingstactieken van de vee-industrie en de openbaarmaking van de stukken schorsten. De pluimveehouder kan er nog voor kiezen om (al even kansloos) in hoger beroep te gaan; LTO betaalt vermoedelijk wel.

Update – Nog een uitspraak

Op 29 mei 2026 deed de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak in een beroepszaak (SHE 25/1963) van een vleeskuikenhouder met betrekking tot hetzelfde Woo-verzoek, waarbij de minister op 10 april 2025 besloot om de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te maken en de bezwaren daartegen op 2 juli 2025 afwees. De vleeskuikenhouder stelde beroep in tegen dat besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.

Het oordeel van de rechtbank zouden de veehouders ondertussen moeten kunnen dromen. Net zo vaak als ze volstrekt kansloze bezwaren blijven indienen, zullen ze dit oordeel keer op keer gepresenteerd krijgen:

Het uitgangspunt van de Woo is ‘openbaar, tenzij’!

De weigeringsgronden moeten restrictief worden uitgelegd!

Het openbaar maken van informatie over de manier waarop een toezichthouder toezicht houdt op bedrijven dient het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering!

Openbaarmaking van die informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA! 

Dit sluit aan bij een ontwikkeling in wet- en regelgeving en in de bestuurspraktijk van toezichthouders om in toenemende mate actief toezichtinformatie over ondernemingen openbaar te maken!

Onderwerpen als voedselveiligheid en dierenwelzijn staan in de maatschappelijke belangstelling. Het verstrekken van bij de overheid aanwezige informatie over welke onderneming welke bedrijfsactiviteiten op welke manier in deze bedrijfssector uitoefent, levert een bijdrage aan het voeren van het maatschappelijke debat hierover en het vergroten van de transparantie van het toezicht hierop door de NVWA!

Het publieke belang van openbaarmaking wordt niet in voldoende mate gediend door een geanonimiseerde openbaarmaking!

De vrees voor bedreigingen of acties vanuit dierenwelzijnsorganisaties moeten concreet onderbouwd worden! 

De verwijzingen naar berichten uit de media over incidenten in het verleden, is daarvoor onvoldoende!

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de vleeskuikenhouder geen gelijk krijgt. Ze krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Omdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep hoeft er geen voorlopige voorziening meer te worden getroffen (SHE 25/1962). Het verzoek is dan ook kennelijk ongegrond en zal daarom worden afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Lees verder in deze reeks:

  1. ECLI:NL:RBZWB:2026:4660 ↩︎

JIJ KAN DE DIEREN REDDEN

Word ambassadeur van de dieren en red ze met jouw bijdrage. Jouw hulp zet het belangrijke werk voor de dieren voort.

Elke bijdrage maakt een verschil! 🧡