Op 8 januari 2026 verzocht Animal Rights de NVWA op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van informatie met betrekking tot het destructiebedrijf Rendac Son B.V. over de periode van 7 september 2024 tot 1 januari 2026.
Rendac haalt in opdracht van de overheid kadavers en dierlijk (rest-)materiaal op voor verwerking, vernietiging en/of herbestemming. Animal Rights vraagt al jaren specifiek om meldingen aan de NVWA over het aanbieden van levende dieren ter destructie.
Lees daarvoor:
De betrokken veehouders dienen daar, aangespoord door LTO en BBB/SGP, al even lang kansloze bezwaren tegen in.
Zo ook een kippenhouder uit Alteveer (gemeente Stadskanaal, provincie Groningen). Op 21 augustus 2025 zitten er in de kadavertonnen van het bedrijf twee kippen (“twee zieke kuikens”, volgens de veeboer) die niet dood waren. Dit betekent dat de verantwoordelijke dierhouder heeft nagelaten de dieren de nodige verzorging te geven. Het onthouden van deze nodige verzorging is een overtreding van artikel 2.2, lid 8, van de Wet dieren. Om ervoor te zorgen dat de eigenaar van het bedrijf deze overtreding in de toekomst voorkomt, legt de NVWA een last onder dwangsom op van € 1.500,- per overtreding.
Op 23 juni 2026 besluit de NVWA / de minister van LVVN deze informatie openbaar te maken.
Het bedrijf wil niet dat de naam of het adres geopenbaard wordt, maakt bezwaar en vraagt om een voorlopige voorziening.
Inmiddels bestaat er ruim zes jaar aan jurisprudentie van tal van rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, telkens betrekking hebbend op inhoudelijk exact hetzelfde Woo-verzoek van Animal Rights.
Zie bijvoorbeeld:
En:
En:
De zitting was op 12 oktober 2026. Animal Rights verzocht de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening resoluut af te wijzen en daarbij te bepalen dat de NVWA de betreffende informatie zonder verdere opschorting voor eenieder openbaar mag maken. In het bijzonder verzocht Animal Rights geen aanvullende termijn van twee weken of langer te hanteren waarbinnen de kippenboer opnieuw rechtsmiddelen kon aanwenden om de openbaarmaking tegen te houden. Dit zou immers wederom kunnen leiden tot ruim een jaar vertraging en kostbare procedures, terwijl daarvoor, gelet op de inmiddels uitgekristalliseerde jurisprudentie waaruit volgt dat dergelijke procedures juridisch kansloos zijn, geen enkele rechtvaardiging bestaat.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan: 1
“Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter weegt in dit geval het belang van openbaarmaking zwaarder dan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. In een uitspraak van 12 juli 2023 2 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet opweegt tegen het belang van openbaarmaking van de bedrijfsnamen. Openbaarmaking van bedrijfsnamen mag niet afhankelijk zijn van de omstandigheid of een bedrijf ervoor kiest zijn eigen familienaam daarvoor te gebruiken. Het is, zo overweegt de Afdeling, een vrije keuze om de familienaam als bedrijfsnaam te gebruiken.”
“Gelet op deze rechtspraak en het uitgangspunt van openbaarheid, oordeelt de voorzieningenrechter dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding is om openbaarmaking van informatie op grond van de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo achterwege te laten. Het bezwaar van verzoekster zal naar verwachting ongegrond worden verklaard.”
“Voorts heeft verzoekster zelf de betreffende documenten zonder verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan de voorzieningenrechter gezonden. Die stukken zijn doorgezonden aan Woo-verzoekster, die dus inmiddels over de volgens verzoekster geheim te houden stukken beschikt.”
“Gezien het voorgaande is er geen reden de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen.”
“Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.”
Animal Rights gaat er vanuit dat veehouders en hun belangenorganisaties desondanks opnieuw rechtsmiddelen zullen aanwenden tegen vergelijkbare Woo-besluiten. De kansloosheid, en blijkbaar ook de kosten, maken deze partijen niets uit. Het gaat niet om het winnen van deze zaken, maar om pogingen om openbaarmaking te traineren, om transparantie over wat zij met dieren doen, te vertragen en het democratische proces dat streeft naar transparantie te saboteren.
- ECLI:NL:RBNNE:2026:4504 ↩︎
- ECLI:NL:RVS:2023:2679. Zie voor een gelijkluidend oordeel over nagenoeg gelijkluidende Woo-besluiten de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 2 december 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:6393, en van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3620. ↩︎






