De juridische strijd voor transparantie over de vee-industrie V
Wanneer een organisatie als Animal Rights op grond van de Wet open overheid (Woo) om informatie verzoekt bij een overheidsinstantie, zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), verzamelt de behandelaar van het verzoek alle documenten die onder het informatieverzoek vallen en toetst deze vervolgens aan de in de wet opgenomen weigeringsgronden. Uitgangspunt van de Woo is: ‘openbaar, tenzij.‘
Informatie kan bijvoorbeeld worden geweigerd als openbaarmaking de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden of als het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten zwaarder weegt.
Wanneer de NVWA heeft bepaald welke informatie zij bereid is openbaar te maken, geeft zij de derde-belanghebbende(n), bijvoorbeeld een veehouderij of slachthuis waar de opgevraagde informatie betrekking op heeft, de mogelijkheid een zienswijze in te dienen. Deze zienswijze(n) wordt of worden vervolgens meegenomen in het besluit op het Woo-verzoek.
Na het besluit dat aan de aanvrager en de belanghebbende(n) wordt toegezonden, krijgt of krijgen deze laatste nog twee weken de tijd om openbaarmaking via de rechter tegen te houden.
Voorlopige voorziening
Een bestuursorgaan moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de dag van ontvangst van het Woo-verzoek, een beslissing nemen. Dit betekent dat de aangetroffen relevante informatie in beginsel binnen deze termijn aan de Woo-verzoeker moet worden verstrekt.
Een derde-belanghebbende kan tegen het Woo-besluit bezwaar maken en beroep instellen, maar dit mag niet ten koste gaan van de snelle afhandeling van het Woo-verzoek.
Het uitgangspunt van het bestuursrecht is dat een bezwaar tegen een besluit dat besluit niet schorst. Bij de Woo dreigt dan openbaarmaking als het bestuursorgaan van mening is dat informatie openbaar gemaakt moet worden. Om dat te voorkomen is een verzoek om een voorlopige voorziening nodig. 1
Motie Van der Plas
De mogelijkheid om om een voorlopige voorziening te vragen is echter niet bedoeld voor bezwaren of beroepen die evident kansloos zijn. Wordt deze mogelijkheid toch op die manier benut, dan zou dit afbreuk doen aan het zwaarwegende algemene belang van openbaarheid en aan de door de wetgever beoogde korte wettelijke doorlooptijden die de Woo voorschrijft.
De BBB wil dit ondergraven. In de door de Tweede Kamer aangenomen motie Van der Plas, voorgesteld op 21 mei 2025, wordt de regering verzocht om met een wetsvoorstel of wetswijziging te komen waarin wordt vastgelegd dat, als een derde-belanghebbende bezwaar maakt tegen een Woo-besluit, de openbaarmaking van dat besluit automatisch wordt opgeschort tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist.
Ook wordt de regering verzocht om in de tussentijd alle bestuursorganen op te roepen om openbaarmaking uit eigen beweging op te schorten als er bezwaar is ingediend, totdat daarover is besloten. 2
Bij een bezwaar ontbreekt een onafhankelijke toetsing. Het bestuursorgaan, in dit geval de NVWA, beoordeelt haar eigen besluit opnieuw. Bij een voorlopige voorziening is het de rechter die de belangen afweegt: het belang van openbaarmaking van publieke informatie tegenover het voorkomen van mogelijk nadeel voor de derde-belanghebbende(n) door die openbaarmaking.
Vaak valt die afweging uit in het voordeel van de derde-belanghebbende(n). Openbaarmaking is immers onomkeerbaar. Maar in gevallen waarin bezwaar tegen het openbaarmakingsbesluit kansloos is, zal de rechter openbaarmaking toestaan.
In een recente zaak van Animal Rights komt deze motie ter sprake. Animal Rights verzocht om alle publieke informatie die betrekking heeft op door de NVWA uitgevoerde inspecties, controles en bezoeken bij konijnenhouderijen over de periode van 24 maart 2022 tot 17 juli 2024 openbaar te maken. De minister en de NVWA besloten deze informatie deels openbaar te maken. Dat leidde tot een verzoek om een voorlopige voorziening van konijnenfokkers, waarbij de motie werd aangevoerd.
De rechter oordeelde dat de minister de motie (nog) niet heeft uitgevoerd en daarom “kan die motie geen rol spelen bij de beoordeling van dit verzoek om een voorlopige voorziening.” 3
Hij voegde daaraan toe: “Daar komt bij dat, ook als de minister deze motie wel zou uitvoeren, een zorgvuldige belangenafweging nog steeds vereist dat zij het belang van openbaarmaking zwaar laat meewegen, in die zin dat een kansloos bezwaar openbaarmaking niet zou mogen tegenhouden.”
Lees ook:
Kansloze bezwaren
De voorzieningenrechter beoordeelde in deze rechtszaak dus of het bezwaar enige kans van slagen had. “Als het bezwaar geen kans van slagen heeft, dan weegt het belang van openbaarmaking zwaarder dan het voorkomen van zinledigheid van de bodemprocedure na openbaarmaking.”
“Een bezwaar heeft geen kans van slagen als de openbaarmakingsbeslissing in overeenstemming is met vaste rechtspraak én er in bezwaar geen argumenten zijn aangevoerd die niet in deze vaste rechtspraak aan de orde zijn geweest. Als er wel argumenten zijn aangevoerd die niet eerder zijn beoordeeld in vaste rechtspraak is de verwijzing door verweerder naar vaste rechtspraak op zich onvoldoende. In dat geval beoordeelt de voorzieningenrechter of die argumenten zonder een behandeling in de bodemprocedure gepasseerd kunnen worden, met ander woorden: is zonder twijfel sprake van een rechtmatig besluit?”
De rechter benadrukt allereerst aan de hand van een eerdere uitspraak van de Raad van State dat het belang van openheid groot is: “De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 8 februari 2023 geoordeeld dat het openbaar maken van informatie over de wijze waarop een toezichthouder toezicht houdt op bedrijven het publieke belang dient van een goede en democratische bestuursvoering. Openbaarmaking van deze informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA. Dit sluit aan bij een ontwikkeling in wet- en regelgeving en in de bestuurspraktijk van toezichthouders om in toenemende mate actief toezichtinformatie over ondernemingen openbaar te maken. Ook overwoog de Afdeling in deze uitspraak dat onderwerpen als voedselveiligheid en dierenwelzijn in de maatschappelijke belangstelling staan en het verstrekken van bij de overheid aanwezige informatie over welke onderneming welke bedrijfsactiviteiten op welke wijze in deze bedrijfssector uitoefent een bijdrage levert aan het voeren van het maatschappelijke debat hierover en het vergroten van de transparantie van het toezicht hierop door de NVWA.”
Vervolgens beoordeelde hij of de argumenten van de konijnenfokkers kans van slagen hebben.
Argument 1: openbaarmaking van gegevens die zien op het bedrijf zijn in strijd zijn met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Het beroep op deze weigeringsgrond heeft geen kans van slagen. Het niet lakken van de bedrijfsnaam van verzoekster is in lijn met vaste rechtspraak. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het publieke belang van openbaarmaking niet in voldoende mate wordt gediend door een geanonimiseerde openbaarmaking van de stukken. 4
Daarin is ook overwogen dat de omstandigheid dat een bedrijfsnaam een familienaam bevat en het bedrijfsadres gelijk is aan een privéadres, geen uitzondering rechtvaardigt. Het is de keuze van een onderneming om een familienaam als bedrijfsnaam te voeren en een vestigingsadres te kiezen. Openbaarheid mag niet afhankelijk zijn van de vraag of een ondernemer zijn woonadres als vestigingslocatie gebruikt. 5 6
Argument 2: er zijn risico’s voor de veiligheid van personen en het bedrijf.
Ook het beroep op deze weigeringsgrond heeft geen kans van slagen: “Het is vaste rechtspraak 7 dat de vrees voor onevenredige gevolgen door openbaarmaking alleen onvoldoende is om openbaarmaking te weigeren. De enkele algemene veronderstelling van wat dierenrechtenactivisten zouden kunnen doen indien de naar verzoekster herleidbare gegevens openbaar worden gemaakt is daarvoor onvoldoende. Er moeten concrete, actuele aanknopingspunten zijn, aan de hand waarvan aannemelijk is dat sprake is van dreiging jegens verzoekster. Verzoekster heeft geen concrete, actuele dreiging richting haar bedrijf aannemelijk gemaakt. De verwijzingen naar verschillende acties van dierenactivisten zijn onvoldoende om concrete dreiging jegens verzoekster aan te nemen. Ook de video van 2019 geeft geen aanknopingspunt voor een concrete dreiging of een actueel risico jegens verzoekster. Partijen zijn het er niet over eens dat daadwerkelijk opnames op het bedrijf van verzoekster zijn gemaakt. Als dat het geval is, betekent dit dat er activisten op het bedrijf van verzoekster zijn geweest, zonder dat zij daarvoor toestemming hadden. De enkele aanwezigheid toen betekent echter niet dat nu, zes jaar later, aannemelijk is dat er concrete, actuele risico’s zijn voor de veiligheid van personen op en sabotage van het bedrijf van verzoekster.”
In deze zaak oordeelde de rechter dus aan de hand van de argumenten van de verzoekster en vaste rechtspraak dat het bezwaar geen kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De NVWA als schoothondje van de vee-industrie
Afgezien van het feit dat rechtbanken met enige regelmaat vergeten de indiener van het Woo-verzoek als derde-belanghebbende bij deze voorlopige voorziening-zaken uit te nodigen, is dit hoe het proces dient te verlopen.
Er is dus geen basis voor de uitvoering van de motie Van der Plas en ook geen noodzaak, behalve dan voor wie transparantie ziet als de grootste bedreiging voor de veehouderij. Zo blijven de belangenorganisaties van dierenuitbuiters, zoals BBB, LTO, POV en Vee&Logistiek, de Woo onophoudelijk aanvallen.
Lodders, Vee&Logistiek: “Het aantal WOO-verzoeken om gegevens openbaar te maken loopt de spuigaten uit. Hoe makkelijk wil je het kwaadwillende activisten maken? En het is toch te gek dat illegaal verkregen, suggestief gemonteerde beelden als bewijsmateriaal worden opgevoerd in rechtszaken? Vakmensen in de veehandel en transport verdienen beter dan dit.” 8
Verriet, POV: “Maar het openbaar maken van dit soort gegevens maakt hen doelwit van tegenstanders die überhaupt tegen veehouderij zijn en Nederlanders willen laten omschakelen naar een plantaardig dieet.” 9
Koopmans, LTO: “Persoonlijke informatie van boeren, veehandelaren en veetransporteurs is onvoldoende beschermd tegen openbaarmaking. Gezinnen gaan hier onder gebukt. De Woo móet op dit punt aangepast worden.”
De organisaties geven geen enkele onderbouwing van hun beweringen.
Toch heeft de NVWA besloten zich als een gewillig schoothondje achter deze clubs te scharen door de Wet open overheid verregaand te saboteren.
Voorheen stond onderaan een besluit op een Woo-verzoek de tekst: “De belanghebbenden krijgen de komende twee weken de gelegenheid om de openbaarmaking van deze informatie tegen te houden. Dit kunnen de belanghebbenden doen door (pro-forma) bezwaar te maken en door daarnaast de rechter te vragen dit besluit tot openbaarmaking te schorsen.”
Dat heeft men sinds de zomer verandert in: “De belanghebbenden krijgen de komende twee weken de gelegenheid om de openbaarmaking van deze informatie tegen te houden. Dit kunnen de belanghebbenden doen door (pro-forma) bezwaar te maken. Het is niet nodig om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen.”
Hiervoor bestaat geen juridische basis en Woo-verzoekers worden op onuitlegbare wijze benadeeld. Immers, zelfs bij een evident kansloos bezwaar wordt openbaarmaking nu tot nader orde, voor onbepaalde tijd geschorst, zonder dat een rechter daar een oordeel over kan vellen.
“Het algemeen belang van openbaarheid en het belang van verzoekers om tijdig binnen de wettelijke termijnen informatie te ontvangen, worden door de minister met voeten getreden.” 10
Animal Rights heeft in verschillende procedures met deze criminele houding van de NVWA te maken. Dat we dat niet accepteren spreekt vanzelf. Wordt ongetwijfeld vervolgd …
Lees ook het Follow the Money artikel:
Inspectie zet rechter buitenspel en overtreedt de wet onder druk van boerenlobby
En jurist Tim van Alten’s blog:
En zie ook:
Update – Kamervragen
Op 14 januari 2026 stellen de Partij voor de Dieren en Volt Kamervragen over deze zaak aan Frank Rijkaart (BBB), minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: 11
Vragen van de leden Kostić (PvdD) en Dassen (Volt) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het buitenspel zetten van de rechter en het overtreden van de wet door de NVWA bij de behandeling van Woo-verzoeken.
Heeft u kennisgenomen van het artikel ‘Inspectie zet rechter buitenspel en overtreedt de wet onder druk van boerenlobby’ van Follow The Money?
Kunt u bevestigen dat belangenorganisaties uit de vee-industrie grootschalig gecoördineerde acties hebben georganiseerd tegen het openbaar maken van informatie, waardoor de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) werd geconfronteerd met talloze bezwaren en verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen Wet open overheid (Woo)-besluiten?
Kunt u bevestigen dat de NVWA naar aanleiding hiervan besloot om deze procedures niet volgens de regels af te handelen, maar overging op een nieuwe werkwijze waarbij gegevens van alle bezwaarmakers niet meer openbaar worden gemaakt zolang het bezwaar loopt, wat er in feite op neerkomt dat de rechter er niet meer te pas komt bij het beoordelen van voorlopige voorzieningen en bezwaarschriften?
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie ernstig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat dit er in de praktijk toe leidt dat indieners van Woo-verzoeken een stuk later de gevraagde informatie krijgen en om verder uitstel te voorkomen zijn aangewezen op een civiele procedure, wat leidt tot aanzienlijk hogere kosten en drempels? Wat vindt u hiervan?
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van Woo-jurist Tim van Alten, die in de praktijk ervaart dat deze nieuwe werkwijze van de NVWA leidt tot onevenredige inspanningen en drempels voor indieners van Woo-verzoeken, waardoor het moeilijker wordt om bijvoorbeeld misstanden in de vee-industrie aan het licht te brengen? Deelt u deze zorgen?
Bent u ermee bekend dat als gevolg van de huidige werkwijze bij de NVWA Woo-verzoekers worden geconfronteerd met een situatie waarin de bezwaartermijn tegen een Woo-besluit aanvangt, terwijl de onderliggende documenten nog voor onbepaalde tijd niet zijn verstrekt?
Erkent u dat deze werkwijze ertoe leidt dat Woo-verzoekers bezwaar moeten maken tegen een besluit zonder de onderliggende documenten te hebben kunnen inzien, en dat het daardoor feitelijk onmogelijk is om te beoordelen of de openbaarmaking volledig is en of informatie ten onrechte is geweigerd of gelakt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onder deze omstandigheden voor Woo-verzoekers praktisch ondoenlijk is om binnen de geldende bezwaartermijn inhoudelijke bezwaargronden te formuleren en dat dit de rechtsbescherming van Woo-verzoekers ernstig onder druk zet? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA in deze situaties in de regel weigert om de termijn voor het indienen van inhoudelijke bezwaargronden te verlengen tot een moment waarop de documenten daadwerkelijk zijn verstrekt en hooguit een beperkte hersteltermijn van maximaal acht weken hanteert, terwijl binnen die termijn zelden op de bezwaren van derde-belanghebbenden is beslist?
Erkent u dat Woo-verzoekers onder normale omstandigheden zes weken de tijd hebben om, met kennisneming van de verstrekte documenten, hun bezwaar inhoudelijk te onderbouwen, en dat deze systematiek door de huidige werkwijze van de NVWA feitelijk wordt doorkruist?
Deelt u de opvatting dat deze praktijk onwenselijk is vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming en strijdig is met het doel en de strekking van de Wet open overheid? Zo nee, waarom niet?
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie onevenredig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat de NVWA bij invoering van deze nieuwe werkwijze zelf heeft aangegeven dat deze “niet geheel in overeenstemming is met hetgeen bepaald is in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Woo”? Onderschrijft u deze constatering? Zo nee, waarom niet en op welk juridisch advies baseert u zich dan (graag het advies meesturen)?
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van Cornelis van der Sluis, advocaat en oprichter van het Nederlands Kenniscentrum Open Overheid, die deze werkwijze van de NVWA “volledig in strijd met de wet” noemt? Wat gaat u hiermee doen?
Wanneer bent u, als politiek eindverantwoordelijk bewindspersoon voor de Wet open overheid, geïnformeerd over het besluit van de NVWA om deze nieuwe werkwijze in te voeren?
Kunt u aangeven op welk moment u de Kamer heeft geïnformeerd over dit ingrijpende besluit van de NVWA om af te wijken van de wettelijke procedures uit de Awb en de Woo?
Kunt u bevestigen dat de NVWA al over was gegaan op deze nieuwe werkwijze voordat de motie van het lid Van der Plas over Woo-verzoeken werd aangenomen door de Kamer? Hoe verklaart u dit?
Kunt u bevestigen dat de NVWA deze werkwijze vervolgens heeft uitgebreid naar Woo-verzoeken met minder dan vijftig belanghebbenden, terwijl uw ministerie op dat moment nog bezig was met een juridische analyse? Wat vindt u hiervan?
Kunt u bevestigen dat de Kamer niet werd geïnformeerd op het moment dat de NVWA overging op deze nieuwe werkwijze en deze later uitbreidde? Waarom is dat niet gebeurd en wat vindt u hiervan?
Kunt u bevestigen dat door uw ministerie aan Follow the Money is geantwoord dat de motie-Van der Plas nog niet kan worden uitgevoerd omdat hiervoor “een wetswijziging nodig [is]”?
Hoe verhoudt deze constatering zich tot het feit dat de NVWA al langere tijd een nieuwe werkwijze toepast waarmee wordt afgeweken van de bestaande wettelijke kaders?
Onderschrijft u dat de NVWA met deze nieuwe werkwijze in strijd met de Woo en de Awb handelt? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de NVWA op te roepen deze werkwijze te beëindigen en te waarborgen dat Woo-verzoekers pas worden gehouden aan het formuleren van inhoudelijke bezwaargronden nadat alle onder het Woo-besluit vallende documenten daadwerkelijk aan hen zijn verstrekt, met een redelijke termijn van ten minste vier weken? Zo nee, waarom niet?
Erkent u het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het functioneren van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid, wat daarnaast ook nog vele andere voordelen heeft voor de maatschappij zoals in kaart gebracht in het recente onderzoek De baten van transparantie van Instituut Maatschappelijke Innovatie en de Open State Foundation?
Erkent u dat tijdige toegang tot informatie essentieel is voor die controle en dat langdurige procedures en vertragingen ertoe kunnen leiden dat informatie haar waarde, nut en maatschappelijke relevantie verliest?
Bent u bereid om de NVWA op te roepen om de nieuwe werkwijze in te trekken en de Woo-verzoeken, bezwaren en voorlopige voorzieningen te behandelen conform de geldende wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Heeft u gezien dat mediaorganisaties er bij het opvragen van informatie op basis van de Woo ook nog eens tegenaanlopen dat de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) haar bevoegdheid misbruikt, waardoor informatie niet, of pas veel later, wordt geopenbaard?
Heeft u gezien dat deze mediaorganisaties zich genoodzaakt voelen om opnieuw juridische stappen te ondernemen tegen de minister van LVVN, omdat “vrije nieuwsgaring onmogelijk” wordt gemaakt? Wat vindt u hiervan?
Heeft u gezien dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding zich tot twee keer toe heeft uitgesproken tegen de handelswijze van de minister van LVVN, maar dat haar advies nog altijd niet worden opgevolgd?
Bent u bereid om de minister van LVVN op te roepen om een einde te maken aan dit misbruik van haar bevoegdheden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Update – Beantwoording
Staatssecretaris Van der Burg van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) beantwoorde de vragen op 3 maart 2026. Hij benadrukte daarbij dat hij als bewindspersoon van BZK verantwoordelijk is voor het openbaarheidsstelsel als geheel. “Ik ben niet verantwoordelijk voor een juiste uitvoeringen naleving van de Wet open overheid (Woo) door individuele bestuursorganen. Zij dienen hierover zelf verantwoording af te leggen.” Veel vragen ontwijkt hij door te zeggen dat hij de “signalen” meeneemt in de wetsevaluatie van de Woo, die dit jaar wordt uitgevoerd en met nietszeggende algemeenheden als: “Als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo vind ik het belangrijk dat informatie snel en tijdig openbaar wordt gemaakt en dat de belangen van zowel verzoekers als derdebelanghebbenden goed beschermd worden.”
Interessanter is dat uit antwoord 14 blijkt dat de NVWA heeft aangegeven “zich bij het invoeren van de pilot ervan bewust te zijn geweest dat de geschetste werkwijze op gespannen voet staat met het huidige wettelijke kader.” De staatssecretaris geeft in antwoord 16 de volgende tijdlijn weer: “Voor zover bekend, hebben medewerkers van mijn ministerie op 1 september2025 voor het eerst een signaal ontvangen dat de NVWA een afwijkende werkwijze zou hanteren. Toen was nog niet precies duidelijk wat de werkwijzevan de NVWA inhield en op welke punten deze werkwijze af zou wijken. Daaris vervolgens uitvraag naar gedaan bij de NVWA. Op 19 december 2025 werdvoor medewerkers van mijn ministerie, op basis van door de NVWAtoegestuurde informatie, duidelijk dat de NVWA een afwijkende werkwijzehanteerde met betrekking tot de schorsende werking van bezwaar inWoo-zaken. Op 7 januari 2026 is de toenmalig Minister van BZK geïnformeerdover deze werkwijze van de NVWA en op 9 januari 2026 heeft er eenambtelijk overleg plaatsgevonden tussen BZK en de NVWA. Tijdens dit overleg is door mijn medewerkers het belang van een juiste naleving van de Woo benadrukt.”
De NVWA startte in juli 2024 met de pilot. De motie van het lid Van der Plas is in mei 2025 aangenomen. In juni 2025 heeft de NVWA de pilot omgezet in een vaste werkwijze. De Kamer werd hierover niet geïnformeerd. Vanuit BZK was destijds nog niet gestart met de wetsevaluatie, waarin de gevolgen van de uitvoering van de motie Van der Plas worden meegenomen. “Als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo vind ik het belangrijk dat alle bestuursorganen de wet juist toepassen. Ieder bestuursorgaan is echter zelfverantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo.” Te slap, staatssecretaris!
- Motie Van der Plas uitvoeren? Emissiegegevens sneller openbaar! ↩︎
- Toepassing van de Wet open overheid; MOTIE VAN HET LID VAN DER PLAS ↩︎
- ECLI:NL:RBGEL:2025:9725 (eerder: ECLI:NL:RBGEL:2025:7344) ↩︎
- Uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2679 (RTL – Skal) ↩︎
- Uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:488 (RTL – Horeca) ↩︎
- Uitspraken van de Uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:489 (RTL – NVWA) ↩︎
- Uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:153 (MOB – LNV) ↩︎
- Helma Lodders (Vee&Logistiek): ‘Incidenten rond dierenwelzijn worden uitvergroot’ ↩︎
- Woo leidt tot toename van intimidatie en bedreiging ↩︎
- Bijdrage van Tim van Alten ↩︎
- Het buitenspel zetten van de rechter en het overtreden van de wet door de NVWA bij de behandeling van Woo-verzoeken ↩︎


















