Ook de vos is zijn/haar leven niet zeker in Friesland

aug 14, 2026 | Jacht

Op 21 november 2023 heeft het college van gedeputeerde staten van Friesland besloten een ontheffing te verlenen voor het vermoorden van vossen ter bescherming van weidevogels. Fauna4Life en Animal Rights hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 23 mei 2024 heeft de commissie voor bezwaar en beroep haar advies bekendgemaakt, waarna het college heeft besloten het bezwaar ongegrond te verklaren en de ontheffing in stand te laten. Animal Rights en Fauna4Life gingen in beroep. De zitting is op dinsdag 18 augustus 2026 bij de Rechtbank Noord-Nederland.

Het gaat slecht met de weidevogels in Nederland. Daarom worden al jarenlang diverse mogelijke predatoren van weidevogels gedood met de gedachte dat dit weidevogels helpt. Voor de vos geldt dat er jaarlijks ongeveer duizend individuen worden afgeschoten ter bescherming van weidevogels. Desondanks gaat het nog steeds slecht met de weidevogels. Alleen al daaruit blijkt dat afschot van mogelijke predatoren geen effectieve methode is om de neergang van weidevogels tegen te gaan.

Een maatregel die (wel) helpt, zo beamen alle deskundigen (en het college), is het verbeteren van de biotoop ofwel leefomgeving van weidevogels. Het college stelt dat zij zich hiervoor inspant, maar het gaat voor de weidevogels niet snel genoeg. Weidevogelgebieden blijven te beperkt van omvang en blijven onder druk staan van de intensieve landbouw, waardoor er (op intensief gebruikt agrarisch grasland) onder andere te weinig voedselaanbod is voor kuikens om vliegvlug te geraken. Op die manier zijn zij een eenvoudig doelwit voor mogelijke predatoren of overlijden zij al daarvoor aan uitputting en/of voedseltekort.

Dit betekent volgens de stichtingen dat de eerste stap in het verbeteren van de weidevogelstand het verbeteren van de biotoop is. Tot die tijd heeft het geen dan wel onvoldoende nut om mogelijke predatoren te doden, want de kuikens zullen het in geen geval overleven. Daarom meent de stichting dat het college zich meer dient in te spannen om een geschikte biotoop te realiseren en in elk geval tot die tijd geen afwijkingen van verbodsbepalingen mag toestaan, zodat het tij wordt gekeerd en niet zowel de weidevogels als diens mogelijke predatoren door menselijk handelen (afschot en intensieve landbouw) het blijven vergelden.

Dat is niet alleen onze mening maar ook die van diverse deskundigen:
“Reduceren van een of meerdere predatoren heeft alleen zin wanneer het leefgebied voor kuikens op orde is. Anders hebben kuikens nog steeds nauwelijks kans om groot te worden en als broedvogel terug te keren door onvoldoende voedsel.” 1

“Maatregelen om predatie te verminderen hebben alleen zin als de kwaliteit van het broedhabitat goed is. Omdat het grootste knelpunt de kuikenoverleving is, betekent dat dat er voldoende kuikenland moet zijn (bij voorkeur op hoog waterpeil). De doorslaggevende betekenis van lang gras met een open structuur (kuikenland) voor Grutto’s en Tureluurs vormt de les van 2006, toen door weersomstandigheden het maaien grootschalig werd uitgesteld tot begin juni en ook het boerengrasland een open structuur had. De goede habitatkwaliteit compenseerde kennelijk de predatieverliezen, wat leidde tot een goede reproductie.” 2

“Zolang in het gebied het habitat niet op orde is zal predatorbeheer niet kunnen leiden tot het gewenste herstel van een weidevogelpopulatie.” 3

Het is om die reden dat het college dient aan te tonen dat in het ontheffingsgebied (waar vossen gedood mogen worden) sprake is van voor weidevogels geschikt broedhabitat waar weidevogellegsels überhaupt de mogelijkheid hebben om op te groeien (ook als er geen predatie is). Is die mogelijkheid er niet en zijn de weidevogels hoe dan ook ten dode opgeschreven, dan is het niet effectief en doeltreffend, en dus ook niet noodzakelijk, om daarnaast ook nog predatoren te doden. 

In het bezwaarschrift stellen de stichtingen, met verwijzing naar de door de Europese Commissie vastgestelde ‘Richtsnoeren inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang uit hoofde van de habitatrichtlijn’ dat een andere bevredigende oplossing altijd eerst moet worden uitgevoerd alvorens overgegaan kan worden tot meer ingrijpende maatregelen, ook als die andere oplossing maar gedeeltelijk bevredigend is. Volgens de stichtingen zijn zowel het geschikt maken van de biotoop als het rondom daarvoor geschikte percelen aanbrengen van voswerende rasters bevredigende oplossingen. Vooralsnog is de biotoop niet geschikt gemaakt en zijn er geen voswerende rasters aangebracht, waardoor andere (gedeeltelijk) bevredigende oplossingen niet zijn uitgevoerd en de onderhavige ontheffing niet verleend had mogen worden.

In de beslissing op bezwaar verwijst het college naar het advies van de commissie die, net zoals het college in het primaire besluit, stelt dat verbetering van de biotoop niet gericht is op de bescherming van weidevogels tegen de vos en het daarom niet aangemerkt kan worden als een andere bevredigende oplossing.

De stichtingen kunnen dit standpunt (nog steeds) niet volgen. Een geschikt biotoop zorgt er (indirect) voor dat weidevogels zichzelf kunnen verdedigen tegen predatoren zoals de vos (zoals ook het geval was voordat het grondgebied grotendeels werd overgenomen door de intensieve landbouw). In geschikte graslanden kunnen weidevogels en hun kuikens zich beter verstoppen en tevens verkeren zij door voldoende voedselaanbod in een betere conditie waardoor zij sterker zijn en meer kans hebben om vliegvlug te geraken.

De Rechtbank Noord-Nederland oordeelde in haar uitspraak van 3 oktober 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:4167) over de vervolging van steenmarters om weidevogels te beschermen hetzelfde: 
“6.1.1 Eiseressen bestrijden de stelling van het college dat de gebieden waarvoor ontheffing is verleend voldoen aan de normen voor optimaal weidevogelbeheer. Eiseressen betogen dat eerst verdere verbetering van de gebieden noodzakelijk is voordat naar predatiebeheer gekeken zou kunnen worden. 
6.1.2 De rechtbank is allereerst van oordeel dat optimaal weidevogelbeheer aangemerkt kan worden als een “andere bevredigende oplossing”. Zoals ter zitting ook door eiseressen is betoogd, geven gebieden die ingericht zijn voor weidevogelbeheer de weidevogels meer mogelijkheden om te ontsnappen aan aanvallen van predatoren dan gronden die enkel bestemd zijn voor de landbouw.”  4

De stichtingen menen dat hetzelfde standpunt dient te gelden in de onderhavige zaak. Zij zien geen reden om anderszins te oordelen. 

Het is niet aan Animal Rights en Fauna4Life om te bewijzen dat de weidevogelbiotoop niet op orde is. Het is aan het college om de keuze voor de ontheffing en de ontheffingsgebieden goed te motiveren en dat heeft zij niet gedaan, omdat niet is aangetoond dat de weidevogelbiotoop voldoet. Het is zeer aannemelijk dat de ontheffingsgebieden niet voldoen, omdat het dezelfde ontheffingsgebieden betreft als in de steenmarter-zaak (waarin wél uitgebreid per gebied aan de criteria werd getoetst) en daarin al geconstateerd is door deze rechtbank dat de gebieden niet voldoen: 
“Aan bovengenoemde criteria moet een gebied dus voldoen, om ontheffing te kunnen krijgen voor het doden van steenmarters. […] De rechtbank constateert dat in ieder geval 11 van de 21 gebieden, namelijk Workumerwaard (inclusief de Workumer Ommelanden), Idzenga, Skrins en Skrok, Kollum, Tusken Wald, Feanhoop, Aldeboarn-De Deelen, It Bûtefljild, St. Johannesga, De Kouwen en Broek daar niet aan voldoen.”

Vaste jurisprudentie eist dat de minst ingrijpende maatregel altijd eerst uitgevoerd dient te worden, zelfs als die slechts gedeeltelijk geschikt zou zijn. Volgens de stichtingen kan de rechtbank niet eerst oordelen dat gebieden ongeschikt zijn (waardoor weidevogels niet kunnen overleven) en vervolgens dat predatiebeheer nodig is (om weidevogels te laten overleven). 

Het college ziet niets in rasters. De stichtingen menen dat nadelen die aan een (onder bepaalde omstandigheden) effectieve maatregel kleven er niet toe kunnen leiden dat de maatregel in geen enkel geval wordt uitgevoerd. Er zijn diverse voorbeelden bekend waar het gebruik van voswerende rasters effectief is om weidevogels te beschermen.

Dat de provincie streeft naar grotere gebieden maar daarin tot op heden niet slaagt, betekent niet dat andere (gedeeltelijk) bevredigende maatregelen niet uitgevoerd hoeven worden en direct overgegaan kan worden tot meer ingrijpende (en tevens nutteloze) maatregelen zoals afschot.

Het college houdt ook vast aan een bufferzone van 5 kilometer rondom de weidevogelgebieden waar de vos ook vogelvrij is. Maar dat een vos een afstand van vijf kilometer kan lopen is geen onderbouwing voor het standpunt dat elke vos op vijf kilometer afstand van een weidevogelgebied een gerechtvaardigd risico vormt voor de weidevogelstand. Dat betekent dat de motivering voor een bufferzone van vijf kilometer ontbreekt.

Een maatregel moet zowel doeltreffend en effectief zijn als zo min mogelijk ingrijpend, wat in dit geval betekent dat het college moet onderbouwen dat de maatregel, meer specifiek de te gebruiken bufferzone, de minimale omvang heeft die noodzakelijk is om weidevogels te beschermen en tegelijkertijd zo min mogelijk ingrijpend is voor de vos – en dus niet zo ruim en robuust als mogelijk. 

De stichtingen resumeren dat het gaat om dezelfde weidevogelgebieden waarvan in de steenmarter-zaak al is aangetoond dat deze niet voldoen. Dit betekent, in de woorden van de Rechtbank Noord-Nederland, dat de keuze voor de ontheffingsgebieden onvoldoende is gemotiveerd (voldoen deze wel of niet aan de noodzakelijke criteria) en het college daardoor niet aannemelijk heeft gemaakt dat het weidevogelbeheer in de ontheffingsgebieden daadwerkelijk op orde is.

  1. Factsheet predatie ↩︎
  2. WEIDEVOGELS EN PREDATIE: EEN LITERATUUROVERZICHT ↩︎
  3. Predatieproblematiek bij weidevogels ↩︎
  4. ECLI:NL:RBNNE:2025:4167 ↩︎

JIJ KAN DE DIEREN REDDEN

Word ambassadeur van de dieren en red ze met jouw bijdrage. Jouw hulp zet het belangrijke werk voor de dieren voort.

Elke bijdrage maakt een verschil! 🧡