Midden maart 2024 maakten Animal Rights, Fauna4Life en Natuurrijk bezwaar tegen een besluit van het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland tot het verlenen van een ontheffing onder de Wet natuurbescherming voor het vangen en doden van vossen, en het beschadigen en vernietigen van vaste voortplantings- en rustplaatsen van de vos, om andere beschermde soorten, meer specifiek boerenlandvogels (weide en akkervogels), te beschermen.
In november 2024 besloot Zuid-Holland (vanzelfsprekend) de bezwaren te negeren. 24 januari 2025 gingen de organisaties in beroep. De zitting daarvoor zal plaatsvinden op 28 mei 2026.
Het staat niet ter discussie dat het slecht gaat met boerenlandvogels. Wat wel ter discussie staat is de vraag of de staat van instandhouding van boerenlandvogels door het doden van predatoren verbetert. In het onderhavige geval stelt Zuid-Holland zich op het standpunt dat het jaarlijks, dag en nacht tussen 1 december en 30 juni vangen en doden van een onbeperkt aantal vossen in door de provincie aangewezen gebieden een bevredigende oplossing is om boerenlandvogels te beschermen.
Animal Rights, Fauna4Life en Natuurrijk stellen daarentegen dat predatie van boerenlandvogel(legsel)s door vossen niet de oorzaak is van de achteruitgang van boerenlandvogels en het vangen en doden van vossen in deze beheergebieden het probleem niet oplost.
Alle deskundigen zijn het eens over wat dan wel de oorzaak van de achteruitgang van boerenlandvogels is: boerenlandvogels hebben nauwelijks nog geschikt leefgebied om te broeden en hun kuikens met succes te laten opgroeien.
Niet predatie, maar het verdwijnen van geschikt leefgebied door steeds intensiever gebruik van het boerenland is de oorzaak van de slechte staat van instandhouding van boerenlandvogels. Juist daarom dient te worden ingezet op vergroting en verbetering van leefgebieden zoals ook in de Vogelrichtlijn verplicht is gesteld.
Het reduceren van een of meerdere predatoren heeft geen zin wanneer het leefgebied voor kuikens niet op orde is. Kuikens hebben ook zonder predatoren nauwelijks kans om groot te worden en als broedvogel terug te keren door onvoldoende voedsel.
Een ei dient allereerst uit te komen (nestsucces) en vervolgens moet een kuiken vliegvlug worden (broedsucces) om uiteindelijk op te kunnen groeien tot en terug te keren als broedvogel, wil de soort een kans maken.
Juist dat laatste (het broedsucces) blijkt in Nederland het knelpunt te zijn, met name door voedseltekorten in de bodem, hetgeen slechts verbeterd kan worden door de leefgebieden op orde te brengen en een gezondere bodem en betere biodiversiteit te realiseren.
Desondanks worden in Nederland vooral maatregelen – predatorenbeheer – genomen om het nestsucces te verhogen. Of een hoger nestsucces wordt bereikt, doet er niet toe zolang er door ongeschikt leefgebied een voedseltekort is: kuikens zullen in dat geval alsnog overlijden.
Een ontheffing is een uitzondering op een verbod en moet zo min mogelijk ingrijpend én noodzakelijk zijn. Dat betekent dat de ontheffing zoveel als mogelijk beperkt moet worden, zo ook in omvang. Ook kan de ontheffing alleen verleend worden als de maatregelen helpen (effectief zijn) om het doel te behalen. Als dat het geval is, dan moet eerst gekozen worden voor de minst ingrijpende maatregelen, ofwel andere bevredigende oplossingen, waarbij het doden van een diersoort altijd het laatste redmiddel dient te zijn.
Als een maatregel, zoals in het onderhavige geval het wegnemen van predatoren, geen nut heeft, is deze ook niet nodig en al helemaal niet noodzakelijk en kan geen ontheffing worden verleend om de maatregel zekerheids- of gemakshalve alsnog toe te staan.
Animal Rights, Fauna4Life en Natuurrijk menen dat aan al deze eisen niet of onvoldoende is voldaan, waardoor de ontheffing onrechtmatig is en niet verleend had mogen worden.
De stichtingen concluderen dat, als het al mogelijk is om, ondanks de intensieve landbouw, het uitsterven van diverse soorten boerenlandvogels een halt toe te roepen – en dat hopen wij van harte – de focus moet worden gelegd op het verbeteren van het leefgebied en dat gebeurt in elk geval niet zolang de aandacht blijft gaan naar het afschieten van andere beschermde diersoorten.
Deze problematiek moet zo snel mogelijk anders worden aangepakt, omdat er anders geen weg terug meer is voor de boerenlandvogels.
In Zuid-Holland lijkt de wil daartoe te ontbreken. Zuid-Holland heeft er juist een handje van om massamoord op predatoren in te zetten om het falende provinciale weidevogel-beleid te verbloemen.
Update mei 2026
Voor de zitting van 28 mei 2026 bij de Rechtbank Den Haag dienden Animal Rights, Fauna4Life en Natuurrijk op 16 mei een gecombineerd aanvullend beroepschrift en reactie op het verweerschrift van de provincie Zuid-Holland in. Zuid-Holland wil, in plaats van weidevogelgebieden op orde te brengen, vossen afschieten om weidevogels te beschermen. De jagers tevreden, want ze kunnen hun bloedlust botvieren, maar het doet niets voor de weidevogels.
Voor de inrichting van weidevogelgebieden is het vooral belangrijk dat ze van voldoende omvang zijn, 250 hectare is een absoluut minimum, maar een gebied dat tien keer zo groot is, zou in de praktijk het minimum moeten zijn. Om het predatierisico te beperken, dient een zo groot mogelijk gebied omrasterd te worden. Een bufferzone van een kilometer moet dan minder aantrekkelijk voor predatoren worden gemaakt. Het broedgebied zelf moet voldoende variatie bieden voor de weidevogels: een hoge grondwaterstand, daardoor een afwisseling van hoge en lage, open en gesloten vegetatie, bestaande uit een mengsel van grassen en kruiden, waardoor de vogels voldoende mogelijkheid hebben zich te verschuilen en voedsel te vinden voor hun jongen.
Het effect van vossenafschot lijkt beperkt te zijn. Bekend is dat op plekken waar vossen geschoten worden andere predatoren weer meer kansen krijgen. De vos zorgt in de wei voor verjaging en predatie van ‘lastige’ dieren zoals muskusratten en grauwe ganzen en kleinere roofdieren. Een alternatief voor afschot om weidevogellegsels te beschermen is dus het afrasteren van gebieden.
Louter economische kosten mogen geen reden zijn om de oplossing niet toe te passen. Daarnaast geldt dat er op dit moment een inbreukprocedure loopt tegen de staat, wat volgens de stichtingen inhoudt dat kosten en tijdsinvestering al helemaal geen reden meer mogen zijn om een andere bevredigende oplossing niet uit te voeren en daarentegen aan symptoombestrijding (doden van mogelijke predatoren) te blijven doen.
Dit blijkt overigens ook uit de kamerbrief 1 van 11 mei 2026: “Ten aanzien van de vraag over financiële middelen: voor agrarisch natuurbeheer is vanaf 2026 structureel €200 miljoen per jaar extra beschikbaar gesteld. Tot 2025 werd ongeveer de helft van het budget voor Agrarisch natuur- en landschapsbeheer besteed aan weidevogelbeheer. Het vorig kabinet heeft aangegeven dat de extra middelen uit het Startpakket voor Agrarisch Natuurbeheer met prioriteit in worden gezet in leefgebieden voor de grutto, en in gebieden rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Ook voor dit kabinet is het uitgangspunt dat we voldoende geld vrijmaken voor zwaar beheer waarmee we de grutto helpen en doen wat nodig is in het licht van de Europese inbreukprocedure. […] Daarnaast worden de investeringsgelden voor de aanleg van zwaar beheer de eerstkomende jaren uitgebreid. Bovendien zal bij de nadere invulling van de €20 miljard tot en met 2035 uit het coalitieakkoord zorgvuldig worden bezien hoeveel aanvullende inzet wenselijk is. Het is mijn overtuiging dat hiermee vooralsnog voldoende middelen beschikbaar zijn voor de grutto.”
In het beroepschrift verwijzen de stichtingen naar de geldende voorwaarden voor weidevogel(kern)gebieden die zijn opgenomen in het Natuurbeheerplan Zuid-Holland. Nog steeds is niet duidelijk welke ontheffingsgebieden (waar men afschot wil toestaan) aan deze voorwaarden voldoen. Daarentegen geeft Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) wel toe dat sommige ontheffingsgebieden nooit aan deze voorwaarden kunnen voldoen. Dit betekent dat in die (en andere ongeschikte) gebieden geen ontheffing verleend kan worden voor het doden van predatoren, omdat dat geen enkel nut heeft.
ODH blijft in het verweerschrift bij de kleuterredenering dat uitbreiding en verbetering van de habitat van weidevogels geen andere bevredigende oplossing is, omdat deze oplossing gericht zou zijn op de bescherming van weidevogels en niet op de bescherming van weidevogels tegen predatie. Maar het gaat er natuurlijk niet om dat weidevogels worden beschermd tegen predatoren, maar dat weidevogels worden beschermd. Als dat kan met een maatregel waarbij geen verbodsbepalingen uit het soortenbeschermingsrecht worden overtreden (zoals het verbod op het doden van beschermde dieren als de vos), dan moet díe maatregel geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd en mag het doden van vossen niet plaatsvinden.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 3 oktober 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:4167) dat optimaal weidevogelbeheer aangemerkt kan worden als een ‘andere bevredigende oplossing’. Alleen in (voldoende) optimaal weidevogelbiotoop kan verhoogd nestsucces ook daadwerkelijk leiden tot een grotere weidevogelpopulatie. Aan dat ‘optimaal weidevogelbiotoop’ zijn door deskundigen grondig onderbouwde voorwaarden verbonden die zijn opgenomen in het Actieplan Grutto. Zuid-Holland heeft de voorwaarden opgenomen in het Natuurbeheerplan. Bijvoorbeeld Friesland heeft per ontheffingsgebied aangegeven of aan de voorwaarden is voldaan, waardoor de rechtbank per gebied kon controleren of dit juist was. In Zuid-Holland is deze informatie niet beschikbaar of maakt, in elk geval, geen onderdeel uit van het dossier en is dus niet controleerbaar. In elk geval is het zeer aannemelijk dat de gebieden niet aan deze voorwaarden voldoen, wat betekent dat het doden van predatoren nutteloos is en dus niet mag worden toegestaan.
In het beroepschrift onderbouwden de stichtingen al dat de ontheffing niet is toegestaan doordat deze ruimer is dan noodzakelijk, vanwege de bufferzone van vijf kilometer en de jaarlijkse afschotperiode van 1 december tot en met 30 juni. Ook is de geldigheidsduur van de ontheffing te lang.
Lees ook:
En:


















