Op 26 februari 2026 dienden Animal Rights en Fauna4Life de gronden van bezwaar in tegen het door het college van Gedeputeerde Staten van Groningen op 24 december 2025 gepubliceerde besluit om jaarlijks tussen 1 december en 1 juli maximaal honderd steenmarters te vangen en doden in vier door het college aangewezen gebieden. Ook Groningen doet dus aan symptoombestrijding in plaats van in te zetten op echte bevredigende oplossingen om weidevogels te beschermen.
De systematiek
De lidstaten van de Europese Unie zijn op grond van de Habitatrichtlijn, meer specifiek artikel 12, verplicht om de nodige maatregelen te treffen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV vermelde diersoorten, waarbij het onder meer verboden is om deze in het wild levende soorten opzettelijk te vangen of doden.
Artikel 16 van de Habitatrichtlijn bepaalt dat lidstaten hiervan in bepaalde gevallen mogen afwijken, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Alle in deze artikelen van de Habitatrichtlijn genoemde cumulatieve uitzonderingen (er is een noodzaak, geen andere bevredigende oplossing en de staat van instandhouding verslechtert niet) om een afwijking op een verbodsbepaling (vangen, doden en verstoren van beschermde diersoorten) te mogen toestaan, zijn in Nederlandse wetgeving overgenomen voor zowel Habitatrichtlijnsoorten áls nationaal beschermde soorten. De begrippen / definities zijn hetzelfde en dienen ook hetzelfde te worden uitgelegd voor zowel Habitatrichtlijnsoorten als nationaal beschermde soorten, waaronder de steenmarter.
Om het in de Habitatrichtlijn bepaalde juist te kunnen duiden heeft de Europese Commissie richtsnoeren opgesteld. De richtsnoeren kunnen gebruikt worden om te beoordelen of begrippen / definities / afwijkingsmogelijkheden op de juiste manier zijn geïnterpreteerd.
De Vogelrichtlijn licht vervolgens toe wat van lidstaten verwacht wordt om vogelsoorten te behouden, zoals bescherming van leefgebieden.
Het probleem: niet predatoren, maar de intensieve landbouw
Het staat niet ter discussie dat het slecht gaat met weidevogels. Wat wel ter discussie wordt gesteld is de vraag of de staat van instandhouding van weidevogels door het doden van predatoren verbetert.
De stichtingen stellen dat predatie van weidevogel(legsel)s door steenmarters niet de oorzaak is van de achteruitgang van weidevogels en dat het doden van steenmarters in de daarvoor aangewezen gebieden het probleem niet oplost.
Alle deskundigen zijn het eens: weidevogels hebben nauwelijks nog geschikt leefgebied om te broeden en hun kuikens met succes te laten opgroeien.
Het grootste probleem voor de weidevogels is het verdwijnen van geschikt leefgebied door het steeds intensievere gebruik van het ‘boerenland’. De grootschalige weidelandschappen met een te lage grondwaterstand en eentonig raaigras dat vaak en vroeg in het jaar gemaaid wordt, bieden weidevogels te weinig voortplantingskansen. Maar ook stadsuitbreiding, wegenaanleg en de toenemende recreatie kunnen op gebiedsniveau belangrijke negatieve factoren zijn.
Wat zinloos is en wat wél te doen
Goede weidevogelgebieden zijn de afgelopen decennia steeds schaarser geworden. Om de weidevogels te redden is het dan ook een absolute voorwaarde dat er meer geschikt kruidenrijk grasland komt waar kuikens veilig zijn en voldoende voedsel kunnen vinden. Bij voldoende geschikt leefgebied is predatie geen gevaar voor het voortbestaan van de soort. De inspanning in Nederland moet dus vooral gericht zijn op het vergroten en verbeteren van leefgebied van weidevogels. Dat betekent een hoog waterpeil, voldoende openheid en rust, voldoende oppervlakte kruidenrijk grasland en voldoende kuikenland. Het bestrijden van predatoren begint bij maatregelen zoals het landschap ongeschikter maken voor predatoren en door predatoren te weren, bijvoorbeeld met tijdelijke rasters of schrikdraad.
Dat houdt in dat Groningen eerst zogenaamde weidevogelkerngebieden dient vast te stellen en deze gebieden vervolgens goed zal moeten inrichten. Pas daarna kan de reproductie effectief onderzocht worden en indien blijkt dat er toch nog predatieverliezen zijn, dient te worden onderzocht wie die predatoren zijn én of het effectief en doeltreffend (en dus nodig) is om in te grijpen. Op elk moment daarvoor heeft het wegnemen van predatoren geen enkel nut.
Reduceren van een of meerdere predatoren heeft alleen zin wanneer het leefgebied voor kuikens op orde is. Anders hebben kuikens nog steeds nauwelijks kans om groot te worden en als broedvogel terug te keren door onvoldoende voedsel. Maatregelen om predatie te verminderen hebben alleen zin als de kwaliteit van het broedhabitat goed is. Omdat het grootste knelpunt de kuikenoverleving is, betekent dat dat er voldoende kuikenland moet zijn. In dit opgroeihabitat moet voldoende voedsel in de vorm van bodeminsecten en regenwormen aanwezig zijn, maar deze moet ook voldoende bereikbaar zijn voor de kuikens. De voedselbeschikbaarheid wordt bepaald door onder andere de timing, type en mate van bemesting, waterpeil en vegetatiehoogte. Ook voor de kans op predatie is het opgroeihabitat van belang, omdat deze bepalend is voor de aanwezigheid en dichtheden van predatoren, evenals voor het al dan niet bieden van voldoende dekking.
Nestsucces en broedsucces
Twee belangrijke factoren (waarvan de reproductie van weidevogels afhankelijk is) moeten van elkaar worden onderscheiden: het zogenaamde nestsucces en het zogenaamde broedsucces (ofwel kuikenoverleving). Een ei dient allereerst uit te komen (nestsucces) en vervolgens moet een kuiken vliegvlug worden (broedsucces) om uiteindelijk op te kunnen groeien tot broedvogel, wil de soort een kans maken om met succes te reproduceren.
Juist dat laatste (het broedsucces) blijkt in Nederland het knelpunt te zijn, met name door voedseltekorten in de bodem, hetgeen slechts verbeterd kan worden door de leefgebieden op orde te maken en een gezondere bodem en betere biodiversiteit te realiseren.
Groningen
De stichtingen resumeren dat, om het probleem op te lossen, voldoende geschikt leefgebied voor weidevogels gecreëerd moet worden. Groningen is daartoe allereerst verplicht op grond van de Vogelrichtlijn en daarnaast dient het college te voorkomen dat, in strijd met de Habitatrichtlijn en de Omgevingswet, maatregelen zoals de onderhavige worden uitgevoerd voordat het gebied op orde is, waardoor de maatregelen geen effect hebben.
In het ‘Actieplan Grutto’ van de Vogelbescherming en ‘Predatieproblematiek bij Weidevogels’ van Sovon wordt uitgelegd wanneer gesproken kan worden van een voor weidevogels geschikt opgroeihabitat en wat daarvoor nodig is.
Diverse provincies hebben in hun beleid cijfermatige (en dus controleerbare) criteria opgenomen waaraan gebieden moeten voldoen om als geschikt leefgebied voor weidevogels te dienen. In Groningen is dat het ‘Natuurbeheerplan Groningen’, waarin de eisen voor een geschikte biotoop letterlijk zijn overgenomen uit het Actieplan Grutto.
Door duidelijke criteria op te nemen in provinciaal beleid kan het voor zowel het bevoegd gezag als derden mogelijk worden te controleren of aan de criteria wordt voldaan en het gebied geschikt is voor weidevogels,
Is dat het geval, (pas!) dan kan het nemen van de volgende stap (het monitoren van de reproductie om te beoordelen of er een probleem resteert en waardoor dat probleem wordt veroorzaakt) effect hebben. En dat monitoren dient zorgvuldig te gebeuren, immers, de enkele aanwezigheid van een predator in het gebied betekent niet direct dat die predator ook verantwoordelijk is voor het nog steeds beperkte broedsucces van de weidevogels en dat het verjagen of afschieten van die predator het broedsucces versterkt, zelfs niet als dat middels monitoring in soortgelijke gebieden wel het geval blijkt te zijn. Bovendien kan het zo zijn dat predatie plaatsvindt zonder dat het een probleem voor de reproductie van weidevogels vormt.
Het is dus niet voor niets dat predatorenbeheer pas als laatste stap (met het doden van predatoren als ultimum remedium) wordt genoemd. Predatorenbeheer heeft in elk geval geen nut als het gebied nog niet op orde is en zelfs als geverifieerd wordt dat het gebied wel op orde is, kan uit daaropvolgende gebiedsspecifieke monitoring blijken dat predatie geen problemen geeft. In dat geval is afschot van predatoren ecologisch gezien niet nodig en dus juridisch gezien ook niet toegestaan.
De toegestane maatregelen (afwijkingen) vergund door Groningen moeten resulteren in de bescherming van de vogels. Tegelijkertijd moet een vergunning die een uitzondering op een verbod is, zo min mogelijk ingrijpend en noodzakelijk zijn. Een vergunning kan alleen verleend worden als de maatregelen helpen (effectief zijn) om het doel te behalen. Als dat het geval is, dan moet eerst gekozen worden voor de minst ingrijpende maatregelen, ofwel andere bevredigende oplossingen, waarbij het doden van een diersoort altijd het laatste redmiddel dient te zijn.
De stichtingen menen dat aan deze (en andere) eisen niet of onvoldoende is voldaan, waardoor de vergunning onrechtmatig is en niet verleend had mogen worden.
Voorhand
In voorschrift 2 is onder meer opgenomen dat per weidevogelkerngebied een uitvoeringsplan opgesteld dient te worden waaruit duidelijk wordt dat predatiebeheer op steenmarter noodzakelijk is. Het uitvoeringsplan dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag en na goedkeuring kan er gestart worden met het beheer.
De stichtingen achten deze handelswijze in strijd met de wettelijke systematiek. Al in de aanvraag om een vergunning dient te worden onderbouwd waarom de vergunning (hier predatiebeheer) noodzakelijk is, zodat het bevoegde gezag dit kan beoordelen en op basis daarvan de vergunning kan afwijzen of verlenen. Vervolgens hebben belanghebbenden de mogelijkheid om met het gebruik van rechtsmiddelen de uitvoering van de vergunning te voorkomen of te doen beëindigen.
In het onderhavige geval is (blijkbaar) nog niet onderbouwd, per gebied, waarom predatiebeheer noodzakelijk is. Dit volgt uit het uitvoeringsplan, dat pas na verlening van de vergunning ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag. Belanghebbenden kunnen tegen dit uitvoeringsplan niet meer in rechte opkomen. Deze werkwijze is in strijd met onder andere het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en onder meer daardoor niet toegestaan.
Noodzaak
Uit het dossier blijkt niet dat het biotoop voldoende geschikt is voor weidevogels. In dat geval heeft het doden van predatoren geen nut en ontbreekt vanzelfsprekend de noodzaak.
Andere bevredigende oplossingen
Het is niet toegestaan om beschermde diersoorten (in dit geval steenmarters) te doden als er ook een andere oplossing is om het doel (in dit geval de bescherming van weidevogels) te behalen.
In het onderhavige geval kan niet gesproken worden van een “resterend” probleem, omdat andere (gedeeltelijk) bevredigende oplossingen niet voldoende zijn uitgevoerd of zijn beoordeeld. In het eerste geval betreft dit het geschikt maken van leefgebieden voor weidevogels (zodat zij zichzelf kunnen verdedigen), in het tweede geval betreft het maatregelen zoals het plaatsen van rasters en watergangen.
Te ruim
Een vergunning om af te wijken van verbodsbepalingen dient zo min mogelijk ingrijpend te zijn – ook in tijd. De stichtingen betwisten dat het noodzakelijk en proportioneel is om steenmarters te vangen en te doden gedurende maar liefst zeven maanden, namelijk van 1 december tot 1 juli.
Hierbij is van belang dat er een causaal verband dient te zijn tussen het toestaan van de afwijking (doden van steenmarters) en het wettelijk belang (bescherming weidevogels). Op het moment dat er nog geen weidevogel(legsel)s zijn is er geen causaal verband tussen het doden van een steenmarter en het beschermen van een weidevogel(legsel): er is geen schade of concrete dreiging daarvan. Het heeft ook geen nut om in die eerste maanden al steenmarters te doden, omdat andere steenmarters het territorium zullen innemen.
Slotsom
De stichtingen concluderen dat, als het al mogelijk is om (ondanks de intensieve landbouw) het uitsterven van weidevogels een halt toe te roepen (en dat hopen zij van harte), de focus geheel moet worden gelegd op het verbeteren van het leefgebied van de weidevogels en dat gebeurt in elk geval niet zolang de aandacht blijft gaan naar het vangen en doden van andere beschermde diersoorten – terwijl de ervaring leert dat de staat van instandhouding van de weidevogels daardoor niet verbetert. Deze problematiek moet zo snel mogelijk anders worden aangepakt om het tij voor weidevogels (en verdoemde predatoren) te keren.


















