Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) besliste op 2 december 2025 op het beroep van Animal Rights tegen de afwijzing van haar handhavingsverzoek om enkele schapenhouders te dwingen tot verdere maatregelen om hun schapen te beschermen tegen de wolf. 1
Bij de landbouwminister/NVWA heeft handhaving van de bescherming van landbouwhuisdieren tegen aanvallen van de wolf geen prioriteit en ze is van mening dat handhaving onevenredig en niet doeltreffend is.
Lees ook: RECHTSZAAK OM BESCHERMING VAN GEHOUDEN DIEREN TEGEN ROOFDIEREN AF TE DWINGEN
De rechtbank oordeelde dat de betreffende schapenhouders hun schapen moeten beschermen tegen wolven. Zij houden hun schapen namelijk in of nabij een wolvenleefgebied en hun schapen zijn vaker aangevallen door (vermoedelijk) een wolf. De Faunaschade PreventieKit voor wolven van BIJ12 is niet bindend, maar geeft wel een bruikbare leidraad voor de vereiste beschermingsmaatregelen. Eén van die maatregelen is afrastering met (stroom)draden.
De NVWA was van mening dat artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren (Bhd), dat zegt dat buiten gehouden dieren bescherming moet worden geboden onder andere tegen roofdieren een open norm is. Die open norm moet volgens de landbouwminister/NVWA “nog worden geconcretiseerd en deze concretisering moet nog worden bekendgemaakt aan degenen tot wie de norm zich richt. Dat proces is nog niet afgerond. Er is nog geen beleid over de hoeveelheid en de soort beschermingsmaatregelen die houders van dieren moeten nemen tegen de gevaren van de wolf. Handhaving van bescherming van landbouwhuisdieren tegen aanvallen van de wolf heeft op dit moment daarom geen prioriteit.”
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) zegt hierover: “Zoals het College eerder heeft overwogen in de uitspraken van 17 november 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:368) en van 25 mei 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:514), laat de omstandigheid dat deze open normen in algemene zin nadere invulling behoeven, onverlet dat in een concreet geval sprake kan zijn van een overtreding waartegen in beginsel dient te worden opgetreden.”
Verder is de Landbouwminister/NVWA van mening dat de in de preventiekit aanbevolen beschermende maatregelen (waaronder het wolfwerend raster) niet bij of krachtens de Wet dieren dwingend zijn voorgeschreven.
Het CBb zegt daarover: “Dat neemt niet weg dat de preventiekit naar het oordeel van het College de minister naar de huidige omstandigheden bruikbare aanknopingspunten geeft voor de beoordeling of een schapenhouder zijn schapen voor zover mogelijk al dan niet voldoende bescherming biedt tegen aanvallen van een wolf. De beschermende maatregelen in de preventiekit zijn als effectief beoordeeld op basis van onderzoek waarbij gebruik is gemaakt van beschikbare studies (wetenschappelijk of praktijk), beoordelingen door experts en ervaringen van agrariërs uit de praktijk. In de preventiekit staat, kort gezegd, dat de kans op een aanval door de wolf (predatie) sterk beperkt kan worden door de inzet van de daarin genoemde preventieve maatregelen.”
De rechtbank oordeelde vervolgens dat de schapenhouder uit Drenthe gedaan had “wat onder de huidige omstandigheden van hem verwacht kan worden om zijn schapen tegen aanvallen van de wolf te beschermen, zodat geen sprake is van een overtreding van artikel 1.6, derde lid, van het Bhd.” Handhaven was daarom niet nodig. 2
De Brabantse schapenhouder gebruikte rasters met twee (stroom)draden. Dat zijn er te weinig om te voorkomen dat een wolf een kudde kan bereiken. Daarom moet de minister onderzoek doen naar de oorzaak van de aanvallen en de maatregelen die deze schapenhouder moet treffen. Daarbij kan de minister ook andere bronnen dan de PreventieKit gebruiken. De minister moet in deze zaak na het onderzoek een nieuw besluit nemen. 3
In de woorden van het CBb: “Een volgens de preventiekit effectief te achten wolfwerend raster ontbrak dus bij de aanvallen en niet valt uit te sluiten dat de wijze waarop de schapenhouder zijn percelen heeft afgerasterd ertoe heeft geleid dat de wolf de percelen van de schapenhouder is binnengedrongen. Er waren daarom concrete aanwijzingen dat de schapenhouder zijn schapen onvoldoende bescherming bood tegen de wolf, en de minister had daarom nader onderzoek moeten doen naar aanleiding van het handhavingsverzoek. Daarbij valt op zijn minst te denken aan navraag bij de schapenhouder welke (aanvullende) beschermende maatregelen hij heeft genomen om zijn schapen te beschermen tegen aanvallen door de wolf. Omdat dit niet is gebeurd, heeft de minister bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis vergaard over de feiten die relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of de schapenhouder artikel 1.6, derde lid, van het Bhd heeft overtreden. Daarom is het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Voor de conclusie van de minister dat de schapenhouder naar (de huidige) omstandigheden zijn dieren voldoende bescherming heeft geboden tegen aanvallen van de wolf, is dan ook onvoldoende basis. Het besluit is daarom ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, waarin staat dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.”
De eindconclusie van het CBb in het geval van de Brabantse schapenboer is:“Het beroep is gegrond en het College zal het bestreden besluit vernietigen. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van wat hiervoor is overwogen. De minister zal bij de schapenhouder nader onderzoek moeten doen naar welke beschermende maatregelen hij heeft genomen om aanvallen op zijn schapen van de wolf te voorkomen en vervolgens beoordelen wat onder de huidige omstandigheden van een schapenhouder verwacht kan worden. Hij kan daarvoor de preventiekit of andere bronnen over effectieve, beschermende maatregelen tegen de wolf tot uitgangspunt nemen. De minister zal aan de hand van dit onderzoek moeten motiveren of de schapenhouder artikel 1.6, derde lid, van het Bhd (gedeeltelijk) overtreedt en, indien dat zo is, of en welke maatregelen hij passend vindt. Het College stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.”
Deze uitspraak is definitief; het College van Beroep voor het bedrijfsleven is de eindrechter in deze zaak.


















