Bijna 30 jaar geleden, op 4 februari 1997, kwam het bericht dat er klassieke varkenspest (KVP) was uitgebroken in Venhorst (gemeente Boekel, provincie Noord-Brabant). Twee dagen eerder ging het gerucht al rond dat er KVP zat in Nederland en waren varkensboeren druk bezig met nog zoveel mogelijk varkens van A naar B te verplaatsen. De uitbraak van klassieke varkenspest trof in 1997 en tot maart 1998 429 bedrijven. In totaal werden 700.000 dieren afgemaakt op besmette bedrijven en daarnaast werden nog eens 1,1 miljoen varkens preventief geruimd. In het kader van de opkoopregeling werden 8,1 miljoen varkens en biggen opgekocht en vermoord; de stallen zaten vol, maar er was geen markt meer. De totale kosten bedroegen € 2,2 miljard, grotendeels betaald door de belastingbetaler.
Deze week kreeg Animal Rights een getuigenis toegestuurd van een voormalig ‘logistiek medewerker afvoer’ die anoniem wil blijven. Hij werd geraakt door het recente debat en Kamervragen over het feit dat “nog steeds structureel tientallen levende dieren (zoals biggen) als ‘kadaver’ bij Rendac worden gedumpt.” Hij wil zijn verhaal delen omdat “de varkens met hun ogen me nog steeds aankijken”.
Lees en huiver! Dit nooit meer!
1. De nood-locatie op het Promest-terrein te Helmond
Tijdens de klassieke varkenspestepidemie van 1997-1998 bleek de reguliere destructiecapaciteit van Rendac in Son al snel volledig ontoereikend voor de miljoenen te ruimen dieren. Als logistieke noodgreep werd op het industrieterrein in Helmond, op het terrein van mestverwerker Promest (waarbij ook Den Ouden betrokken was), een grootschalige, tijdelijke nood-dodings- en destructiefaciliteit ingericht. Hier werd een industriële elektrocutie-straat gebouwd. Varkens werden door een gangenstelsel geleid waar zij onder geëlektrificeerde kettingen door moesten lopen.
Productietijden: Er werd dagelijks onder extreme tijdsdruk gewerkt in lange, uitputtende shifts die startten om 06:00 uur ’s ochtends en eindigden om 21:00 uur ’s avonds (diensten van 15 uur).
Capaciteit: De dagelijkse aantallen gedode dieren fluctueerden afhankelijk van de aanvoer van 7.000 varkens per dag tot een absoluut record van 15.000 varkens per dag.
2. De logistiek van de afvoer en de export naar Oost-Duitsland
Terwijl de aanvoerstroom en het doden onder maximale druk doorgingen, vormde de afvoer van de gigantische berg kadavers een kritieke logistieke flessenhals. Omdat de Nederlandse verwerkingscapaciteit verstopt raakte, werd de biomassa per as geëxporteerd.
Inzet charters: De afvoer werd gecoördineerd via een constante stroom van vrachtwagens, waarbij grote transportbedrijven (waaronder Claassens Venlo, Ambrosius en andere charters) massaal werden ingeschakeld.
Bestemming: De transporten reden in verzegelde, vloeistofdichte wagens over honderden kilometers naar voormalig Oost-Duitsland, tot strak tegen de Tsjechische grens. Daar werd gebruikgemaakt van de verbrandingscapaciteit van grote industriële (bruinkool)installaties.
Toezicht (Van uitkeringsgerechtigde naar militair): Om juridisch aan de exporteisen te voldoen, moest er verplicht een ‘ambtenaar van de Staat der Nederlanden’ meereizen op de vrachtwagens. In de beginfase zette de overheid hiervoor ad hoc werklozen uitkeringsgerechtigden in, die tijdelijk werden beëdigd tot bezoldigd rijksambtenaar. Nadat dit na enkele weken uitlekte en tot maatschappelijke ophef leidde, werd deze constructie stopgezet en nam de Koninklijke Landmacht (Defensie) de transportbegeleiding met militairen over.
3. Logistieke excessen en het haperen van de keten
De enorme druk op de keten leidde in de praktijk tot ernstige incidenten en systeemfouten die in officiële beleidsevaluaties vaak onderbelicht zijn gebleven:
De biggen-weeffout: Boeren mochten wettelijk varkens tot 23 kilo meegeven voor transport; lichtere biggen moesten op het eigen erf door een dierenarts worden gedood. Om deze procedure te omzeilen, gaven sommige veehouders toch te lichte biggen mee aan de transporteurs naar Helmond. De elektrocutie-installatie in Helmond was echter afgesteld op grotere varkens. De kleine biggetjes liepen onder de geëlektrificeerde kettingen door zonder geraakt te worden, overleefden de verdoving en kwamen levend in de berg kadavers en de vloeistofdichte vrachtwagens terecht.
Ontdekking in Duitsland: Bij aankomst in Oost-Duitsland hoorden Duitse controleurs ‘gepiep’ uit de vrachtwagens komen. Tussen de rottende massa bleken nog levende, zwaar verwaarloosde biggen te zitten.
De ‘Skiberg’ van kadavers door tijdelijke stops: Na de ontdekking van deze excessen traineerden de Duitse autoriteiten de export, waardoor de afvoerlijn tijdelijk – bijvoorbeeld voor de duur van een dag – volledig stilviel. Omdat de aanvoer en het doden in Helmond in dat strakke tijdsbestek (van 06:00 tot 21:00 uur) niet direct konden worden stopgezet, ontstond er op het Promest-terrein in de hete zomer acuut een huiveringwekkende, gigantische berg van duizenden tonnen rottende kadavers.
Extreme hittestress in de aanvoerfiles: Door deze kortstondige stagnatie aan de Duitse afvoerzijde verstopte de aanvoerlijn onmiddellijk volledig. Vrachtwagens met levende varkens kwamen in kilometerslange wachtrijen in de brandende zon op het industrieterrein te staan. Omdat varkens niet kunnen zweten, raakten de dieren massaal in ademnood en hapten wanhopig naar lucht door de tralies van de bloedhete veewagens. De uiteindelijke doding in Helmond was voor deze zwaar lijdende dieren een feitelijke verlossing.
4. Menselijke impact en stress
De druk op de werkvloer om de operatie koste wat kost draaiende te houden was onmenselijk hoog. De psychologische en fysieke belasting leidde tot acute crisissituaties onder het personeel. Een ter plekke aangestelde NVWA-controleur (destijds RVV) bezweek op het terrein zelf aan de gevolgen van een acuut hartinfarct door de extreme stress.
Tot zover de getuigenis. ‘Nooit meer!’ is een mooi streven, maar tijdens de corona-uitbraak onder nertsen in 2020 bleek dat het landbouwministerie en de NVWA opnieuw niet waren voorbereid op de gevolgen van het massaal fokken van dieren en kon men opnieuw niet voorkomen dat levende dieren in de destructiecontainers belandden:


















