De juridische strijd voor transparantie over de vee-industrie X
Op 10 juni 2026 beantwoordde Jaimi van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, mede namens de staatssecretaris, de vragen die zijn gesteld tijdens het schriftelijk overleg van 18 mei over de brief van 15 april 2026 ‘Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens’. 1
Bij de inbreng van de PvdD vragen de leden specifiek naar de handelswijze van de NVWA met betrekking tot het opschorten van het verstrekken van documenten en de brandbrief daarover van Animal Rights.
Het antwoord van de minister komt er op neer dat de NVWA een tik op de vingers heeft gekregen en haar beleid moet aanpassen:
“De NVWA past haar werkwijze aan nu de Landsadvocaat, op verzoek van de NVWA, heeft bevestigd dat opschorting van openbaarmaking uitsluitend mogelijk is op basis van een rechterlijke uitspraak van de voorzieningenrechter. Ook als daarvoor goede uitvoeringsredenen bestaan, kan een bestuursorgaan dit niet zelfstandig en op structurele wijze doen.”
Dit was het geval in de woorden van de landsadvocaat:
“In juni 2024 is de NVWA gestart met de pilot ‘geen voorlopige voorziening bij bezwaar’ bij Woo-verzoeken met meer dan vijftig derde-belanghebbenden. De pilot hield in dat, indien een derdebelanghebbende bezwaar maakt, het onderliggende besluit tot openbaarmaking wordt opgeschort voor zover het documenten betreft waar de bezwaren op zien. Deze pilot is in juli 2025 omgezet in een vaste werkwijze (hierna: de uitvoeringskeuze), waarbij een binnengekomen bezwaar leidt tot opschorting van de openbaarmaking van de op de bezwaarmaker betrekking hebbende documenten. De in de pilot gestelde eis – dat er bij een besluit minstens vijftig derde-belanghebbenden moesten zijn betrokken – is toen losgelaten.”
De NVWA deed dat op eigen houtje en zonder de Kamers te informeren. Haar juristen moeten hebben geweten dat dit illegaal was. Ze wisten het sowieso nadat ze daar door Animal Rights meermaals op waren gewezen. En men had natuurlijk vooraf advies moeten vragen bij de landsadvocaat, niet na Kamervragen, een brandbrief, een artikel van Follow the Money en een blog van Woo-jurist Tim van Alten.
Van Alten tegen Follow the Money:
“Dat dit allemaal nodig is om naleving van de wet af te dwingen, vind ik zeer zorgelijk. Bovendien is het extra kwalijk dat het hier om een toezichthouder gaat, die anderen moet controleren en aan de wet moet houden.” 2
De landsadvocaat is ondubbelzinnig in haar oordeel:
“De ratio van de Woo en tekst van artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo duidt erop dat indien eenmaal een positief openbaarmakingsbesluit is genomen in beginsel direct tot openbaarmaking dient te worden overgegaan. Een derde-belanghebbende kan dit alleen voorkomen door daartoe een verzoek om voorlopige voorziening strekkende tot schorsing van het besluit tot openbaarmaking te doen. De voorzieningenrechter zal moeten afwegen of het bezwaar van de derdebelanghebbende een redelijke kans van slagen heeft. Als dat niet zo is, weegt het belang van openbaarmaking zwaarder dan het voorkomen van een zinledige bezwaar- en beroepsprocedure.
De Woo, en artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo in het bijzonder, biedt dan ook geen ruimte voor de uitvoeringskeuze waarbij een bestuursorgaan uit eigen beweging op structurele en generieke wijze een openbaarmakingsbesluit (al dan niet gedeeltelijk) schorst voor zover een derde daartegen bezwaar maakt.”
Dat had de NVWA vanzelfsprekend ook zelf op kunnen zoeken, zeker na daar door Animal Rights op gewezen te zijn.
Mogelijk omdat de handelswijze van de NVWA daartoe noopt, legt de landsadvocaat in haar advies de NVWA ten overvloede uit wat de geest van de Woo inhoudt en dat de NVWA daarnaar moet handelen:
“Bij de toepassing van artikel 4.4, vijfde lid, Woo dient te worden gehandeld binnen de geest van de Woo, namelijk dat overheidsinformatie zoveel mogelijk (en zo snel mogelijk) openbaar is. Het openbaar maken van informatie over de wijze waarop een toezichthouder, zoals de NVWA, toezicht houdt op bedrijven dient het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering. Openbaarmaking van deze informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA.
Het is dan ook niet voor niks dat de wetgever in de toelichting op artikel 4.4, vijfde lid, Woo heeft aangegeven dat het wenselijk is dat derde-belanghebbenden hun belangen kunnen verdedigen, maar dat dit niet ten koste mag gaan van de snelle afhandeling van een verzoek tot informatie.
De Woo biedt het bestuursorgaan met andere woorden geen ruimte om, indien eenmaal een positief openbaarmakingsbesluit is genomen, ambtshalve een afweging te maken over het moment van openbaarmaking. Ook niet als dat in de optiek van het bestuursorgaan nodig is.
Kortom, wij zien in de Woo, en met name in de tekst van artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo dan ook geen ruimte voor de uitvoeringskeuze. Dit laat onverlet dat praktische uitvoeringsvormen, in overleg met verzoeker en derde, denkbaar zijn. Daarover denken wij uiteraard graag mee, maar dit zal niet tot schorsing op de structurele en generieke wijze zoals thans het geval is, kunnen leiden.”
Bij dit overleg maakte de PvdD nog enkele belangrijke opmerkingen die de minister grotendeels verzaakte van een inhoudelijke reactie te voorzien:
“De leden van de PvdD-fractie merken op dat sectorpartijen in de praktijk reeds beschikken over omvangrijke mogelijkheden om openbaarmaking langdurig te vertragen via zienswijzen, bezwaarprocedures, beroepsprocedures en verzoeken om voorlopige voorzieningen. In veel dossiers leidt dit ertoe dat openbaarmaking jarenlang wordt vertraagd, ondanks dat de informatie uiteindelijk alsnog openbaar moet worden gemaakt.
Deze leden vragen de minister of hij erkent dat de bestaande rechtsbeschermingsmogelijkheden voor agrarische ondernemers en andere derde-belanghebbenden reeds vergaand zijn en dat juist de positie van Woo-verzoekers onder druk staat door langdurige vertragingen bij openbaarmaking. Tevens vragen zij of de minister de opvatting deelt dat de nadruk in dat licht zou moeten liggen op snellere en effectievere openbaarmaking in plaats van verdere beperkingen van de Woo.”
En:
“De leden van de PvdD-fractie achten het van belang dat onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds eventuele veiligheidsvraagstukken en anderzijds de juridische verplichting tot openbaarmaking van emissiegegevens en andere milieu-informatie. Het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) heeft immers expliciet benoemd dat het onderliggende probleem volgens het college ziet op gevoelens van sociale onveiligheid en niet op de openbaarmaking van emissiegegevens zelf (ACOI, 19 mei 2025, ‘Advies na bemiddeling Follow the Money, NRC en Omroep Gelderland inzake intrekking Woo-besluit RVO’, (https://www.acoi.nl/publicaties/publicatie/capr8usl/advies-na-bemiddeling-follow-the-money-nrc-en-omroep-gelderland-inzake-intrekking-woo-besluit-rvo)).
Deze leden merken daarbij op dat in de praktijk vanuit delen van de agrarische sector bij vrijwel iedere vorm van openbaarmaking het veiligheidsargument wordt aangevoerd. Daarmee dreigt feitelijk de redenering te ontstaan dat informatie over waarschuwingen, overtredingen, handhaving of andere misstanden in de agrarische sector niet openbaar zou mogen worden gemaakt omdat ondernemers daardoor gevaar zouden lopen.
De leden van de PvdD-fractie vragen de minister daarom of hij kan bevestigen dat eventuele zorgen over de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers volledig losstaan van de vraag of emissiegegevens of enige andere informatie met betrekking tot de agrarische sector openbaar moeten worden gemaakt, gelet op het zwaarwegende belang van openbaarheid zoals dat volgt uit de Woo, de Europese milieu-informatierichtlijn en vaste jurisprudentie.”
De verplichtingen van de overheid zijn duidelijk:
“Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Er zijn op grond van de Wet open overheid (Woo) geen uitzonderingsgronden om dit niet te doen. Dit volgt uit jurisprudentie en is ook door het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding ACOI en de Raad van State bevestigd. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn. Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG) en het Verdrag van Aarhus.”
De door de hele rechterflank van de Kamer gesteunde motie over het opzeggen van het verdrag van Aarhus werd al eerder naar de prullenmand verwezen:
“De motie Wijen-Nass verzoekt de regering om de toevoegde waarde van het Verdrag van Aarhus (hierna: het Verdrag) te evalueren en opzegging te verkennen met het oog op versnelling van woningbouw. Ik geef mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, die primair verantwoordelijk is voor het Verdrag, uitvoering aan deze motie door uw Kamer in deze brief als volgt te informeren. Opzegging van het Verdrag van Aarhus zal geen effect sorteren, omdat de Europese Unie (EU) ook partij is bij het Verdrag. Hierdoor is het Verdrag bindend voor de EU-lidstaten en maken de bepalingen van het Verdrag integraal onderdeel uit van het Unierecht. Ook is het Verdrag van Aarhus verwerkt in verschillende EU-richtlijnen. Een evaluatie naar de toegevoegde waarde van het Verdrag is daarom achterwege gelaten.”
Veel van de rechtse partijen hameren op die sociale veiligheid en krijgen allemaal het zelfde duidelijke antwoord:
“Er zijn geen feitelijk vast te stellen gevallen bekend waarbij een direct en aantoonbaar verband is gebleken tussen het openbaar maken van dergelijke gegevens en intimidatie, bedreiging of andere veiligheidsincidenten.”
Het belang van de Woo is wel aangetoond:
“Het klopt dat openbaarmaking en transparantie een belangrijke rol spelen in en voor het publieke debat. Woo-verzoeken brengen regelmatig misstanden naar voren; dit draagt bij aan beter beleid en vergroot de naleving van wet- en regelgeving.”
Update – Na de landsadvocaat tikt ook de Rechtbank Den Haag de NVWA op de vingers
De NVWA schorste de openbaarmaking van door Animal Rights via de Wet open overheid opgevraagde documenten over een pluimveeslachthuis zonder dat daarvoor een (wettelijk verplichte) voorlopige voorziening was aangevraagd. Er was een Besluit genomen, waarvan de bezwaartermijn ten einde liep, terwijl de NVWA nog altijd weigerde de documenten te verstrekken. Dat ontnam Animal Rights de mogelijkheid bezwaargronden deugdelijk te motiveren en daarom zag de dierenrechtenorganisatie zich genoodzaakt zelf een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen.
Woo-jurist Tim van Alten: “De procedure diende twee doelen. Primair was het verzoek erop gericht een voorlopige voorziening te verkrijgen die recht zou doen aan de ontstane situatie, zodat cliënte haar rechten effectief kon uitoefenen. Subsidiair was de procedure bedoeld om duidelijkheid te verkrijgen over de juridische context: was de door de NVWA gehanteerde uitvoeringspraktijk rechtmatig en, zo niet, hebben we dan te maken met een bestuursrechtelijk of civielrechtelijk probleem?” 3
De landsadvocaat had inmiddels in niet mis te verstane bewoordingen geconcludeerd dat de handelswijze van de NVWA onrechtmatig was. De rechter bevestigde dat in haar uitspraak van 23 juli 2026: “Verweerder heeft inmiddels te kennen gegeven dat
hij het advies van de landsadvocaat volgt en dat zijn uitvoeringspraktijk weer in lijn wordt gebracht met wat de wetgever in de Wet open overheid heeft bepaald. Dit laat echter onverlet dat verweerder voor het hier voorliggende besluit evident in strijd met de Woo heeft gehandeld.” 4
Zeker zo belangrijk is de bevestiging van de rechter dat het spoedeisende belang van een Woo-verzoeker voortvloeit uit de Wet open overheid zelf: “De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat in deze concrete zaak verzoekster een spoedeisend belang bij de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden ontzegd. Zij betrekt daarbij dat de Woo uitgaat van het recht op toegang tot publieke informatie, zonder dat de Woo-verzoeker daartoe een belang hoeft te stellen, en dat de wet zelf – zoals uit het navolgende blijkt – het belang van een spoedige openbaarmaking al onderstreept. Ondanks dat het besluit al ruim een half jaar oud is, is de informatie nog altijd niet verstrekt.”
Dat “navolgende” eindigt met: “Dat derde-belanghebbenden in staat moeten worden gesteld om hun belangen te verdedigen, mag volgens de wetgever echter niet ten koste gaan van de snelle afhandeling van een verzoek om informatie. De termijnen in de wet zijn immers juist bedoeld om het bestuursorgaan aan te zetten tot spoedige behandeling (en daarmee spoedige openbaarmaking).”
Een derde belangrijk punt is dat, terwijl de gevraagde voorlopige voorziening uiteindelijk niet werd toegewezen, de rechter een proceskostenveroordeling toch op haar plaats achtte, omdat de NVWA evident in strijd met de wet handelde en Animal Rights daardoor noodzaakte zich tot de rechter te wenden.


















