Ik ben Fien, maar nu leef ik niet meer. Ik werd gedood omwille van de honger naar vlees. Grote honger, want elk jaar sterven er driehonderd miljoen van mijn soortgenootjes in een slachthuis. Ik vraag jou niets. Lees enkel mijn verhaal, dat is het enige wat ik vraag.
Hier komt het dan.
De start van mijn miserabel leven
Ik werd geboren in een broeierij. Een wat? Ja inderdaad, het is een vreemde plaats, een bedrijf waar ze eieren uitbroeden tot kleine kuikens, zoals ikzelf, niet zolang geleden.
We worden uitgebroed door machines. Het eerste wat we zien als we uit het ei komen, is de binnenkant van een plastic container.
Toen ik uit het ei kwam, wou ik dicht tegen mijn mama aankruipen voor warmte en veiligheid. Mijn mama was nergens te zien. Ik hoorde tienduizenden andere kuikens piepen naar hun mama, net als ik.
Ik voelde me erg alleen en verward, zoals ik me eigenlijk de rest van mijn leven zou voelen.
We worden uit de grote bakken gehaald, en de eierschalen worden verwijderd. De zwakke en kleine soortgenootjes worden gedood door ze in een machine met gas te stoppen. Ze stikken langzaam. Hun leven is al afgelopen, en het was nog maar net begonnen.
Onze genen zijn onze grootste vijand
Degenen die wel goedgekeurd zijn om vet te mesten, worden afgevoerd met een vrachtwagen naar enorme stallen. Met tienduizenden zijn we nu in een compleet vreemde omgeving. We moeten onze behoefte gewoon op de grond doen, en iets anders dan eten en drinken is er niet te doen. Het gepiep van de tienduizenden andere kuikens is oorverdovend. De lichten blijven bijna constant aan, er zijn maar enkele uren dat we kunnen slapen in het donker. Als het lang licht is eten we meer, zegt de boer. Dan kunnen we sneller geslacht worden.
Sommige soortgenootjes vallen plots neer. Of ze gaan slapen, en worden niet meer wakker. Wat ons niet verteld werd, is dat onze ouders geselecteerd werden op snelle groei. Weinig romantisch dus: we zijn het resultaat van de geselecteerde genen die ons tot dikke, zware kuikens maken. Dat belooft voor mijn verdere leven.
Groeipijnen en ons strontleven (letterlijk)
We groeien erg snel. Elke dag word ik zwaarder en groter. Ik krijg er pijn van. Helse pijn. Mijn poten doen pijn: het contact met de urine en ontlasting op de grond zorgt voor een brandende pijn. Mijn gewrichten worden zo belast, dat ik mijn gewicht haast niet meer kan dragen. Ik lig de hele tijd, maar dat is niet fijn: door het contact met de ammoniak van de mest op de grond krijg ik pijnlijke zweren. Ik kan ook moeilijk ademen: de lucht is stoffig en de ammoniak prikt in mijn ogen.
De tijd gaat tergend langzaam. Er is niets te doen. De ruimte wordt altijd maar krapper, doordat we groter worden. Ik zie dat sommige van mijn broers en zusjes er erg aan toe zijn: ze zijn kreupel. Hun poten zijn zo pijnlijk dat ze niet meer kunnen lopen. Ze raken niet meer tot bij het water en voedsel. Ze hongeren langzaam uit. Sommigen eten mest van anderen, in een poging te overleven. Elke dag komt de boer langs om mijn dode vrienden eruit te halen. Hij ziet al eens eentje over het hoofd, die blijft dan rotten tussen de anderen.
Angst en paniek: we worden gevangen
We zijn kuikens van 6 weken oud. De boer zegt dat we vet genoeg zijn voor het slachthuis. Hij zorgt ervoor dat onze ‘reis’ geregeld wordt.
Als het donker is ’s avonds, worden plots containers aangevoerd en een ploeg van 6 mensen gaat aan de slag.
Ik hoor veel angstig gepiep en mijn soortgenootjes zijn in paniek. Ze worden bij hun poten gepakt, ondersteboven naar de containers gedragen.
Met een grote zwaai worden ze erin gesmeten. Ze krijsen het uit, sommige van de vangers gaan heel ruw te werk en breken de pootjes van mijn vrienden.
Het is mijn beurt. Ik ben erg bang, want ik besef amper wat er gebeurt. De mensen zijn groot en ruw, en komen erg bedreigend over.
Ik word bij een poot gepakt, en met een ruk omhoog getrokken. Er bengelen nog enkele van mijn buren aan de hand die mij vastpakt.
Ik word hardhandig in de container gesmeten, en ik voel een scherpe pijn in mijn vleugel. Ik kruip weg in een hoekje en maak me zo klein mogelijk.
Het einde van de pijn
Op de vrachtwagen is het 25 graden en bloedheet. Ik hoor soortgenootjes hun laatste adem uitblazen. Wij kippen kunnen net als honden en varkens niet zweten. We hijgen en proberen onze vleugels te openen als we het warm hebben.
Zo’n hitte overleven we vaak niet, want de lichamen van iedereen geeft ook nog eens heel wat warmte af.
We komen aan op onze bestemming. Ik word uit de container gehaald, al even ruw als dat ik erin gegooid werd. Mijn vleugel is gebroken en dat doet me een helse pijn aan.
Ik word aan mijn poten aan een metalen haak gehangen. Ik ben erg bang omdat ik ondersteboven hang.
Even later gaat de transportband naar een grote bak met water. Mijn hoofd wordt ondergedompeld. Een helse pijn. Ik verlies even het bewustzijn. Als ik door het water ben, kom ik terug bij.
Nu passeer ik met mijn hoofd langs ronddraaiende messen die mijn keel doorsnijden. Het bloed loopt langs mijn hoofd.
Even later wordt het zwart voor mijn ogen. Alle pijn is nu weg. Mijn laatste wens die door mijn hoofd ging, was dat ik een moment van vreugde gehad had in mijn korte leven. Ik ben een wezen net als alle anderen: ik wil enkel maar gelukkig zijn.


















