De juridische strijd voor transparantie over de vee-industrie V
Wanneer een organisatie als Animal Rights op grond van de Wet open overheid (Woo) om informatie verzoekt bij een overheidsinstantie, zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), verzamelt de behandelaar van het verzoek alle documenten die onder het informatieverzoek vallen en toetst deze vervolgens aan de in de wet opgenomen weigeringsgronden. Uitgangspunt van de Woo is: ‘openbaar, tenzij.‘
Informatie kan bijvoorbeeld worden geweigerd als openbaarmaking de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden of als het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten zwaarder weegt.
Wanneer de NVWA heeft bepaald welke informatie zij bereid is openbaar te maken, geeft zij de derde-belanghebbende(n), bijvoorbeeld een veehouderij of slachthuis waar de opgevraagde informatie betrekking op heeft, de mogelijkheid een zienswijze in te dienen. Deze zienswijze(n) wordt of worden vervolgens meegenomen in het besluit op het Woo-verzoek.
Na het besluit dat aan de aanvrager en de belanghebbende(n) wordt toegezonden, krijgt of krijgen deze laatste nog twee weken de tijd om openbaarmaking via de rechter tegen te houden.
Voorlopige voorziening
Een bestuursorgaan moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de dag van ontvangst van het Woo-verzoek, een beslissing nemen. Dit betekent dat de aangetroffen relevante informatie in beginsel binnen deze termijn aan de Woo-verzoeker moet worden verstrekt.
Een derde-belanghebbende kan tegen het Woo-besluit bezwaar maken en beroep instellen, maar dit mag niet ten koste gaan van de snelle afhandeling van het Woo-verzoek.
Het uitgangspunt van het bestuursrecht is dat een bezwaar tegen een besluit dat besluit niet schorst. Bij de Woo dreigt dan openbaarmaking als het bestuursorgaan van mening is dat informatie openbaar gemaakt moet worden. Om dat te voorkomen is een verzoek om een voorlopige voorziening nodig. 1
Motie Van der Plas
De mogelijkheid om om een voorlopige voorziening te vragen is echter niet bedoeld voor bezwaren of beroepen die evident kansloos zijn. Wordt deze mogelijkheid toch op die manier benut, dan zou dit afbreuk doen aan het zwaarwegende algemene belang van openbaarheid en aan de door de wetgever beoogde korte wettelijke doorlooptijden die de Woo voorschrijft.
De BBB wil dit ondergraven. In de door de Tweede Kamer aangenomen motie Van der Plas, voorgesteld op 21 mei 2025, wordt de regering verzocht om met een wetsvoorstel of wetswijziging te komen waarin wordt vastgelegd dat, als een derde-belanghebbende bezwaar maakt tegen een Woo-besluit, de openbaarmaking van dat besluit automatisch wordt opgeschort tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist.
Ook wordt de regering verzocht om in de tussentijd alle bestuursorganen op te roepen om openbaarmaking uit eigen beweging op te schorten als er bezwaar is ingediend, totdat daarover is besloten. 2
Bij een bezwaar ontbreekt een onafhankelijke toetsing. Het bestuursorgaan, in dit geval de NVWA, beoordeelt haar eigen besluit opnieuw. Bij een voorlopige voorziening is het de rechter die de belangen afweegt: het belang van openbaarmaking van publieke informatie tegenover het voorkomen van mogelijk nadeel voor de derde-belanghebbende(n) door die openbaarmaking.
Vaak valt die afweging uit in het voordeel van de derde-belanghebbende(n). Openbaarmaking is immers onomkeerbaar. Maar in gevallen waarin bezwaar tegen het openbaarmakingsbesluit kansloos is, zal de rechter openbaarmaking toestaan.
In een recente zaak van Animal Rights komt deze motie ter sprake. Animal Rights verzocht om alle publieke informatie die betrekking heeft op door de NVWA uitgevoerde inspecties, controles en bezoeken bij konijnenhouderijen over de periode van 24 maart 2022 tot 17 juli 2024 openbaar te maken. De minister en de NVWA besloten deze informatie deels openbaar te maken. Dat leidde tot een verzoek om een voorlopige voorziening van konijnenfokkers, waarbij de motie werd aangevoerd.
De rechter oordeelde dat de minister de motie (nog) niet heeft uitgevoerd en daarom “kan die motie geen rol spelen bij de beoordeling van dit verzoek om een voorlopige voorziening.”3
Hij voegde daaraan toe: “Daar komt bij dat, ook als de minister deze motie wel zou uitvoeren, een zorgvuldige belangenafweging nog steeds vereist dat zij het belang van openbaarmaking zwaar laat meewegen, in die zin dat een kansloos bezwaar openbaarmaking niet zou mogen tegenhouden.”
De voorzieningenrechter beoordeelde in deze rechtszaak dus of het bezwaar enige kans van slagen had. “Als het bezwaar geen kans van slagen heeft, dan weegt het belang van openbaarmaking zwaarder dan het voorkomen van zinledigheid van de bodemprocedure na openbaarmaking.”
“Een bezwaar heeft geen kans van slagen als de openbaarmakingsbeslissing in overeenstemming is met vaste rechtspraak én er in bezwaar geen argumenten zijn aangevoerd die niet in deze vaste rechtspraak aan de orde zijn geweest. Als er wel argumenten zijn aangevoerd die niet eerder zijn beoordeeld in vaste rechtspraak is de verwijzing door verweerder naar vaste rechtspraak op zich onvoldoende. In dat geval beoordeelt de voorzieningenrechter of die argumenten zonder een behandeling in de bodemprocedure gepasseerd kunnen worden, met ander woorden: is zonder twijfel sprake van een rechtmatig besluit?”
De rechter benadrukt allereerst aan de hand van een eerdere uitspraak van de Raad van State dat het belang van openheid groot is: “De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 8 februari 2023 geoordeeld dat het openbaar maken van informatie over de wijze waarop een toezichthouder toezicht houdt op bedrijven het publieke belang dient van een goede en democratische bestuursvoering. Openbaarmaking van deze informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA. Dit sluit aan bij een ontwikkeling in wet- en regelgeving en in de bestuurspraktijk van toezichthouders om in toenemende mate actief toezichtinformatie over ondernemingen openbaar te maken. Ook overwoog de Afdeling in deze uitspraak dat onderwerpen als voedselveiligheid en dierenwelzijn in de maatschappelijke belangstelling staan en het verstrekken van bij de overheid aanwezige informatie over welke onderneming welke bedrijfsactiviteiten op welke wijze in deze bedrijfssector uitoefent een bijdrage levert aan het voeren van het maatschappelijke debat hierover en het vergroten van de transparantie van het toezicht hierop door de NVWA.”
Vervolgens beoordeelde hij of de argumenten van de konijnenfokkers kans van slagen hebben.
Argument 1: openbaarmaking van gegevens die zien op het bedrijf zijn in strijd zijn met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Het beroep op deze weigeringsgrond heeft geen kans van slagen. Het niet lakken van de bedrijfsnaam van verzoekster is in lijn met vaste rechtspraak. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het publieke belang van openbaarmaking niet in voldoende mate wordt gediend door een geanonimiseerde openbaarmaking van de stukken. 4
Daarin is ook overwogen dat de omstandigheid dat een bedrijfsnaam een familienaam bevat en het bedrijfsadres gelijk is aan een privéadres, geen uitzondering rechtvaardigt. Het is de keuze van een onderneming om een familienaam als bedrijfsnaam te voeren en een vestigingsadres te kiezen. Openbaarheid mag niet afhankelijk zijn van de vraag of een ondernemer zijn woonadres als vestigingslocatie gebruikt. 56
Argument 2: er zijn risico’s voor de veiligheid van personen en het bedrijf.
Ook het beroep op deze weigeringsgrond heeft geen kans van slagen: “Het is vaste rechtspraak 7dat de vrees voor onevenredige gevolgen door openbaarmaking alleen onvoldoende is om openbaarmaking te weigeren. De enkele algemene veronderstelling van wat dierenrechtenactivisten zouden kunnen doen indien de naar verzoekster herleidbare gegevens openbaar worden gemaakt is daarvoor onvoldoende. Er moeten concrete, actuele aanknopingspunten zijn, aan de hand waarvan aannemelijk is dat sprake is van dreiging jegens verzoekster. Verzoekster heeft geen concrete, actuele dreiging richting haar bedrijf aannemelijk gemaakt. De verwijzingen naar verschillende acties van dierenactivisten zijn onvoldoende om concrete dreiging jegens verzoekster aan te nemen. Ook de video van 2019 geeft geen aanknopingspunt voor een concrete dreiging of een actueel risico jegens verzoekster. Partijen zijn het er niet over eens dat daadwerkelijk opnames op het bedrijf van verzoekster zijn gemaakt. Als dat het geval is, betekent dit dat er activisten op het bedrijf van verzoekster zijn geweest, zonder dat zij daarvoor toestemming hadden. De enkele aanwezigheid toen betekent echter niet dat nu, zes jaar later, aannemelijk is dat er concrete, actuele risico’s zijn voor de veiligheid van personen op en sabotage van het bedrijf van verzoekster.”
In deze zaak oordeelde de rechter dus aan de hand van de argumenten van de verzoekster en vaste rechtspraak dat het bezwaar geen kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De NVWA als schoothondje van de vee-industrie
Afgezien van het feit dat rechtbanken met enige regelmaat vergeten de indiener van het Woo-verzoek als derde-belanghebbende bij deze voorlopige voorziening-zaken uit te nodigen, is dit hoe het proces dient te verlopen.
Er is dus geen basis voor de uitvoering van de motie Van der Plas en ook geen noodzaak, behalve dan voor wie transparantie ziet als de grootste bedreiging voor de veehouderij. Zo blijven de belangenorganisaties van dierenuitbuiters, zoals BBB, LTO, POV en Vee&Logistiek, de Woo onophoudelijk aanvallen.
Lodders, Vee&Logistiek: “Het aantal WOO-verzoeken om gegevens openbaar te maken loopt de spuigaten uit. Hoe makkelijk wil je het kwaadwillende activisten maken? En het is toch te gek dat illegaal verkregen, suggestief gemonteerde beelden als bewijsmateriaal worden opgevoerd in rechtszaken? Vakmensen in de veehandel en transport verdienen beter dan dit.”8
Verriet, POV: “Maar het openbaar maken van dit soort gegevens maakt hen doelwit van tegenstanders die überhaupt tegen veehouderij zijn en Nederlanders willen laten omschakelen naar een plantaardig dieet.”9
Koopmans, LTO: “Persoonlijke informatie van boeren, veehandelaren en veetransporteurs is onvoldoende beschermd tegen openbaarmaking. Gezinnen gaan hier onder gebukt. De Woo móet op dit punt aangepast worden.”
De organisaties geven geen enkele onderbouwing van hun beweringen.
Toch heeft de NVWA besloten zich als een gewillig schoothondje achter deze clubs te scharen door de Wet open overheid verregaand te saboteren.
Voorheen stond onderaan een besluit op een Woo-verzoek de tekst: “De belanghebbenden krijgen de komende twee weken de gelegenheid om de openbaarmaking van deze informatie tegen te houden. Dit kunnen de belanghebbenden doen door (pro-forma) bezwaar te maken en door daarnaast de rechter te vragen dit besluit tot openbaarmaking te schorsen.”
Dat heeft men sinds de zomer verandert in: “De belanghebbenden krijgen de komende twee weken de gelegenheid om de openbaarmaking van deze informatie tegen te houden. Dit kunnen de belanghebbenden doen door (pro-forma) bezwaar te maken. Het is niet nodig om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen.”
Hiervoor bestaat geen juridische basis en Woo-verzoekers worden op onuitlegbare wijze benadeeld. Immers, zelfs bij een evident kansloos bezwaar wordt openbaarmaking nu tot nader orde, voor onbepaalde tijd geschorst, zonder dat een rechter daar een oordeel over kan vellen.
“Het algemeen belang van openbaarheid en het belang van verzoekers om tijdig binnen de wettelijke termijnen informatie te ontvangen, worden door de minister met voeten getreden.”10
Animal Rights heeft in verschillende procedures met deze criminele houding van de NVWA te maken. Dat we dat niet accepteren spreekt vanzelf. Wordt ongetwijfeld vervolgd …
Op 14 januari 2026 stellen de Partij voor de Dieren en Volt Kamervragen over deze zaak aan Frank Rijkaart (BBB), minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: 11
Vragen van de leden Kostić (PvdD) en Dassen (Volt) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het buitenspel zetten van de rechter en het overtreden van de wet door de NVWA bij de behandeling van Woo-verzoeken.
Heeft u kennisgenomen van het artikel ‘Inspectie zet rechter buitenspel en overtreedt de wet onder druk van boerenlobby’ van Follow The Money? Kunt u bevestigen dat belangenorganisaties uit de vee-industrie grootschalig gecoördineerde acties hebben georganiseerd tegen het openbaar maken van informatie, waardoor de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) werd geconfronteerd met talloze bezwaren en verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen Wet open overheid (Woo)-besluiten? Kunt u bevestigen dat de NVWA naar aanleiding hiervan besloot om deze procedures niet volgens de regels af te handelen, maar overging op een nieuwe werkwijze waarbij gegevens van alle bezwaarmakers niet meer openbaar worden gemaakt zolang het bezwaar loopt, wat er in feite op neerkomt dat de rechter er niet meer te pas komt bij het beoordelen van voorlopige voorzieningen en bezwaarschriften? Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie ernstig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet? Erkent u dat dit er in de praktijk toe leidt dat indieners van Woo-verzoeken een stuk later de gevraagde informatie krijgen en om verder uitstel te voorkomen zijn aangewezen op een civiele procedure, wat leidt tot aanzienlijk hogere kosten en drempels? Wat vindt u hiervan? Heeft u kennisgenomen van de zorgen van Woo-jurist Tim van Alten, die in de praktijk ervaart dat deze nieuwe werkwijze van de NVWA leidt tot onevenredige inspanningen en drempels voor indieners van Woo-verzoeken, waardoor het moeilijker wordt om bijvoorbeeld misstanden in de vee-industrie aan het licht te brengen? Deelt u deze zorgen? Bent u ermee bekend dat als gevolg van de huidige werkwijze bij de NVWA Woo-verzoekers worden geconfronteerd met een situatie waarin de bezwaartermijn tegen een Woo-besluit aanvangt, terwijl de onderliggende documenten nog voor onbepaalde tijd niet zijn verstrekt? Erkent u dat deze werkwijze ertoe leidt dat Woo-verzoekers bezwaar moeten maken tegen een besluit zonder de onderliggende documenten te hebben kunnen inzien, en dat het daardoor feitelijk onmogelijk is om te beoordelen of de openbaarmaking volledig is en of informatie ten onrechte is geweigerd of gelakt? Zo nee, waarom niet? Deelt u de opvatting dat het onder deze omstandigheden voor Woo-verzoekers praktisch ondoenlijk is om binnen de geldende bezwaartermijn inhoudelijke bezwaargronden te formuleren en dat dit de rechtsbescherming van Woo-verzoekers ernstig onder druk zet? Zo nee, waarom niet? Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA in deze situaties in de regel weigert om de termijn voor het indienen van inhoudelijke bezwaargronden te verlengen tot een moment waarop de documenten daadwerkelijk zijn verstrekt en hooguit een beperkte hersteltermijn van maximaal acht weken hanteert, terwijl binnen die termijn zelden op de bezwaren van derde-belanghebbenden is beslist? Erkent u dat Woo-verzoekers onder normale omstandigheden zes weken de tijd hebben om, met kennisneming van de verstrekte documenten, hun bezwaar inhoudelijk te onderbouwen, en dat deze systematiek door de huidige werkwijze van de NVWA feitelijk wordt doorkruist? Deelt u de opvatting dat deze praktijk onwenselijk is vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming en strijdig is met het doel en de strekking van de Wet open overheid? Zo nee, waarom niet? Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie onevenredig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet? Kunt u bevestigen dat de NVWA bij invoering van deze nieuwe werkwijze zelf heeft aangegeven dat deze “niet geheel in overeenstemming is met hetgeen bepaald is in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Woo”? Onderschrijft u deze constatering? Zo nee, waarom niet en op welk juridisch advies baseert u zich dan (graag het advies meesturen)? Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van Cornelis van der Sluis, advocaat en oprichter van het Nederlands Kenniscentrum Open Overheid, die deze werkwijze van de NVWA “volledig in strijd met de wet” noemt? Wat gaat u hiermee doen? Wanneer bent u, als politiek eindverantwoordelijk bewindspersoon voor de Wet open overheid, geïnformeerd over het besluit van de NVWA om deze nieuwe werkwijze in te voeren? Kunt u aangeven op welk moment u de Kamer heeft geïnformeerd over dit ingrijpende besluit van de NVWA om af te wijken van de wettelijke procedures uit de Awb en de Woo? Kunt u bevestigen dat de NVWA al over was gegaan op deze nieuwe werkwijze voordat de motie van het lid Van der Plas over Woo-verzoeken werd aangenomen door de Kamer? Hoe verklaart u dit? Kunt u bevestigen dat de NVWA deze werkwijze vervolgens heeft uitgebreid naar Woo-verzoeken met minder dan vijftig belanghebbenden, terwijl uw ministerie op dat moment nog bezig was met een juridische analyse? Wat vindt u hiervan? Kunt u bevestigen dat de Kamer niet werd geïnformeerd op het moment dat de NVWA overging op deze nieuwe werkwijze en deze later uitbreidde? Waarom is dat niet gebeurd en wat vindt u hiervan? Kunt u bevestigen dat door uw ministerie aan Follow the Money is geantwoord dat de motie-Van der Plas nog niet kan worden uitgevoerd omdat hiervoor “een wetswijziging nodig [is]”? Hoe verhoudt deze constatering zich tot het feit dat de NVWA al langere tijd een nieuwe werkwijze toepast waarmee wordt afgeweken van de bestaande wettelijke kaders? Onderschrijft u dat de NVWA met deze nieuwe werkwijze in strijd met de Woo en de Awb handelt? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om de NVWA op te roepen deze werkwijze te beëindigen en te waarborgen dat Woo-verzoekers pas worden gehouden aan het formuleren van inhoudelijke bezwaargronden nadat alle onder het Woo-besluit vallende documenten daadwerkelijk aan hen zijn verstrekt, met een redelijke termijn van ten minste vier weken? Zo nee, waarom niet? Erkent u het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het functioneren van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid, wat daarnaast ook nog vele andere voordelen heeft voor de maatschappij zoals in kaart gebracht in het recente onderzoek De baten van transparantie van Instituut Maatschappelijke Innovatie en de Open State Foundation? Erkent u dat tijdige toegang tot informatie essentieel is voor die controle en dat langdurige procedures en vertragingen ertoe kunnen leiden dat informatie haar waarde, nut en maatschappelijke relevantie verliest? Bent u bereid om de NVWA op te roepen om de nieuwe werkwijze in te trekken en de Woo-verzoeken, bezwaren en voorlopige voorzieningen te behandelen conform de geldende wetgeving? Zo nee, waarom niet? Heeft u gezien dat mediaorganisaties er bij het opvragen van informatie op basis van de Woo ook nog eens tegenaanlopen dat de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) haar bevoegdheid misbruikt, waardoor informatie niet, of pas veel later, wordt geopenbaard? Heeft u gezien dat deze mediaorganisaties zich genoodzaakt voelen om opnieuw juridische stappen te ondernemen tegen de minister van LVVN, omdat “vrije nieuwsgaring onmogelijk” wordt gemaakt? Wat vindt u hiervan? Heeft u gezien dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding zich tot twee keer toe heeft uitgesproken tegen de handelswijze van de minister van LVVN, maar dat haar advies nog altijd niet worden opgevolgd? Bent u bereid om de minister van LVVN op te roepen om een einde te maken aan dit misbruik van haar bevoegdheden? Zo nee, waarom niet? Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Update – Beantwoording
Staatssecretaris Van der Burg van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) beantwoorde de vragen op 3 maart 2026. Hij benadrukte daarbij dat hij als bewindspersoon van BZK verantwoordelijk is voor het openbaarheidsstelsel als geheel. “Ik ben niet verantwoordelijk voor een juiste uitvoeringen naleving van de Wet open overheid (Woo) door individuele bestuursorganen. Zij dienen hierover zelf verantwoording af te leggen.” Veel vragen ontwijkt hij door te zeggen dat hij de “signalen” meeneemt in de wetsevaluatie van de Woo, die dit jaar wordt uitgevoerd en met nietszeggende algemeenheden als: “Als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo vind ik het belangrijk dat informatie snel en tijdig openbaar wordt gemaakt en dat de belangen van zowel verzoekers als derdebelanghebbenden goed beschermd worden.”
Interessanter is dat uit antwoord 14 blijkt dat de NVWA heeft aangegeven “zich bij het invoeren van de pilot ervan bewust te zijn geweest dat de geschetste werkwijze op gespannen voet staat met het huidige wettelijke kader.” De staatssecretaris geeft in antwoord 16 de volgende tijdlijn weer: “Voor zover bekend, hebben medewerkers van mijn ministerie op 1 september2025 voor het eerst een signaal ontvangen dat de NVWA een afwijkende werkwijze zou hanteren. Toen was nog niet precies duidelijk wat de werkwijzevan de NVWA inhield en op welke punten deze werkwijze af zou wijken. Daaris vervolgens uitvraag naar gedaan bij de NVWA. Op 19 december 2025 werdvoor medewerkers van mijn ministerie, op basis van door de NVWAtoegestuurde informatie, duidelijk dat de NVWA een afwijkende werkwijzehanteerde met betrekking tot de schorsende werking van bezwaar inWoo-zaken. Op 7 januari 2026 is de toenmalig Minister van BZK geïnformeerdover deze werkwijze van de NVWA en op 9 januari 2026 heeft er eenambtelijk overleg plaatsgevonden tussen BZK en de NVWA. Tijdens dit overleg is door mijn medewerkers het belang van een juiste naleving van de Woo benadrukt.”
De NVWA startte in juli 2024 met de pilot. De motie van het lid Van der Plas is in mei 2025 aangenomen. In juni 2025 heeft de NVWA de pilot omgezet in een vaste werkwijze. De Kamer werd hierover niet geïnformeerd. Vanuit BZK was destijds nog niet gestart met de wetsevaluatie, waarin de gevolgen van de uitvoering van de motie Van der Plas worden meegenomen. “Als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo vind ik het belangrijk dat alle bestuursorganen de wet juist toepassen. Ieder bestuursorgaan is echter zelfverantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo.” Te slap, staatssecretaris!
Midden maart 2024 maakten Animal Rights, Fauna4Life en Natuurrijk bezwaar tegen een besluit van het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland tot het verlenen van een ontheffing onder de Wet natuurbescherming voor het vangen en doden van vossen, en het beschadigen en vernietigen van vaste voortplantings- en rustplaatsen van de vos, om andere beschermde soorten, meer specifiek boerenlandvogels (weide en akkervogels), te beschermen.
In november 2024 besloot Zuid-Holland (vanzelfsprekend) de bezwaren te negeren. 24 januari 2025 gingen de organisaties in beroep. De zitting daarvoor zal plaatsvinden op 28 mei 2026.
Het staat niet ter discussie dat het slecht gaat met boerenlandvogels. Wat wel ter discussie staat is de vraag of de staat van instandhouding van boerenlandvogels door het doden van predatoren verbetert. In het onderhavige geval stelt Zuid-Holland zich op het standpunt dat het jaarlijks, dag en nacht tussen 1 december en 30 juni vangen en doden van een onbeperkt aantal vossen in door de provincie aangewezen gebieden een bevredigende oplossing is om boerenlandvogels te beschermen.
Animal Rights, Fauna4Life en Natuurrijk stellen daarentegen dat predatie van boerenlandvogel(legsel)s door vossen niet de oorzaak is van de achteruitgang van boerenlandvogels en het vangen en doden van vossen in deze beheergebieden het probleem niet oplost.
Alle deskundigen zijn het eens over wat dan wel de oorzaak van de achteruitgang van boerenlandvogels is: boerenlandvogels hebben nauwelijks nog geschikt leefgebied om te broeden en hun kuikens met succes te laten opgroeien.
Niet predatie, maar het verdwijnen van geschikt leefgebied door steeds intensiever gebruik van het boerenland is de oorzaak van de slechte staat van instandhouding van boerenlandvogels. Juist daarom dient te worden ingezet op vergroting en verbetering van leefgebieden zoals ook in de Vogelrichtlijn verplicht is gesteld.
Het reduceren van een of meerdere predatoren heeft geen zin wanneer het leefgebied voor kuikens niet op orde is. Kuikens hebben ook zonder predatoren nauwelijks kans om groot te worden en als broedvogel terug te keren door onvoldoende voedsel.
Een ei dient allereerst uit te komen (nestsucces) en vervolgens moet een kuiken vliegvlug worden (broedsucces) om uiteindelijk op te kunnen groeien tot en terug te keren als broedvogel, wil de soort een kans maken.
Juist dat laatste (het broedsucces) blijkt in Nederland het knelpunt te zijn, met name door voedseltekorten in de bodem, hetgeen slechts verbeterd kan worden door de leefgebieden op orde te brengen en een gezondere bodem en betere biodiversiteit te realiseren.
Desondanks worden in Nederland vooral maatregelen – predatorenbeheer – genomen om het nestsucces te verhogen. Of een hoger nestsucces wordt bereikt, doet er niet toe zolang er door ongeschikt leefgebied een voedseltekort is: kuikens zullen in dat geval alsnog overlijden.
Een ontheffing is een uitzondering op een verbod en moet zo min mogelijk ingrijpend én noodzakelijk zijn. Dat betekent dat de ontheffing zoveel als mogelijk beperkt moet worden, zo ook in omvang. Ook kan de ontheffing alleen verleend worden als de maatregelen helpen (effectief zijn) om het doel te behalen. Als dat het geval is, dan moet eerst gekozen worden voor de minst ingrijpende maatregelen, ofwel andere bevredigende oplossingen, waarbij het doden van een diersoort altijd het laatste redmiddel dient te zijn.
Als een maatregel, zoals in het onderhavige geval het wegnemen van predatoren, geen nut heeft, is deze ook niet nodig en al helemaal niet noodzakelijk en kan geen ontheffing worden verleend om de maatregel zekerheids- of gemakshalve alsnog toe te staan.
Animal Rights, Fauna4Life en Natuurrijk menen dat aan al deze eisen niet of onvoldoende is voldaan, waardoor de ontheffing onrechtmatig is en niet verleend had mogen worden.
De stichtingen concluderen dat, als het al mogelijk is om, ondanks de intensieve landbouw, het uitsterven van diverse soorten boerenlandvogels een halt toe te roepen – en dat hopen wij van harte – de focus moet worden gelegd op het verbeteren van het leefgebied en dat gebeurt in elk geval niet zolang de aandacht blijft gaan naar het afschieten van andere beschermde diersoorten.
Deze problematiek moet zo snel mogelijk anders worden aangepakt, omdat er anders geen weg terug meer is voor de boerenlandvogels.
In Zuid-Holland lijkt de wil daartoe te ontbreken. Zuid-Holland heeft er juist een handje van om massamoord op predatoren in te zetten om het falende provinciale weidevogel-beleid te verbloemen.
Update mei 2026
Voor de zitting van 28 mei 2026 bij de Rechtbank Den Haag dienden Animal Rights, Fauna4Life en Natuurrijk op 16 mei een gecombineerd aanvullend beroepschrift en reactie op het verweerschrift van de provincie Zuid-Holland in. Zuid-Holland wil, in plaats van weidevogelgebieden op orde te brengen, vossen afschieten om weidevogels te beschermen. De jagers tevreden, want ze kunnen hun bloedlust botvieren, maar het doet niets voor de weidevogels.
Voor de inrichting van weidevogelgebieden is het vooral belangrijk dat ze van voldoende omvang zijn, 250 hectare is een absoluut minimum, maar een gebied dat tien keer zo groot is, zou in de praktijk het minimum moeten zijn. Om het predatierisico te beperken, dient een zo groot mogelijk gebied omrasterd te worden. Een bufferzone van een kilometer moet dan minder aantrekkelijk voor predatoren worden gemaakt. Het broedgebied zelf moet voldoende variatie bieden voor de weidevogels: een hoge grondwaterstand, daardoor een afwisseling van hoge en lage, open en gesloten vegetatie, bestaande uit een mengsel van grassen en kruiden, waardoor de vogels voldoende mogelijkheid hebben zich te verschuilen en voedsel te vinden voor hun jongen.
Het effect van vossenafschot lijkt beperkt te zijn. Bekend is dat op plekken waar vossen geschoten worden andere predatoren weer meer kansen krijgen. De vos zorgt in de wei voor verjaging en predatie van ‘lastige’ dieren zoals muskusratten en grauwe ganzen en kleinere roofdieren. Een alternatief voor afschot om weidevogellegsels te beschermen is dus het afrasteren van gebieden.
Louter economische kosten mogen geen reden zijn om de oplossing niet toe te passen. Daarnaast geldt dat er op dit moment een inbreukprocedure loopt tegen de staat, wat volgens de stichtingen inhoudt dat kosten en tijdsinvestering al helemaal geen reden meer mogen zijn om een andere bevredigende oplossing niet uit te voeren en daarentegen aan symptoombestrijding (doden van mogelijke predatoren) te blijven doen.
Dit blijkt overigens ook uit de kamerbrief 1 van 11 mei 2026: “Ten aanzien van de vraag over financiële middelen: voor agrarisch natuurbeheer is vanaf 2026 structureel €200 miljoen per jaar extra beschikbaar gesteld. Tot 2025 werd ongeveer de helft van het budget voor Agrarisch natuur- en landschapsbeheer besteed aan weidevogelbeheer. Het vorig kabinet heeft aangegeven dat de extra middelen uit het Startpakket voor Agrarisch Natuurbeheer met prioriteit in worden gezet in leefgebieden voor de grutto, en in gebieden rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Ook voor dit kabinet is het uitgangspunt dat we voldoende geld vrijmaken voor zwaar beheer waarmee we de grutto helpen en doen wat nodig is in het licht van de Europese inbreukprocedure. […] Daarnaast worden de investeringsgelden voor de aanleg van zwaar beheer de eerstkomende jaren uitgebreid. Bovendien zal bij de nadere invulling van de €20 miljard tot en met 2035 uit het coalitieakkoord zorgvuldig worden bezien hoeveel aanvullende inzet wenselijk is. Het is mijn overtuiging dat hiermee vooralsnog voldoende middelen beschikbaar zijn voor de grutto.”
In het beroepschrift verwijzen de stichtingen naar de geldende voorwaarden voor weidevogel(kern)gebieden die zijn opgenomen in het Natuurbeheerplan Zuid-Holland. Nog steeds is niet duidelijk welke ontheffingsgebieden (waar men afschot wil toestaan) aan deze voorwaarden voldoen. Daarentegen geeft Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) wel toe dat sommige ontheffingsgebieden nooit aan deze voorwaarden kunnen voldoen. Dit betekent dat in die (en andere ongeschikte) gebieden geen ontheffing verleend kan worden voor het doden van predatoren, omdat dat geen enkel nut heeft.
ODH blijft in het verweerschrift bij de kleuterredenering dat uitbreiding en verbetering van de habitat van weidevogels geen andere bevredigende oplossing is, omdat deze oplossing gericht zou zijn op de bescherming van weidevogels en niet op de bescherming van weidevogels tegen predatie. Maar het gaat er natuurlijk niet om dat weidevogels worden beschermd tegen predatoren, maar dat weidevogels worden beschermd. Als dat kan met een maatregel waarbij geen verbodsbepalingen uit het soortenbeschermingsrecht worden overtreden (zoals het verbod op het doden van beschermde dieren als de vos), dan moet díe maatregel geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd en mag het doden van vossen niet plaatsvinden.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 3 oktober 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:4167) dat optimaal weidevogelbeheer aangemerkt kan worden als een ‘andere bevredigende oplossing’. Alleen in (voldoende) optimaal weidevogelbiotoop kan verhoogd nestsucces ook daadwerkelijk leiden tot een grotere weidevogelpopulatie. Aan dat ‘optimaal weidevogelbiotoop’ zijn door deskundigen grondig onderbouwde voorwaarden verbonden die zijn opgenomen in het Actieplan Grutto. Zuid-Holland heeft de voorwaarden opgenomen in het Natuurbeheerplan. Bijvoorbeeld Friesland heeft per ontheffingsgebied aangegeven of aan de voorwaarden is voldaan, waardoor de rechtbank per gebied kon controleren of dit juist was. In Zuid-Holland is deze informatie niet beschikbaar of maakt, in elk geval, geen onderdeel uit van het dossier en is dus niet controleerbaar. In elk geval is het zeer aannemelijk dat de gebieden niet aan deze voorwaarden voldoen, wat betekent dat het doden van predatoren nutteloos is en dus niet mag worden toegestaan.
In het beroepschrift onderbouwden de stichtingen al dat de ontheffing niet is toegestaan doordat deze ruimer is dan noodzakelijk, vanwege de bufferzone van vijf kilometer en de jaarlijkse afschotperiode van 1 december tot en met 30 juni. Ook is de geldigheidsduur van de ontheffing te lang.
Op 23 januari 2023 heeft de provincie Limburg een tweetal Wet natuurbescherming-ontheffingen verleend voor het vermoorden van vossen en konijnen omdat graven tot hun natuurlijk gedrag behoort. Of, zo als de provincie het noemt, ter bescherming van de openbare veiligheid door het voorkomen van graafschade op diverse locaties in Limburg.
Op 20 juni 2023 besloot Limburg na bezwaar van Animal Rights en Fauna4Life om de ontheffingen onder aanvulling van de motivering – dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn – in stand te laten en gedeeltelijk te herroepen.
Animal Rights en Fauna4Life hebben tegen dit besluit beroep aangetekend en verzocht om een voorlopige voorziening bij de Rechtbank Roermond. Op 29 november 2023 heeft de voorzieningenrechter de zaken kortgesloten, het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het betreft de specifieke locaties waarop de ontheffingen betrekking hebben. De ontheffing werd daarmee beperkt tot graafschade aan dijklichamen, infrastructurele werken en bij de aanwezigheid van leidingen en geldt niet meer voor bijvoorbeeld sportvelden, evenemententerreinen en golfbanen.
Op 15 februari 2024 dienden Animal Rights en Fauna4Life de gronden voor het hoger beroep in. De zitting zal plaatsvinden op 9 februari 2026 bij de Raad van State in Den Haag.
Noch in het Faunabeheerplan noch in de in bezwaar en beroep bestreden besluiten wordt duidelijk beschreven wat er precies wordt bedoeld met “graafschade” en wanneer dat dreigt te ontstaan. Ook ontbreekt een cijfermatige onderbouwing dat is aangetoond dat op de specifieke locaties schade is of dreigt.
Het Faunabeheerplan 2020-2026 van de Faunabeheereenheid Limburg stelt enkel dat konijnen en vossen in het algemeen schade en een risico voor de openbare veiligheid kunnen veroorzaken, maar tegelijkertijd dat daarvan in het verleden niet (vossen) of nauwelijks (konijnen) sprake was.
Ten slotte stellen Animal Rights en Fauna4Life zich op het standpunt dat de ontheffingen het gestelde probleem (risico voor de openbare veiligheid) niet oplossen en de ontheffingen ook daarom niet nodig zijn. Immers, de openbare veiligheid wordt niet beschermd door het bij graafschade, zoals een kapotte leiding of verzwakte dijk, afschieten van een (andere) vos of (ander) konijn, omdat het acute probleem / risico de aanwezige schade is en niet een dier dat die schade mogelijk en al eerder heeft veroorzaakt. De openbare veiligheid wordt daarentegen wel beschermd door die kapotte leiding te repareren of die verzwakte dijk te verstevigen (en daarna graafschade te voorkomen).
Animal Rights en Fauna4Life begrijpen uiteraard dat er geen graafschade is als er geen vossen en konijnen zijn, maar het afschieten van alle konijnen en vossen (een nulstand) is niet het doel van de ontheffing en in het geheel niet toegestaan, niet mogelijk (influx) en niet wenselijk.
De stichtingen menen daarentegen dat er andere, wel bevredigende mogelijkheden zijn om het probleem – indien wordt vastgesteld dat er daadwerkelijk een probleem is – op te lossen.
Limburg houdt vast aan het standpunt dat het doden van een onbeperkt aantal vossen en konijnen, die graafschade zouden kunnen veroorzaken, niet alleen een bevredigende oplossing maar zelfs de enige bevredigende oplossing is om de openbare veiligheid te beschermen.
Limburg is eraan voorbij gegaan dat iedere andere bevredigende oplossing, ook als die maar deels bevredigend is, uitgevoerd en beoordeeld dient te zijn alvorens een ontheffing kan worden verleend.
Limburg heeft andere bevredigende oplossingen helemaal niet beoordeeld. Tijdens de behandeling van de voorlopige voorziening is enkel, door de vertegenwoordiger van de FBE, aangegeven dat het omrasteren van dijklichamen financieel niet haalbaar is, zonder dit te onderbouwen.
De voorzieningenrechter was het met het standpunt van Animal Rights en Fauna4Life eens. Het is juist daarom dat de stichtingen niet begrijpen dat de voorzieningenrechter voor bepaalde locaties de ontheffingen in stand heeft gelaten, immers, ook voor deze locaties is niet vooraf beoordeeld of er andere (deels) bevredigende oplossingen zijn.
Daarnaast laat Limburg de beoordeling of en welke andere (deels) bevredigende oplossingen van toepassing zijn, en in welke mate na uitvoering daarvan nog een probleem resteert, aan de FBE over en dat is niet toegestaan en de ontheffingen hadden ook daarom niet verleend mogen worden.
Limburg stelt zich verder op het standpunt dat met het doden van een onbeperkt aantal vossen en konijnen aan de gunstige staat van instandhouding van beide soorten geen afbreuk wordt gedaan. Vooral de staat van instandhouding van het konijn is al zeer ongunstig en Limburg dient zich daarom juist in te zetten om de soort te laten herstellen.
Update
De zitting vond plaats op 9 februari 2026. Daar bleek dat de ontheffingen in de afgelopen twee jaar niet gebruikt zijn. De uitspraak zal over 6 weken plaatsvinden.
Eerste Kerstdag 2025 kondigde dierentuin Artis aan dat er op Kerstavond een olifantenmannetje was geboren. 1 De moeder is Thong Thai, de matriarch van de kudde Aziatische olifanten in Artis, die nu bestaat uit haar en haar vier nakomelingen. Haar jongste dochter Sanuk is ook zwanger van fokstier Sibu, die inmiddels alweer is verhuisd.
Geboren voor levenslange gevangenschap en uitbuiting
Het bestaan van het pasgeboren mannetje zal zijn hele leven beperkt blijven tot een fractie van wat een olifantenwereld zou moeten zijn. Iedere maaltijd, ieder bad, iedere nachtrust, iedere interactie met anderen, zal zich afspelen binnen de betonnen muren, metalen hekwerken en gespannen staalkabels van een zeer beperkt aantal vierkante meters. De decoratie van het ‘landschap’ dient vooral de beleving van de bezoekers. Het maken van eigen keuzes, het nastreven van eigen interesses en tot bloei komen, zal geen onderdeel uitmaken van zijn leven. Hij is een levenslange gevangene.
Dit nieuwe olifantje zal de komende maanden een bezoekersmagneet zijn voor Artis en de kassa’s in Amsterdam laten rinkelen.
Als stier zal hij waarschijnlijk, wanneer hij geslachtsrijp is, net als zijn vader, van dierentuin naar dierentuin worden gesleept als onderdeel van het soortbehoudprogramma, waar Artis zo prat op gaat. Met als enige doel om dierentuinen te blijven bevolken met olifanten.
Zo werd zijn vader Sibu al ruim voor zijn geboorte in november 2025 van Artis naar Wildlands in Emmen overgebracht, omdat het daar met stier Yadanar niet wilde vlotten. Olifantenstier Timber werd in april 2025 vanuit Wildlands naar Eindhoven Zoo gebracht. Sibu kwam in 2024 juist vanuit Eindhoven naar Artis. 23
Dit is een schoolvoorbeeld van het instrumenteel gebruik door mensen van andere levende voelende wezens, een vorm van slavernij. Olifanten exploiteren als fok- en geldmachines is even verwerpelijk als de fokkerijpraktijken in de vee- en proefdier-industrie.
Artis en het fokprogramma doen dit niet voor soortbehoud, want geen enkele gefokte olifant zal worden teruggeplaatst in het wild. Deze fokprogramma’s dienen de wilde populaties niet. Dierentuinen fokken voor levenslange gevangenschap en inkomsten. Het doel is een continue aanvoer van nieuwe olifanten om deze iconische soort te kunnen blijven tentoonstellen. Het is een handel in genen, waarbij de dieren door Europa en over de rest van de planeet worden verscheept om de genenpool zo gezond mogelijk te houden. Gezondheid, welzijn en belangen van individuele olifanten zijn hieraan ondergeschikt.
Olifanten lijden in dierentuinen
De natuurlijke biologie van wilde dieren, hun aanpassingen aan de ecosystemen waarin ze geëvolueerd zijn en hun behoeften en interesses zouden de basis moeten vormen voor hun leefomstandigheden, waaraan niet – nooit! – kan worden voldaan in gevangenschap.
Olifanten zijn zeer intelligent, gevoelig en sociaal. Hun behoeften zijn complex, en wanneer aan die behoeften niet wordt voldaan – en geen enkele dierentuin kan daaraan voldoen – lijden ze fysiek en psychisch.
Wie met open ogen, kennis en begrip kijkt naar olifanten in een dierentuin kan relatief eenvoudig het verontrustend gedrag herkennen dat wordt veroorzaakt door chronische stress en trauma: het eindeloos dezelfde rondjes sjokken, zelfkalmering door bijvoorbeeld een eigen slagtand te omhelzen met de slurf, het ‘weven’ – wiegen met het bovenlichaam – en andere stereotype bewegingen met poten, slurf of kop. Het zijn allemaal klassieke symptomen van psychische problemen.
Hoe egoïstisch én egocentrisch én gewetenloos moet je zijn om dergelijke individuen te fokken en vervolgens te veroordelen tot levenslange gevangenschap?
De wetenschap is overduidelijk: olifanten lijden in dierentuinen. 45 De politiek en de wet moeten dit erkennen. Olifanten hebben recht op hun vrijheid en hun gevangenschap is onrechtmatig.
Bedreigde diersoort en wat er wel moet gebeuren
Ja, de Aziatische olifant staat op de rode lijst van bedreigde diersoorten van de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN). 6 Dat komt vooral door het verdwijnen en versnipperen van hun leefgebied, door conflicten tussen mensen en olifanten – gewelddadige confrontaties over schade aan gewassen en aanrijdingen met vrachtwagens en treinen – waarbij de olifanten het onderspit delven, en door stroperij voor ivoor, vlees en huiden.
Er leven nog altijd een geschatte 50.000 Aziatische olifanten in het wild, waarvan 60% in India. Dat aantal is niet zozeer het probleem, wel de gestage, al eeuwen durende afname, gelijke tred houdend met de vernietiging van hun habitat.
De belangrijkste prioriteiten voor de bescherming van de Aziatische olifant, zoals geformuleerd door de IUCN zijn dan ook:
het behoud van het leefgebied van de olifant en het in stand houden van de verbinding tussen de leefgebieden door het veiligstellen van corridors;
het beheersen van conflicten tussen mens en olifant als onderdeel van een geïntegreerd, landschapsbreed landgebruiksbeleid;
betere bescherming van de soort door middel van verbeterde wetgeving en wetshandhaving, verbeterde en intensievere veldpatrouilles en het reguleren/beperken van de handel in ivoor, levende olifanten en andere olifantenproducten.
Het fokken van olifanten in gevangenschap maakt hier geen onderdeel van uit!
Bovenstaande benaderingen pakken de fundamentele oorzaken van de afname van olifantenpopulaties aan. Geen van deze methoden vereist dat olifanten hun autonomie wordt ontnomen, onderworpen worden aan invasieve fokprocedures en gevangen worden gehouden in onnatuurlijke omgevingen, duizenden kilometers verwijderd van hun natuurlijke leefgebied.
Sterker nog, voor een fractie van wat het fokken en in stand houden van een handvol olifanten in gevangenschap kost, kunnen hele wilde kuddes en hun habitat beschermd worden.
Educatie?
Dierentuinen zijn sinds hun ontstaan als zoölogische tuinen in de 19e eeuw – inclusief tentoongestelde exotische mensenvolkeren – voornamelijk entertainment-pretparken geweest. Ondanks pogingen tot herpositionering – greenwashing – leveren dierentuinen geen significante bijdrage aan wetenschappelijk onderzoek naar olifanten en doet olifantengevangenschap niets om hun bescherming in het wild te bevorderen.
Wat blijft er dan nog over om olifantenknechting te rechtvaardigen? Educatie? Welke boodschap geef je het publiek dan mee? Olifanten in gevangenschap worden ruimte, sociale complexiteit en autonomie ontzegd. De groepsverbanden zijn kunstmatig en niet zelfvoorzienend, vandaar het gesleep met vooral mannetjes van dierentuin naar dierentuin.
Bezoekers houden straks misschien een warm gevoel over aan het zien van een babyolifant, maar ze houden er een vertekend beeld aan over van wie olifanten werkelijk zijn en wat ze nodig hebben om te gedijen.
Het zien van olifanten in dierentuintentoonstellingen leert mensen niets over de rijkdom van olifantengemeenschappen, hun diepe familiebanden, sociale interacties of de ecologische rol die ze in het wild spelen. Het normaliseert en bestendigt onrecht.
Sanctuaries
In opvangcentra – rescues, sanctuaries – wordt de autonomie van olifanten gerespecteerd en beschermd en kunnen de dieren leven in een omgeving die zo goed mogelijk hun natuurlijke habitat benadert.
Opvangcentra zijn, in tegenstelling tot dierentuinen, ontworpen voor het welzijn van de dieren zelf, in plaats van voor het vermaak van een bezoekend publiek. Ze bieden olifanten aanzienlijk meer ruimte dan dierentuinen, en weidegronden waar ze uren per dag kunnen rondscharrelen. Ook bieden ze de mogelijkheid tot een gezondere sociale omgeving, waar ze zelf kunnen kiezen met welke soortgenoten ze omgaan of tot wie ze juist afstand willen houden.
De hele filosofie van een opvangcentrum is om olifanten de vrijheid en autonomie te geven om “gewoon olifant te zijn”. Gun iedere olifant in gevangenschap dat!
Laten we dus inzetten op de hierboven genoemde echte beschermingsmaatregelen, stoppen met fokken in gevangenschap en de dierentuinolifanten een leven gunnen in opvangcentra.
Expert opinies
Dit zegt Keith Lindsay over dit onderwerp. 7 Zij is wildlife-ecoloog en natuurbeschermingsbioloog die al meer dan 45 jaar olifantengedrag en -ecologie bestudeert en zich bezighoudt met natuurbehoud en -beheer. Veel van haar werk betreft olifanten in hun natuurlijke leefomgeving, voornamelijk in Afrika, maar recent ook in Azië. Haar veldonderzoek richt zich voornamelijk op de foerageerecologie en demografie van Afrikaanse savanneolifanten. Ze is auteur en co-auteur van talloze wetenschappelijke artikelen in tijdschriften, evenals hoofdstukken in boeken en rapporten over olifanten in het wild en in gevangenschap.
“Olifanten hebben met name grote, ecologisch diverse gebieden nodig om voedsel te zoeken; in het wild besteden ze driekwart van elke dag aan de zoektocht naar voedsel en leggen ze daarbij gemiddeld zo’n tien kilometer af. Hun jaarlijkse leefgebieden in Afrika en Azië beslaan honderden tot duizenden hectares en kunnen bestaan uit glooiende graslanden, bossen, wouden of moerasgebieden. Ze hebben een rijk sociaal leven en hebben in de loop van een jaar interactie met honderden verschillende individuen. Volwassen vrouwtjes trekken voornamelijk op met andere verwante vrouwtjes en hun jongen, maar hun netwerken strekken zich uit tot clans en soortgenoten binnen hun leefgebied, terwijl volwassen mannetjes apart leven in groepen van verschillende leeftijden en zich van tijd tot tijd bij de familie voegen om oude bekenden te ontmoeten of om te paren. Ze communiceren via hun goed ontwikkelde gehoor en reukvermogen en beschikken over een gedragsrepertoire dat honderden houdingen, gebaren en vocalisaties omvat die betekenis dragen en getuigen van hun diepgaande cognitieve en emotionele vermogens.
In schril contrast met de natuurlijke leefomgeving van olifanten, worden dierentuintentoonstellingen begrensd door financiële en logistieke beperkingen en zijn ontworpen om bezoekers te vermaken en tegelijkertijd te voldoen aan de praktische eisen van verzorging en hygiëne. Daardoor zijn het, ondanks de miljoenen dollars die aan de bouw ervan worden besteed, over het algemeen open, kale terreinen van zelden meer dan twee hectare, waar olifanten nauwelijks worden uitgedaagd om hun actieve geest te prikkelen en weinig mogelijkheden hebben om te bewegen en hun cardiovasculaire gezondheid te behouden. Dierentuinen bieden zogenaamde “verrijking”, wat meestal inhoudt dat hooi of ander voedsel in hangende manden of gaten in muren wordt geplaatst, zodat olifanten meer tijd moeten besteden aan het bemachtigen van de aangeboden hapjes. Het feit dat dierentuinen het nodig vinden om zulke minimale foerageeruitdagingen te bieden, is een duidelijke erkenning dat hun leefomstandigheden in feite armoedig zijn en weinig stimulatie bieden voor de actieve geest van olifanten. In de meeste dierentuinen in gematigde klimaten worden olifanten een groot deel van de dag in kleine hokken gehouden, en in de winter zelfs nog langer. De meeste dierentuinen bevinden zich in steden, waar de stedelijke omgeving lawaai en overlast veroorzaakt en de beschikbare ruimte voor de dieren beperkt.
De opsluiting en steriele omstandigheden in dierentuinverblijven, en het totale gebrek aan autonomie over dagelijkse activiteiten en sociale interactie, zijn zeer deprimerend voor olifanten en leiden tot fysieke gezondheidsproblemen. Veelvoorkomende aandoeningen bij olifanten die gedwongen zijn continu op een harde ondergrond te staan, zijn artritis, andere bot- en gewrichtsaandoeningen en beschadigde poten. Obesitas als gevolg van overvoeding en gebrek aan beweging kan deze problemen met het bewegingsapparaat verergeren, evenals hart- en longzwakte of -aandoeningen. Daarnaast leidt het psychologische trauma van de schrale leefomgeving en sociale omstandigheden, evenals het gebrek aan keuzevrijheid, tot hersenschade die de stereotiepe schommelende en knikkende bewegingen van de kop veroorzaakt die bij veel dierentuinolifanten worden gezien, maar nooit bij olifanten in het wild. Hun gedrag kan agressief worden, zowel naar het personeel als naar hun medegevangenen, en door de beperkte ruimte is er vaak geen ontsnapping mogelijk voor de slachtoffers. Ziekten die minimaal of onbekend zijn bij olifanten in het wild, zoals tuberculose en het herpesvirus, komen veelvuldig voor en zijn vaak fataal in dierentuinen.”
Dit zegt Mickey Pardo over dit onderwerp. 8 Hij is gedragsecoloog en natuurbeschermingsbioloog en bestudeert al meer dan 15 jaar diergedrag. Veel van zijn werk is gericht op olifanten in hun natuurlijke leefomgeving, zowel in Azië als in Afrika. Hij is bekend van recent onderzoek dat voor het eerst aantoonde dat olifanten elkaar aanspreken met naam-achtige klanken.
“Ik twijfel er niet aan dat dierverzorgers oprecht om de olifanten, die aan hen zijn toevertrouwd, geven. Maar dat doet er niet toe. De realiteit is dat, ondanks de beste bedoelingen, het simpelweg niet mogelijk is om aan de behoeften van olifanten te voldoen in een dierentuinomgeving. Olifanten hebben ruimte nodig – heel veel ruimte. In het wild lopen ze doorgaans kilometers per dag en hebben ze een leefgebied van duizenden tot honderdduizenden hectares. Het gemiddelde olifantenverblijf in een Noord-Amerikaanse dierentuin is minder dan twee hectare. Olifanten in dierentuinen lijden vaak aan allerlei fysieke aandoeningen door gebrek aan beweging, waaronder artrose, obesitas en maag-darmproblemen.
Dierentuinolifanten lijden ook aan psychische trauma’s doordat ze hun hele leven in zo’n kleine ruimte opgesloten zitten. Ze hebben vaak chronisch verhoogde stresshormonen, wat leidt tot hersendisregulatie. Dit uit zich in de repetitieve, stereotype bewegingen zoals wiebelen en knikken met de kop, die bij veel dierentuinolifanten worden gezien, maar nooit bij olifanten in het wild. Olifanten hebben niet alleen ruimte nodig om te bewegen, ze hebben ook autonomie nodig over hun eigen leven. Olifanten hebben een eigen leven en moeten zelf kunnen kiezen met wie ze omgaan en wanneer. Net als mensen, die vaak asociaal en gewelddadig worden als ze opgesloten zitten, zijn olifanten in gevangenschap veel agressiever tegenover elkaar dan olifanten in het wild. Moederolifanten in dierentuinen doden vaak hun eigen kalveren, iets wat in het wild simpelweg ondenkbaar is.
Hoewel dierentuinen hun fokprogramma’s in gevangenschap aanprijzen als “olifantenbescherming”, is de realiteit dat geen enkele olifant die in een Noord-Amerikaanse dierentuin is geboren ooit in het wild is uitgezet. Dierentuinen fokken geen olifanten om de afnemende populaties in het wild te beschermen; ze doen het om een permanente populatie in gevangenschap te behouden en zo geld te verdienen.
In tegenstelling tot dierentuinen zijn opvangcentra ontworpen ten behoeve van de dieren zelf, en niet ten behoeve van de bezoekers. Ze bieden olifanten vele malen meer ruimte dan dierentuinen kunnen bieden. Ze bieden hen ook een veel gezondere sociale omgeving.”
In Nederland gelden wettelijke regels, hoe minimaal ook, voor het houden, huisvesten en verzorgen van varkens. De NVWA controleert of houders van varkens zich aan deze regels houden.
Om een beeld te krijgen van de naleving van de regels, startte de NVWA in november 2023 met een naleefmeting. Voor de naleefmeting werden inspecties uitgevoerd bij aselect gekozen varkensbedrijven. Het project liep van eind november 2023 tot en met december 2024.
In oktober 2025 publiceerde de NVWA haar ‘Resultaten naleefmeting welzijnsregels varkens 2023-2024’. 1 Hieruit blijkt dat de varkensboeren nog altijd geen boodschap hebben aan de minimale eisen die aan varkenswelzijn worden gesteld. Dat is niet alleen de conclusie van Animal Rights, maar ook die van de NVWA zelf: “De naleefmeting laat zien dat varkenshouders bepaalde welzijnsregels onvoldoende naleven.”
Dat er in de varkenssector geen zelfreflectie is en dus ook geen kans op verbeteringen blijkt uit de reactie van de Producentenorganisatie varkenshouderij. Zij concluderen uit hetzelfde rapport: “Varkenshouders leven de welzijnsregels in de praktijk grotendeels goed na.” En ‘vakblad’ Pigbusiness kopt: “Varkenshouders houden zich volgens NVWA grotendeels goed aan welzijnsregels”.2
De cijfers liegen echter niet. Op 170 locaties waar bedrijfsmatig varkens werden gehouden werden inspecties uitgevoerd. Van de 170 inspecties waren er 58 akkoord. Bij de overige 112 locaties was dat niet zo. Bij 72 van deze 112 locaties constateerden de NVWA meerdere overtredingen.
Bij 77 bedrijven voldeed het hokverrijkingsmateriaal niet aan de voorschriften. Het materiaal was vaak niet wroetbaar of eetbaar.
Ook constateerden de NVWA meerdere overtredingen van de regels rondom het alarmsysteem en het alarmplan. Bij 80 bedrijven waren er overtredingen.
Bij 40 bedrijven werd 1 overtreding vastgesteld, bij 34 bedrijven 2 overtredingen en bij 38 bedrijven zijn 3 of meer overtredingen geconstateerd.
En dit is niet nieuw. In 2023 waren op varkenshouderijen van de 68 inspecties 30 inspecties akkoord en 38 inspecties niet akkoord. 3
In 2022 waren van de 66 inspecties er 25 inspecties akkoord en 41 inspecties niet akkoord. 4
In 2021 voerde de inspecteurs van de NVWA 94 inspecties van varkenshouderijbedrijven uit. Daarvan waren 44 inspecties akkoord en 50 inspecties niet akkoord. 5
In 2020 zijn in totaal 62 varkenshouderijbedrijven gecontroleerd, waarbij op 33 bedrijven een overtreding van de voorschriften is vastgesteld. 6
Al jaren lang houdt een meerderheid van de gecontroleerde varkenshouders zich dus niet aan de meest basale voorschriften. Er zit geen verbetering in de houding van de varkensboeren ten opzichte van welzijnsverplichtingen en dan met name met betrekking tot hokverrijking, een van de eenvoudigste maatregelen om te nemen.
Voor deze desinteresse is een duidelijke reden aan te wijzen: er zijn nauwelijks consequenties voor dit schouderophalen over dierenwelzijn. In 2024 werd slechts één proces-verbaal opgemaakt en een bestuurlijke maatregel aangezegd. Bij nog eens 44 bedrijven werd een rapport van bevindingen opgemaakt, waarop mogelijk een boete volgt. Verder bleef het vooral bij waarschuwingen.
Update
De criteria voor hokverrijking voor varkens zijn januari 2026 aangescherpt. Varkens moeten permanent kunnen beschikken over materiaal dat zowel eetbaar als wroetbaar is. Daarbij moet minimaal 25% van de varkens in een hok 24 uur per dag met het materiaal bezig kunnen zijn.
Er is een nieuwe brochure ‘Hokverrijking en nestbouwmateriaal voor varkens’ 7 als opvolger van de Brochure ‘Hokverrijking’ uit 2018. Alle varkenshouders krijgen een ingekorte en praktische hokverrijkingskaart thuis gestuurd.
De aanpassingen sluiten aan bij recente wijzigingen in wetgeving, rechterlijke uitspraken en nieuwe wetenschappelijke publicaties en praktijkervaringen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) oordeelde in 2024 dat varkens permanent moeten kunnen beschikken over materiaal dat zowel eetbaar als wroetbaar is.
Varkenshouders die niet voldoen aan de nieuwe eisen worden niet direct gesanctioneerd. De NVWA biedt in eerste instantie nalevingshulp (vanaf 1 februari) en gaat vervolgens over tot waarschuwen (vanaf 15 april). Handhaving volgens het interventiebeleid vindt plaats vanaf 1 juni 2026. 8