Undercoverbeelden: grootschalige mishandeling van konijnen bij het laden voor transport naar slachthuis

Het lijden van konijnen in de vleesindustrie: Opgetild aan oren en vacht, gegooid, gevallen en doodgeslagen

Tussen begin november 2025 en eind februari 2026 filmde Animal Rights 26 keer het laden van konijnen op konijnenfokkerijen voor transport naar de twee Vlaamse konijnenslachthuizen Lonki en Van Assche. 

Help de konijnen

Teken de nieuwe petitie ‘Sluit de konijnensector’ en roep op tot een einde aan deze industrie. Wil je meer doen? Met een bijdrage help je Animal Rights om vaker undercoveronderzoek te doen, misstanden vast te leggen en schokkende beelden naar buiten te brengen zodat dierenleed niet verborgen blijft.

Nederland kent geen konijnenslachthuis. Het transport van konijnen voor Lonki wordt gedaan met vrachtwagens van ADL Transport, net als Lonki gevestigd in Temse. Van Assche heeft een kleinere eigen truck, maar maakt vooral gebruik van de vrachtwagens van pluimveevervoerder Kruiskip uit Zulte.

Het betreft 16 verschillende konijnenhouderijen in Nederland, één in Vlaanderen (Meerle) en één in Wallonië (Frasnes-lez-Anvaing). In Nederland gaat het om een bedrijf in Utrecht (Leerbroek), drie in Gelderland (Delwijnen, Leur en Beltrum), vijf in Overijssel (Wijhe, Notter, Bentelo, Raalte en Diepenheim) en zeven in Noord-Brabant (Vlierden, Elsendorp, Vinkel, Mariahout, Alphen, Ulicoten en Someren). Op enkele bedrijven werd meerdere keren gefilmd.

19 maal ging het transport naar konijnenslachter Lonki in Temse, 7 maal naar konijnenslachter Van Assche in Deinze. Animal Rights volgde de transporten van de slachthuizen naar de konijnenfokkerijen en weer terug en filmde het laden van konijnen met een drone vanuit de lucht en met telelens vanaf de grond.

Interactieve kaart (Beste zichtbaar in full screen op desktop.)

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waren er in 2025 in Nederland nog 30 bedrijven met (260.100) konijnen. 1 Animal Rights filmde het laden van konijnen dus bij meer dan de helft van de Nederlandse bedrijven. In Vlaanderen en Wallonië gaat het om nog slechts een handvol konijnenkwekerijen. 2 De beelden zijn daarmee representatief voor de gehele sector. Het mishandelen van konijnen bij het laden gebeurt structureel. Wat in de beelden is te zien, is de normale gang van zaken.

Welzijnsaantastingen
Konijnen zijn prooidieren. Opgepakt worden is voor hen een inherent stressvolle ervaring. De konijnenhouder en zijn of haar medewerkers zijn voor de konijnen roofdieren. Vluchten is onmogelijk, terugvechten zinloos. Deze vorm van stress is een welzijnsaantasting die inherent is aan de industrie die konijnen fokt en vetmest voor de slacht.

De ruwe behandeling van konijnen bij het vangen, verplaatsen en in kratten doen voor transport zorgt naast stress voor angst en pijn.

Een derde welzijnsaantasting is de sensorische overstimulatie van licht, geluid en geur; van de heftruck, het stapelen en oppakken van de kratten, medewerkers en uitlaatgassen. 

Bij het laden van konijnen in Delwijnen danst zelfs een grote, loslopende rottweiler gedurende het hele laadproces rondom de karren en kratten met konijnen.

Wettelijk kader
Volgens de Europese Transportverordening is het, onder andere, verboden dieren bij de oren, vacht en poten “op te tillen of voort te trekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun onnodige pijn of onnodig lijden berokkent”. 3

Volgens de Nederlandse Wet dieren 4 is het verboden “om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen” (Dierenmishandeling). 
En is “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor dieren worden veroorzaakt, verplicht […] dergelijk handelen achterwege te laten” (Zorgplicht).

Volgens de Vlaamse Codex Dierenwelzijn mag niemand, uitgezonderd bij overmacht, handelingen plegen “waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak het welzijn van het dier op een andere manier op fysiologisch en/of ethologisch vlak wordt geschaad.” 5 In de Waalse Codex staat een gelijkaardige beschrijving onder artikel D.3, paragraaf 1: Le présent Code règlemente le comportement que l’être humain observe à l’égard des animaux et sanctionne celui qui se livre, sauf pour des motifs légitimes, à des actes qui ont pour conséquence de faire périr un animal sans nécessité ou de lui causer sans nécessité des lésions, mutilations, douleurs ou souffrances.

Volgens het ‘Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het welzijn van konijnen in fokkerijen’ wordt bij de omgang met de konijnen “onnodig lijden of stress vermeden. Ze worden nooit opgetild aan de oren of de ledematen.” 6

Het recentste wetenschappelijke advies vanuit de EU schrijft voor dat konijnen buiten de kooi of krat altijd ondersteund dienen te worden. 7

Lees voor de achtergronden:

De beelden
In de beelden is te zien dat konijnen, zonder uitzondering, aan de oren, of één enkel oor, en vacht worden opgetild. Ze wegen voor de slacht zo’n twee-en-een-halve kilo, maar nergens worden de konijnen ondersteund. Ál het hanteren van de konijnen in de beelden is daarmee illegaal en strafbaar.

Ongewenste konijnen – ziek, half-dood, groeiachterstand – worden aan hun achterpoten vastgehouden, doodgeslagen tegen de grond (Raalte).

Konijnen worden vanuit hun kooien in overvolle winkelwagens (of variaties daarop) gestopt, op elkaar gepropt, de onderste dieren geplet onder het gewicht van de dieren boven hen.

Veel laders pakken meerdere konijnen per hand aan de oren of vacht, als was uit een wasmand, waardoor er regelmatig een konijn op de grond of terug in de winkelwagen valt.

Konijnen worden met grote regelmaat vanuit de hoogte in lage kratten en lades gegooid.

Omdat werknemers zichzelf en de winkelwagens slecht positioneren, wordt er vaak over afstand met konijnen gegooid.

Regelmatig wordt er met konijnen in de hand, aan oren of vacht, niet ondersteund, over grotere afstand gelopen.

Door de kleine openingen in de kratten van slachthuis Lonki en het grove werk van de laders raken de konijnen vaak de plastic randen.

Bij het stalen-container-met-laden-systeem, dat wordt gebruikt door slachthuis Van Assche / transporteur Kruiskip, wordt vaak de bovenliggende lade gebruikt als een backboard bij basketbal om konijnen in de lade te mikken. Ook raken de konijnen hier regelmatig het stalen frame.

Konijnen die later in een krat/lade worden gegooid, landen vaak op de konijnen die er al in zitten.

De ene werknemer werkt grover dan de ander, maar, opvallend (of misschien juist niet in deze industrie) is dat we nergens hebben waargenomen dat werknemers elkaar corrigeren. 

Op alle locaties kijkt de chauffeur, en daarmee de vertegenwoordiger, van het transportbedrijf en het slachthuis toe, zowel te voet als vanuit zijn heftruck. Nergens zien we een chauffeur ingrijpen.

Animal Rights legde vast hoe een winkelwagen vol konijnen omging (Diepenheim) en hoe een stapel kratten vol konijnen omviel (Bentelo). Het zou wel heel toevallig zijn dat dit zich enkel maar voordeed de twee keer dat Animal Rights dit op beeld vastlegde.

Eerdere misstanden
Animal Rights onderzocht in 2019 een jaar lang de commerciële konijnenhouderij in Nederland. De aangetroffen omstandigheden waren ronduit schokkend. 

“We worden steeds vaker geconfronteerd met beelden van dierenleed in de Nederlandse veehouderij. Dat raakt mij en ik begrijp dat mensen hierdoor geschokt, verdrietig en verontwaardigd zijn,” zei toenmalig landbouwminister Schouten destijds over die beelden. 

Vier jaar later, inspecteerde Animal Rights een van de slechtste bedrijven van destijds opnieuw. Toenmalig landbouwminister Adema zei daarover: “De beelden vind ik uiteraard verschrikkelijk om te zien en dat doet mij ook wat.” 

Toch traden deze ministers niet op. Men laat het, nog altijd, aan de sector zelf over.

In Vlaanderen waar Animal Rights ongeveer gelijktijdig filmde werden wél duizenden euro’s aan boetes opgelegd. 

Inspecties
Animal Rights vraagt via de Wet open overheid (Woo) de inspectierapporten over de konijnenhouderij al op sinds 2017 en is nog nooit een controle op het laden voor transport tegengekomen. De Nederlandse voedsel- en warenautoriteit (NVWA) kan geen direct toezicht houden op de slachthuizen, want die staan in Vlaanderen, maar dan zou je van de toezichthouder verwachten dat men in ieder geval controleert op het laden voor de slacht bij een sector die meermaals negatief in het nieuws is geweest vanwege misstanden met betrekking tot dierenwelzijn.

Ondanks de gruwelijke beelden uit de Nederlandse konijnenindustrie die Animal Rights in 2019 en 2023 publiceerde en het vreselijke beeld van deze sector dat naar voren komt uit eerdere inspectierapporten, vonden er in 2024 en 2025 geen NVWA-controles plaats bij konijnenhouderijen. 

Beëindig de konijnenhouderij!
Konijnen brengen de 11 weken tussen hun geboorte en de gang naar het slachthuis door in kooisystemen in Nederland en parksystemen in België zonder de mogelijkheid om natuurlijk gedrag te vertonen. Er is niet of nauwelijks ruimte om te huppelen en rennen, geen mogelijkheid tot graven. Deze konijnen komen nooit buiten en zien nooit direct daglicht. Ze leven niet in natuurlijke groepssamenstellingen, lopen over een ondergrond met spleten, bevinden zich continu boven hun eigen uitwerpselen en ademen de ammoniaklucht daarvan in. Daarnaast is er de continue herrie van de mechanische ventilatie en muziekinstallaties.

Na de 11 weken gevangenschap in kooien worden de konijnen in overvolle winkelwagens gepropt, opgetild aan hun oren of vacht en in kratten gesmeten.

Uit de inspectierapporten opgesteld bij de slachthuizen blijkt dat er ook daar misstanden zijn.

Het is, volgens Animal Rights, tijd om te concluderen dat de konijnenhouderij op geen enkele wijze in staat is om te voldoen aan de behoeftes van konijnen en dat konijnen volstrekt ongeschikt zijn voor de vee-industrie. We moeten daarom stoppen met de zoektocht naar steeds weer kleine, vaak denkbeeldige, verbeteringen in de houderij-omstandigheden en deze sector opdoeken.

Wettelijk kader 

Transportverordening
Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97: 

Artikel 3: Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren 
Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: 
(…) 
e) het personeel dat met de dieren omgaat, heeft daarvoor de nodige opleiding of bekwaamheid, naar gelang van het geval, en voert zijn werkzaamheden uit zonder gebruikmaking van geweld of een methode die de dieren onnodig angstig maakt of onnodig letsel of leed toebrengt; 
(…) 

Artikel 8: Houders 
1. De houders van dieren op de plaats van vertrek, overlading of bestemming zorgen ervoor dat de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling 1 met betrekking tot het vervoer van dieren nageleefd worden. 
2. (…) 

Artikel 25: Sancties 
De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die gelden voor overtredingen van deze verordening, en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten delen deze bepalingen, alsmede de bepalingen voor de toepassing van artikel 26, uiterlijk op 5 juli 2006 aan de Commissie mee en stellen de Commissie onverwijld in kennis van elke wijziging daarvan. 

BIJLAGE I: TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN 
(als bedoeld in artikel 6, lid 3, artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 1, en lid 2, onder a) 

HOOFDSTUK III: VERVOERMETHODEN 

(…) 

Behandeling 
Het is verboden: 
de dieren te slaan of te schoppen; 
op een bijzonder gevoelig deel van het lichaam op zodanige wijze druk uit te oefenen dat het de dieren onnodige pijn of onnodig lijden berokkent; 
de dieren met mechanische middelen in een hangende positie te houden; 
de dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen of voort te trekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun onnodige pijn of onnodig lijden berokkent; 
prikstokken of andere puntige voorwerpen te gebruiken; 
opzettelijk dieren te hinderen die gedreven of geleid worden door een gedeelte waar doorstroming nodig is. 

Wet dieren 
Artikel 1.3 Intrinsieke waarde
1 De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend.
2 Onder erkenning van de intrinsieke waarde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Bij het stellen van regels bij of krachtens deze wet, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, wordt ten volle rekening gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.
3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt tot de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven in elk geval gerekend dat dieren, voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd, worden voorzien van:
a. voldoende voeding van een goede kwaliteit;
b. een comfortabele en veilige omgeving met een goed klimaat
c. waarborgen voor een goede gezondheid en het voorkomen van pijn
d. voldoende mogelijkheden om te voorzien in hun gedragsbehoeften; en
e. een positieve emotionele toestand.

Artikel 1.4 Algemene zorgplicht 
1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor dieren. 
2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor dieren worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 

Artikel 2.1. Dierenmishandeling 
1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen. 
(…) 

Artikel 2.2. Houden van dieren 
(…) 
8. Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden. 

Artikel 2.5. Vervoer van dieren 
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over het vervoer van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën. 
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld voor bij deze maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën die betrekking hebben op onder meer: 
(…) 
c) het bijeenbrengen, aanvoeren en afvoeren van dieren; 
(…) 
g) het in-, bij-, uit- en overladen van dieren; 
(…). 

Artikel 6.2. Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen en EU-besluiten 
1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is. 
2. De aanwijzing bij ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor zover de voorschriften geheel of mede strekken tot bescherming van de volksgezondheid. 

Regeling houders van dieren 
Artikel 4.8. Verbodsbepalingen 
Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet (dieren), worden aangewezen de artikelen: 
– 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005; 
– 4, eerste en derde lid, en 5, van verordening (EG) nr. 1255/97. 

Codex Dierenwelzijn en Codex Bien-être Animal Wallonie
De Vlaamse Codex Dierenwelzijn en de Codex Bien-être Animal Wallonie van 17 mei 2024 vervangen de oude Belgische dierenwelzijnswet van 1986.

Artikel 6 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn schrijft voor:
Niemand mag, uitgezonderd bij overmacht, handelingen plegen die niet door dit decreet zijn bepaald of nalaten handelingen te stellen, als dat redelijkerwijze mogelijk is, waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak het welzijn van het dier op een andere manier op fysiologisch en/of ethologisch vlak wordt geschaad.

Artikel D.3, paragraaf 1 van de Codex Bien-être Animal Wallonie zegt duidelijk: Le présent Code règlemente le comportement que l’être humain observe à l’égard des animaux et sanctionne celui qui se livre, sauf pour des motifs légitimes, à des actes qui ont pour conséquence de faire périr un animal sans nécessité ou de lui causer sans nécessité des lésions, mutilations, douleurs ou souffrances.

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het welzijn van konijnen in fokkerijen van 19/12/2020
Artikel 5
Bij de omgang met de konijnen wordt onnodig lijden of stress vermeden. Ze worden nooit opgetild aan de oren of de ledematen.

Wetenschappelijk advies

Hoewel er regels zijn die minimumnormen vaststellen voor de bescherming van landbouwdieren, waaronder konijnen, bestaat er in de EU geen soortspecifieke wetgeving ter bescherming van het welzijn van konijnen. De bestaande dierenwelzijnswetgeving is meer dan 20 jaar oud.

In 2017, ook al weer bijna 10 jaar geleden, heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen over minimumnormen voor de bescherming van konijnen in de fokkerij en de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid EFSA verzocht een wetenschappelijk advies uit te brengen ter ondersteuning van de implementatie van de resolutie.

Het Parlement handelde naar aanleiding van zorgen van onder andere ngo’s als Animal Rights over het slechte welzijn, de hoge stressniveaus en de hoge sterfte- en ziektecijfers van konijnen in de Europese fokkerij. Er bestaat ook bezorgdheid dat elektrische verdoving van konijnen hen niet altijd volledig bewusteloos maakt, wat pijn, stress en lijden veroorzaakt.

Dat leidde tot 3 rapporten, gepubliceerd op 9 en 10 januari 2020: 
– Wetenschappelijk advies over de gezondheid en het welzijn van konijnen in verschillende productiesystemen.
– Wetenschappelijk advies over verdovingsmethoden en het slachten van konijnen voor menselijke consumptie.
– Wetenschappelijk advies over het doden van konijnen om andere redenen dan slacht.

Daarmee was er nog geen wetenschappelijke advies dat het transport van konijnen besloeg. Dat volgde op 30 Juni 2022 in de vorm van ‘Welfare of domestic birds and rabbits transported in containers’. 

In het kader van haar ‘Farm to Fork Strategy’-strategie voert de Europese Commissie een evaluatie uit van de wetgeving inzake dierenwelzijn, inclusief Verordening (EG) nr. 1/2005 over de bescherming van dieren tijdens transport en aanverwante werkzaamheden.

Het konijn wordt in de Verordening maar twee maal genoemd:
– Voor pluimvee, tamme vogels en tamme konijnen moet er voldoende voer en water beschikbaar zijn, behalve in het geval van een reis die korter duurt dan 12 uur, de laad- en lostijd niet meegerekend.
– Wanneer containers met dieren op elkaar worden gestapeld op het transportmiddel, moeten de nodige voorzorgsmaatregelen worden genomen om te voorkomen, of in het geval van pluimvee, konijnen en pelsdieren, om te beperken dat urine en uitwerpselen op de eronder geplaatste dieren terechtkomen.

Niets over het vangen van konijnen. In Nederland zijn wel specifieke regels voor de huisvesting van konijnen opgenomen in het Besluit houders van dieren, maar eveneens niet voor transport, waarvan het vangen voor transport onderdeel is.

De huidige EU-wetgeving inzake de bescherming van dieren tijdens transport is gebaseerd op een wetenschappelijk advies dat in 2002 is vastgesteld. Tegen deze achtergrond heeft de Commissie EFSA verzocht een onafhankelijk standpunt in te nemen over het welzijn van dieren tijdens transport voor verschillende groepen en categorieën landbouwhuisdieren. Voor konijnen (en pluimvee) werd dat de wetenschappelijke opinie van 30 Juni 2022. Het is (nog) geen wetgeving, maar het enige formele advies dat we hebben.

Op pagina 4 van het advies plaatsen de wetenschappers de stress door hantering van konijnen vooraan: “De welzijnsgevolgen die als zeer relevant werden beschouwd voor het welzijn van konijnen tijdens transport waren: (i) stress door hantering, (ii) verwondingen, (iii) bewegingsbeperking, (iv) sensorische overstimulatie, (v) bewegingsstress, (vi) hittestress, (vii) koudestress, (viii) langdurige honger en (ix) langdurige dorst.”

Konijnen zouden in principe niet opgepakt moeten worden en dus niet gehouden. Op pagina 111 wordt gezegd: “Omdat konijnen een op de grond levende prooidiersoort zijn, is het waarschijnlijk van nature een stressvolle ervaring voor ze om opgetild te worden (McBride, 2017).”
Op pagina 4: “Hoewel er preventieve maatregelen beschikbaar zijn voor veel van de gevolgen voor het welzijn, kan hanteringsstress niet worden voorkomen of verholpen, alleen verzacht.”
En op pagina 40: “De stress die gepaard gaat met het hanteren door personeel en apparatuur kan niet worden voorkomen, slechts verminderd, aangezien het vangen, inpakken en laden noodzakelijke procedures zijn bij het verplaatsen van konijnen van het verblijf naar containers voor transport.”

Hoe die hanteringsstress dan gemitigeerd kan worden, wordt op pag 109 in artikel 5.3.3 ‘Vangen en in kratten plaatsen’ uitgelegd: “Konijnen worden individueel uit de kooien op de boerderij gehaald door ze bij het nekvel vast te houden en op te tillen met één hand, al dan niet met ondersteuning van het lichaam met de andere hand. Eenmaal buiten de kooi wordt hun lichaam met de andere hand ondersteund.”

Let wel, oppakken bij het nekvel is in strijd met de Transportverordening waarin staat dat dieren niet aan de vacht mogen worden opgetild.

Over de ruwe behandeling die we in de beelden zien, zegt het advies op pagina 112 tot 115 in verschillende bewoordingen:“Er is vastgesteld dat ruwe behandeling van konijnen de sterfte vóór de slacht en de belangrijkste karkasafwijkingen, zoals bloedingen, kneuzingen en botbreuken, verhoogt (Verga et al., 2009).”
En: “Ruwe behandeling tijdens het vangen, dragen en in of uit de kooien halen van konijnen veroorzaakt pijn, angst en stress.”

Dat wordt op pagina 115 verder gespecificeerd: “Smalle kratopeningen vergroten het risico op verwondingen bij het hanteren van het dier. Ook het vangen van een konijn dat zich verder van de openingen bevindt, kan lastig zijn. De medewerker kan dan genoodzaakt zijn het dier ruw te grijpen, bijvoorbeeld bij de kop, nek of poten, waardoor het risico op verwondingen toeneemt. Botsingen tussen dieren en de oppervlakken vergroten eveneens het risico op verwondingen.”

“Verwondingen door het stoten of duwen van konijnen tegen de randen van de krat- of containeringang kunnen worden voorkomen door kratten of containers met grote deuren of openingen te gebruiken.”

“Containers (kratten) moeten zo dicht mogelijk bij de konijnen worden geplaatst om de afstand die de konijnen moeten afleggen te minimaliseren.”

Behalve de directe hantering van de konijnen zijn er nog meer zaken die angst en stress veroorzaken, zoals geluid, licht en geur:

Pag 122: “Sensorische overstimulatie treedt op wanneer het konijn stress en/of negatieve emotionele toestanden ervaart, zoals angst of ongemak, als gevolg van visuele, auditieve of olfactorische overstimulatie door de fysieke omgeving. Sensorische overstimulatie wordt veroorzaakt door de invloeden die op de dieren worden uitgeoefend, onaangename of onbekende geuren, lawaai of veranderingen in de belichting die optreden tijdens het plaatsen in de transportcontainers en het laden op vrachtwagens, handmatig of met een heftruck.”

“Fel licht is met name een probleem bij albino konijnen, die geen pigment in hun ogen hebben.”

Pag 123: “Plotselinge veranderingen in geluid vormen een bedreiging voor het welzijn van de dieren en kunnen angst bij de konijnen opwekken. Het vangen en in kratten plaatsen, evenals de reis in het voertuig, zijn fasen met harde geluiden die voornamelijk afkomstig zijn van machines, het manipuleren of verplaatsen van containers, of mensen die zonder voorzorgsmaatregelen de stal binnenkomen (bijvoorbeeld schreeuwend tijdens het vangen van de dieren).”

“Te veel licht of te weinig licht kan aanzienlijke negatieve gevolgen hebben, net als plotselinge veranderingen in lichtintensiteit.”

“Konijnen hebben een superieur reukvermogen; onbekende geuren die tijdens transport worden waargenomen, kunnen stress bij konijnen veroorzaken.
Bovendien kan het reukgebied zelf, gezien zijn gevoeligheid, vatbaar zijn voor toxische schade.
Blootstelling aan uitlaatgassen en andere algemene verontreinigende stoffen kan schadelijke gevolgen hebben (Hue-Beauvais et al., 2019).”

“Overmatig geluid of lawaai moet in alle stadia van de dierenproductie, -hantering en -transport worden vermeden of geminimaliseerd. Daarom moeten strategieën worden toegepast die het risico op harde en/of onverwachte geluiden en lawaai verminderen.

“Het is belangrijk om onverwachte harde geluiden te beperken, omdat deze angst veroorzaken en het aanpassingsvermogen van dieren verminderen.”

“Overmatige visuele overstimulatie moet in alle stadia van de dierenproductie, -hantering en -transport worden vermeden of geminimaliseerd. Daarom moeten strategieën worden toegepast die het risico op visuele overbelasting verminderen.”

“Overmatige olfactorische overstimulatie moet in alle stadia van de dierenproductie, -hantering en -transport worden vermeden of geminimaliseerd. Daarom moeten strategieën worden toegepast die het risico op olfactorische overbelasting verminderen.”

Over transportwaardigheid wordt op bijvoorbeeld pagina 107 gezegd: “Elk dier dat niet kan staan, is ongeschikt voor transport. Konijnen die zich niet verder dan een paar stappen kunnen bewegen, zijn ook ongeschikt voor transport, omdat de onderliggende oorzaken waarschijnlijk pijnlijk zijn.”

Uitzending RTL nieuws

Undercoverbeelden tonen geweld tegen konijnen bij Nederlandse fokkers 8 – 4 juli 2026

Gooien, bij de oren pakken en zelfs doodslaan tegen de grond. Bij het vangen en laden van vleeskonijnen gaat er van alles mis bij fokkers in Nederland. Dierenrechtenorganisatie Animal Rights maakte undercoverbeelden bij Nederlandse konijnenfokkers en ontdekte dat regels keer op keer worden overtreden.

Reactie konijnensector


Statement namens de Nederlandse konijnenhouders 9 10 11 – 4 juli 2026


Wij erkennen dat de beelden van Animal Rights laten zien dat tijdens het transport-gereed maken van konijnen op meerdere momenten handelingen plaatsvinden die niet passen bij de normen die wij als sector stellen aan het omgaan met dieren. De beelden zijn confronterend. We schrikken ervan, we betreuren dit ten zeerste en we realiseren ons dat dit het vertrouwen in onze
sector schaadt. Dit moet beter.

De verantwoordelijkheid hiervoor ligt in de eerste plaats bij onszelf. Daarom starten wij als sector op korte termijn een verbetertraject. Gericht op het structureel verbeteren van het vang- en laadproces op de Nederlandse konijnenbedrijven. Daarbij wordt gekeken naar werkwijzen, opleiding en instructie van medewerkers, het correct toepassen van laadprotocollen en aanvullende maatregelen die kunnen bijdragen aan een zorgvuldige uitvoering, betere naleving en aantoonbare verbetering in de praktijk.


Wij willen dat goede omgang met dieren niet alleen op papier staat, maar zichtbaar is in de dagelijkse praktijk. Daarom zullen wij samen met onafhankelijke deskundigen een verbeterplan opstellen met concrete maatregelen, heldere doelstellingen en een vaste termijn voor uitvoering.


De NVWA zullen wij actief betrekken bij dit traject. Wij vragen de toezichthouder om het verbeterplan kritisch te beoordelen en mee te kijken naar de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen. Waar overtredingen worden vastgesteld, moet passend worden opgetreden.


Om snelheid, onafhankelijkheid en voortgang te waarborgen, zijn wij bereid een onafhankelijke kwartiermaker aan te stellen die het verbetertraject begeleidt, de uitvoering monitort en rapporteert over de voortgang. Deze persoon ziet erop toe dat verbeteringen niet bij intenties blijven, maar daadwerkelijk in de praktijk worden gerealiseerd en geborgd.


Als sector voelen wij de verantwoordelijkheid om hiervan te leren en aantoonbaar verbeteringen door te voeren.

Kamervragen PvdD

Vragen van Ouwehand over het structurele lijden van konijnen en nieuwe beelden van ernstige overtredingen in de Nederlandse vleeskonijnenhouderij – 5 juli 2026 12

Vragen van het lid Ouwehand (Partij voor de Dieren) aan de staatssecretaris en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het structurele lijden van konijnen en nieuwe beelden van ernstige overtredingen in de Nederlandse vleeskonijnenhouderij.

1.         Was u zich beiden al bewust van de omstandigheden waaronder konijnen in de Nederlandse vleeskonijnenfokkerij worden gehouden? Kunt hier uiteenzetten hoe dieren moeten leven in de vleeskonijnenhouderij in ons land?
2.         Heeft u de beelden bekeken die de afgelopen maanden op zestien verschillende konijnenhouderijen in Nederland zijn gemaakt, waarop te zien is op welke wijze konijnen op deze bedrijven uit hun kooien worden getrokken om afgevoerd te worden naar het slachthuis? [1] [2]
3.         Heeft u gezien dat de konijnen op ruwe wijze aan hun oren en aan hun vacht worden opgetild en zeer ruw in transportkratten worden gegooid en geduwd?
4.         Heeft u gezien dat er ook gebruik wordt gemaakt van winkelwagentjes, die letterlijk vol worden gegooid met konijnen, waarbij de dieren die onderin terecht zijn gekomen met hun pootjes op het raster van de winkelwagen zitten terwijl er een stapel van 4, 5 lagen konijnen bovenop ze wordt gegooid tot het winkelwagentje vol is, waardoor de dieren die onderin zitten worden geplet onder het gewicht van hun soorgenoten?
5.         Heeft u gezien dat er zelfs konijnen worden doodgeslagen tegen de grond?
6.         Wat vindt u van dit alles?
7.         Is dit de manier waarop in de Nederlandse veehouderij met dieren mag worden omgegaan? Zo nee, kunt u uitvoerig uiteenzetten welke overtredingen u hier allemaal ziet?
8.         Klopt het dat er op dit moment tussen de 25 en 30 vleeskonijnenhouderijen zijn in Nederland? Hoeveel zijn het er precies?
9.         Hebt u gezien dat bij 16 Nederlandse konijnenhouderijen is gefilmd, en dus bij (ruim) meer dan de helft van de bedrijven?
10.   Bent u ermee bekend dat in 2019 ook al beelden naar buiten kwamen over ernstig dierenleed in de Nederlandse konijnenhouderij, waarna toenmalig minister Schouten aangaf dat zij begrijpt dat mensen hierdoor “geschokt, verdrietig en verontwaardigd zijn”? [3]
11.   Bent u ermee bekend dat vier jaar later opnieuw werd bevestigd dat konijnen in de veehouderij ernstig lijden, waarna toenmalig minister Adema aangaf dit “verschrikkelijk” te vinden? [4]
12.   Deelt u de mening dat er hierdoor niet kan worden gesproken over een incident, maar dat er sprake is van structureel en ernstig dierenleed en ernstige overtredingen in de konijnenhouderij? Zo nee, waarom niet?
13.   Kunt u aangeven hoeveel controles sinds 2017 hebben plaatsgevonden bij konijnenhouderijen, uitgesplitst naar jaar? Klopt het dat er in elk geval in 2024 én 2025 geen enkele NVWA-controle heeft plaatsgevonden bij konijnenhouderijen, ondanks de eerdere misstanden die in 2019 en ook in 2023 nog zijn geopenbaard?
14.   Kunt u aangeven hoeveel controles op het laden van konijnen voor transport hebben plaatsgevonden sinds 2017, uitgesplitst naar jaar?
15.   Hoe kan het dat aan burgers, maatschappelijke organisaties en volksvertegenwoordigers nu al jaren wordt verteld dat de NVWA risicogericht toezicht houdt, terwijl in een sector zoals de vleeskonijnenhouderij, waar de risico’s op ernstig dierenleed en ernstige overtredingen overduidelijk groot én bekend zijn, niet wordt gecontroleerd?
16.   Hoe verklaart u dat er, jaren nadat de eerste berichten van ernstig dierenleed in konijnenhouderijen naar buiten kwamen, er nog steeds sprake is van structureel en ernstige dierenleed en ernstige overtredingen?
17.   Hoelang duurt een cyclus van fok en geboorte van jonge konijnen tot aan het eindstadium van de vetmesterij op een gemiddeld vleeskonijnenbedrijf? Hoe veel van deze cycli vinden jaarlijks plaats  en hoe vaak per jaar worden de vetgemeste konijnen op een gemiddeld bedrijf afgevoerd naar de slacht?
18.   Hoe geloofwaardig vindt u de reactie van een van de boeren, die bij RTL Nieuws namens de gehele vleeskonijnensector reageerde, dat ze ‘echt geschrokken waren van de beelden’, terwijl deze beelden ook op zijn eigen bedrijf waren gefilmd?
19.   Denkt u dat de betreffende boeren niet weten hoe de konijnen op hun eigen bedrijven uit hun kooien worden getrokken en in kratten worden gesmeten wanneer het tijd is om de vetgemeste dieren af te voeren naar de slacht? Liggen zij dan in bed als de konijnen op hun eigen bedrijf worden gevangen voor de slacht?
20.   Deelt u mijn vermoeden dat de vleeskonijnenfokkers niet zozeer geschrokken zijn van wat er op de beelden te zien is, omdat dat hen wel bekend is, maar vooral van het feit dat deze beelden  naar buiten zijn gekomen?
21.   Denkt u dat een ‘stevig gesprek’, dat de NVWA met de sector zegt te willen gaan voeren, een gepaste reactie is voor een sector die nu al verschillende keren via undercoverbeelden is ontmaskerd als een sector waarin dieren structureel ernstig lijden en waarin ernstige overtredingen worden begaan?
22.   Deelt u de mening dat een dergelijke sector geen uitvluchten meer mag krijgen door zelf met ‘verbeterplannen’ te komen, maar dat de schandalige manier waarop in de vleeskonijnenhouderij met weerloze dieren wordt omgegaan stevig moet worden bestraft en serieuze consequenties moet hebben?
23.   Welke consequenties verbindt u aan het structurele lijden van konijnen in de vleeskonijnenhouderij en de ernstige overtredingen die keer op keer naar buiten komen voor de toekomst van deze sector in ons land?
24.   Kunt u zich voorstellen dat veel burgers begrijpen dat er belastinggeld wordt gestoken in het uitkopen van veehouderijen en dat er subsidies worden verstrekt om de veehouderij te laten omschakelen naar een duurzamer en diervriendelijker landbouw, maar dat het indruist tegen hun rechtsgevoel als veehouderijbedrijven die zó met dieren omgaan en die zich schuldig maken aan ernstige overtredingen ook doodleuk in aanmerking komen voor uitkoopregelingen en subsidies? Zo nee, waarom niet?
25.   Gaat u ervoor zorgen dat bij veehouderijbedrijven die zich schuldig maken aan ernstige overtredingen strikte handhaving en sanctionering wordt ingezet, in plaats van straffeloze beloning in de vorm van uitkoopregelingen of omschakelsubsidies op kosten van de belastingbetaler? Zo ja, kunt u uiteenzetten hoe u dit aan gaat pakken? Zo nee, waarom vindt u het gerechtvaardigd om schaarse middelen uit het stikstoffonds op te maken aan bedrijven die ernstige overtredingen begaan en zó omgaan met dieren?
26.   Deelt u de mening dat de schandalige manier waarop konijnen uit hun kooien werden gehaald en (via winkelwagentjes) in transportkratten werden gegooid en geduwd nooit meer voor mag komen? Zo nee, waarom vindt u dat de vleeskonijnensector ernstige overtredingen mag blijven begaan? Zo ja, hoe gaat u zorgen dat dit niet meer gebeurt?
27.   Erkent u dat er in het huidige veehouderijsysteem voor konijnen sprake is van structureel lijden, ook als de veehouder zich aan alle regels houdt, omdat de tot nu toe toegestane manier van huisvesting totaal niet is aangepast aan de natuurlijke behoeften, het welzijn en de integriteit van deze dieren? Deelt u de mening dat er een einde moet komen aan dit structurele dierenleed?
28.   Hoeveel konijnen worden er in Nederland jaarlijks gefokt? Kunt u bevestigen dat uit schattingen blijkt dat rond de 350.000 konijnen per jaar niet levend de stallen uitkomen omdat ze er sterven vanwege de slechte omstandigheden? [5] Zo nee, om welke aantallen gaat het dan en waar baseert u dat op?
29.   Bent u ermee bekend dat de toenmalig landbouwminister in 2020 liet weten in gesprek te gaan met de konijnensector over het centraal registeren van het aantal konijnen dat sterft in de stallen en dat deze cijfers vanaf 2025 beschikbaar zouden komen? [6] [7]
30.   Kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
31.   Hoe beoordeelt u het in termen van dierwaardigheid dat konijnen moeten leven in een kooi, zonder ruimte om te rennen, graven, schuilen of knagen, dag en nacht in een ammoniaklucht doorbrengend, waarbij de mannetjes die worden gehouden voor hun zaad in hun eentje in kooien zitten, net als (een groot deel van) de moederdieren op het moment dat zij geen jongen hebben?
32.   Onderschrijft u de analyse van de Universiteit Utrecht die in haar rapport de gedragsbehoeften van konijnen heeft gedefinieerd, waaronder exploreren, knagen, foerageren en scharrelen, het onderhouden van sociale banden, het vertonen van maternaal en nestgedrag, het vertonen van zooggedrag en het ontvangen van moederzorg voor jongen? [8]
33.   Onderschrijft u de analyse van de Universiteit Utrecht dat konijnen zich moeten kunnen terugtrekken om agressie te vermijden, dat ze moeten beschikken over voldoende vlucht-, schuil- of uitwijkmogelijkheden, dat ze moeten kunnen liggen en rusten, dat ze zich moeten kunnen afzonderen van het nest voor moederdieren ter voorkoming van infanticide en verwonding van de jongen en dat ze moeten beschikken over voldoende ruimte voor beweging, zodat ze kunnen springen, huppelen en rennen?
34.   Onderschrijft u dat konijnen behoefte hebben aan eten en drinken van onbeperkt beschikbaar schoon water en van voldoende geschikt voer op een manier die aansluit bij de voorkeur van deze dieren?
35.   Onderschrijft u de analyse van Universiteit Utrecht dat vleeskonijnen in kleine kooien of hokken gevoelig zijn voor hittestress? Welke maatregelen worden op dit moment getroffen om deze dieren tegen de hitte te beschermen?
36.   Hebben de konijnenfokkers in hun fokprogramma’s rekening gehouden met minder dieren (lagere stalbezetting) in de zomermaanden omdat het risico op hittestress dan groot is?
37.   Kunt u uiteenzetten welke maatregelen u op korte termijn gaat treffen, en met welk tijdpad, om een einde te maken aan het ernstige en structurele dierenleed in de konijnenhouderij, inclusief handhaving en beëindiging van de bedrijven die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige overtredingen?

[1] https://animalrights.nl/undercoverbeelden-grootschalige-mishandeling-van-konijnen-bij-het-laden-voor-transport-naar-slachthuis/
[2] https://www.rtl.nl/nieuws/video/video/f4cceccd-af5b-409f-aa70-082c4e340d74/undercoverbeelden-tonen-geweld-tegen?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F
[3] Antwoorden op Vragen van het lid Ouwehand (PvdD) aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het lijden van konijnen in de Nederlandse konijnenhouderij (ingezonden 12 december 2019)
[4] Antwoorden op Vragen van het lid Ouwehand (PvdD) aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het leven en lijden van konijnen in de vleesindustrie (ingezonden 22 december 2023)
[5] https://wakkerdier.nl/app/uploads/2024/09/23095102/WD-2024-Rapport-Sterfte-voor-de-slacht.pdf?_gl=1*1c3f8fc*_gcl_au*MjU1OTE5MzExLjE3NzE1MTIxMTQ.
[6] Antwoorden op Vragen van het lid Ouwehand (PvdD) aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het lijden van konijnen in de Nederlandse konijnenhouderij (ingezonden 12 december 2019)
[7] Antwoorden op Vragen van het lid Ouwehand (PvdD) aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het leven en lijden van konijnen in de vleesindustrie (ingezonden 22 december 2023)
[8] https://research-portal.uu.nl/ws/files/256795196/quickscan-uu-dierwaardigheid.pdf

Aanvullende Kamervragen D66

Schriftelijke vragen: Het bericht “Undercoverbeelden tonen geweld tegen konijnen bij Nederlandse fokkers” – 6 juli 2026 13

Vragen van het Kamerlid Anne-Marijke Podt (D66) aan de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het bericht “Undercoverbeelden tonen geweld tegen konijnen bij Nederlandse fokkers”.


1. Wat is er sinds de eerdere beelden van misstanden in de konijnenfokkerij in 2019 en 2023 concreet gedaan om dit soort mishandelingen te voorkomen en stevig in te grijpen bij bedrijven waar dit plaatsvindt? Welke concrete straffen zijn er destijds opgelegd aan bedrijven en medewerkers? 1)
2. Welke concrete afspraken zijn er naar aanleiding van eerdere misstanden met de sector gemaakt?
3. Hoe is het mogelijk dat Animal Rights constateert dat deze misstanden nu weer bij álle zestien gefilmde fokkers plaatsvinden?
4. Zou u, gezien de schaal en het steeds opnieuw terugkeren van deze misstanden nog spreken van incidenten of gaat het hier over structurele misstanden in een sector waar maar weinig lijkt te verbeteren?

5. Welke stappen zijn er inmiddels genomen naar aanleiding van deze beelden? 
6. Klopt het dat in Vlaanderen bij soortgelijke misstanden veel steviger is ingegrepen? Waarom is dit en wat is er in Nederland meer mogelijk? 

7. Welke conclusies trekt u uit deze beelden ten aanzien van de noodzaak tot veel strenger optreden, nut en noodzaak van afspraken met deze sector als het blijkbaar steeds op deze schaal misgaat en de toekomst van deze sector in Nederland? 



1) Rtl.nl, 4 juli 2026, ‘Undercoverbeelden tonen geweld tegen konijnen bij Nederlandse fokkers‘


Aanvullend op de schriftelijke vragen van het lid Ouwehand (PvdD) over het structurele lijden van konijnen en nieuwe beelden van ernstige overtredingen in de Nederlandse vleeskonijnenhouderij.


Statenvragen Gelderland

Statenvragen: Ernstige misstanden met konijnen bij Gelderse bedrijven – 9 juli 2026 14

Op 4 juli 2026 bracht RTL Nieuws een video naar buiten met undercoverbeelden die Animal Rights maakte bij zestien Nederlandse konijnenfokkerijen. In Gelderland filmde Animal Rights bij bedrijven in Beltrum, Leur en Herwijnen. 1) 2)
Op de beelden is te zien hoe konijnen hardhandig aan hun oren, poten en vacht worden opgetild, in kratten worden gegooid en zelfs tegen de grond worden doodgeslagen. Ook zien we dieren die op elkaar worden gepropt in winkelwagens, waarbij de onderste dieren worden geplet door het gewicht van hun soortgenoten.
Het gaat om konijnen waarvan het vlees voor consumptie wordt afgezet op de Belgische en Franse markt.

“We hebben de beelden gezien en zijn er erg van geschrokken,” reageerde Robbert Bekkers, voorzitter van de konijnenvakgroep van LTO en tevens konijnenfokker. Animal Rights publiceerde ook beelden van de boerderij van Bekkers.
In 2019 en 2023 kwamen ook al misstanden bij konijnenfokkerijen aan het licht.

De Partij voor de Dieren heeft hierover de volgende vragen aan het College
1. Heeft u de beelden van de misstanden met konijnen gezien? Zo ja, bent u, net als de konijnenvakgroep van LTO, geschrokken van de wijze waarop de konijnen worden behandeld?
2. Hoe kan het volgens u dat konijnenfokkers niet op de hoogte zijn van misstanden op hun bedrijf? Is het in de konijnensector gebruikelijk dat ondernemers niet aanwezig zijn op hun bedrijf en de werkzaamheden overlaten aan derden? Vindt u dit getuigen van goed ondernemerschap?
3. Hoeveel vleeskonijnenfokkerijen zijn er in Gelderland? Hoeveel konijnen worden daar gehouden?
4. Kent u de genoemde bedrijven in Beltrum, Leur en Herwijnen? Zo ja, heeft de provincie contact met deze bedrijven en gaat u daar wel eens op bezoek? Wat is uw indruk van deze bedrijven?
5. Is de Gelderse vleeskonijnensector een vaste gesprekspartner van de provincie Gelderland in het kader van het Gelderse land- en tuinbouwbeleid? Zo ja, welke afspraken zijn er in deze bestuursperiode met deze sector gemaakt?
6. Gaat u de geconstateerde misstanden bespreken met de Gelderse vleeskonijnensector in lopende overleggen of daarbuiten? Zo nee, waarom niet?
7. Welke plek ziet u voor de vleeskonijnensector in de Gelderse landbouw van de toekomst, gelet op de terugkerende misstanden, het gebrek aan toezicht van de ondernemers op het welzijn van hun dieren, de forse stikstofreductie-opgave (zie hierna) en de geringe bijdrage van deze sector aan de leefbaarheid en de Gelderse economie?
8. Gelderland wil inzetten op meer maatschappelijk draagvlak voor de land- en tuinbouw, bijvoorbeeld via voedseleducatie onder scholieren en de jaarlijkse ‘Week van ons Eten’?
Overweegt u in dit verband voorlichting over de Gelderse vleeskonijnensector? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zouden de misstanden in deze sector daar dan een onderdeel van zijn? Zo nee, waarom niet?
9. Een van de drie kernwaarden van het Gelderse land- en tuinbouwbeleid is “regionale identiteit”. Bedrijven die daarbij passen zijn “bedrijven die gemiddeld kleinschaliger zijn dan elders in Nederland, vaak mooi ingepast in het Gelderse landschap, veelal familiebedrijven en sociaaleconomisch verbonden met de streek.”
In hoeverre passen vleeskonijnenbedrijven volgens u bij deze kernwaarde?
In september besluiten Provinciale Staten over nieuwe regels3 voor het beperken van stikstofemissies in stikstofreductiegebieden rond kwetsbare natuur. In deze gebieden geldt voor “vlees- en opfokkonijnen tot de dekleeftijd” een emissiereductie van minimaal 80% in 2035. 3)
10. Hoeveel konijnenfokkerijen zijn er in de stikstofreductiegebieden? Hoeveel konijnen worden er op deze bedrijven gehouden?
11. Is er, gezien de forse emissiereductie-opgave voor deze sector, contact tussen de provincie Gelderland en de vleeskonijnensector over de maatregelen voor emissiereductie? Zo ja, welke maatregelen worden beoogd voor deze sector? Wordt ook beëindiging van bedrijven overwogen? In hoeverre worden de geconstateerde misstanden meegenomen bij deze maatregelen?

9 juli 2026,
Danielle van de Weerd, Partij voor de Dieren

1) https://www.rtl.nl/nieuws/video/video/f4cceccd-af5b-409f-aa70-082c4e340d74/undercoverbeelden-tonen-geweld-tegen
2) https://www.gelderlander.nl/binnenland/misstanden-bij-konijnenfokkerijen-gefilmd-ook-in-gelderland-dieren-aan-oren-opgetild-en-in-kratten-gesmeten~a06e972c/
3) https://gelderland.notubiz.nl/document/17134316/1/Bijlage+1+Ontwerp+PS-
besluit?connection_type=16&connection_id=1177969
: zie Hoofdstuk 4a

Animal Rights dient klachten in tegen konijnenkwekerijen in Meerle en Frasnes-Lez-Anvaing

Reactie van de Dierenbescherming / Beter Leven Keurmerk – 16 juli 2026

Heeft u de recentste beelden bekeken?
Ja. De Dierenbescherming vindt de beelden afschuwelijk, we zijn ontzettend geschrokken van deze schokkende praktijken. We hopen en gaan er vanuit dat de NVWA gaat ingrijpen en stevig gaat handhaven.

Heeft u de reactie van de NVWA gezien, die zegt: “We hebben de beelden bekeken, inderdaad, en om eerlijk te zijn werden we daar stil van. Hoe deze bedrijven met deze konijnen omgaan is ronduit stuitend en ook verwerpelijk”?
Ja, en het is terecht dat ook de NVWA hiervan schrikt. Tegelijkertijd is het de taak van de NVWA om te voorkomen dat dit soort misstanden plaatsvinden en hadden we vanzelfsprekend liever gehad dat dit was voorkomen. Wij gaan er vanuit dat deze misstanden nu snel tot het verleden zullen behoren doordat de NVWA alsnog gaat ingrijpen.

Erkent u dat het grote aantal bedrijven waar is gefilmd, bevestigt dat de misstanden geen incidenten zijn, maar structureel van aard?
We vinden al langer dat de NVWA meer capaciteit nodig heeft omdat dit soort misstanden (zie ook het verhaal over de mishandeling op verzamelplaatsen, een aantal maanden geleden) helaas nog steeds plaatsvinden. Het dierenleed dat hier mee gepaard gaat vinden we onacceptabel, en daar is meer (zichtbare en onzichtbare) handhaving voor nodig. We kunnen ons er niet over uitspreken of de misstanden structureel zijn en vinden dit op zowel grote als kleine schaal niet aanvaardbaar. 

Erkent u dat het waarschijnlijk is dat de konijnen die u voorziet van een 1-ster beter leven certificering op dezelfde wijze behandeld worden, ook omdat deze door dezelfde transporteur worden vervoerd naar hetzelfde slachthuis?
Dit is mogelijk, maar op basis van deze beelden niet te zeggen. Er zijn substantieel meer konijnen-bedrijven dan bedrijven die Beter Leven keurmerk-konijnen leveren. Bovendien gaat het Beter Leven keurmerk vooral in op de omstandigheden ín de stal. Deze manier van behandelen van konijnen tijdens transport is simpelweg verboden en het is de taak van de NVWA toe te zien op naleving. Wij zoeken ondertussen uit of deze transporteur ook BLk-konijnen en we zullen aan die bevindingen eventueel consequenties verbinden.

Ziet u inmiddels in dat, net als bijvoorbeeld bij de Nederlandse eendenindustrie, de konijnenindustrie niet voor certificering in aanmerking komt?
We werken met het Beter Leven keurmerk samen met houders van dieren die er, net als wij, een meerwaarde in zien om de dieren die worden gehouden een beter leven te geven. Het Beter Leven keurmerk heeft over de afgelopen jaren aangetoond dat het een instrument is om het dierenwelzijn stapsgewijs te verhogen. Vertrouwen in het keurmerk is ons veel waard. Misstanden in elke sector zijn daarvoor nadelig en daarom ook onaanvaardbaar.

Ziet u in dat het certificeren van deze verwerpelijke sector het BLK in zijn geheel schade toebrengt?
De actie van deze vervoerders brengt de hele veehouderij-sector in brede zin schade toe. Dat verschillende diersoorten worden gehouden voor menselijke consumptie is een feit. Initiatieven om die sector diervriendelijker te maken zouden nooit moeten lijden onder mensen en organisaties die zelfs het uiterst minimale, het niet mishandelen van dieren, niet voor elkaar krijgen. Wat hier gebeurt is verwerpelijk én strafbaar, daar zal stevig op gehandhaafd moeten worden.

Bent u bereid deze certificering onmiddellijk in te trekken?
Het Beter Leven keurmerk is opgericht om dieren in de veehouderij stapsgewijs betere leefomstandigheden te bieden. Intrekken van een certificering van een houderij of slachterij kan slechts als daar conform het reglement overtredingen zijn geconstateerd die dat legitimeren. Transporteurs worden niet gecertificeerd in ons systeem.

Bij slachterij Van Assche worden konijnen bij bewustzijn de poten en oren afgesneden

Staatssecretaris Erkens geschokt door Animal Rights beelden konijnentransport

Staatssecretaris Erkens vindt Animal Rights’ undercoverbeelden van het laden van konijnen voor transport naar de slachthuizen verschrikkelijk, maar kiest net als zijn voorgangers voor zelfregulering door de konijnenhouders, die daar al eerder in faalden.

In antwoord op de Kamervragen 15 16 over de door Animal Rights gemaakte en door RTLNieuws op 4 juli uitgezonden undercoverbeelden van het vangen en laden van konijnen, laat staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur Silvio Erkens weten de beelden te hebben bekeken: “Wat te zien is op de beelden is verschrikkelijk en het gaat me aan het hart. Zo omgaan met dieren keur ik ten zeerste af en is onaanvaardbaar. We zien helaas vaker beelden van dieren die behandeld worden op een wijze die ons versteld doet staan. Als er geen toezichthouder in de buurt is, voelen sommigen zich kennelijk vrij op deze manier met dieren om te gaan. Dat is verontrustend en onbegrijpelijk.”

Over het onderzoek zegt hij: “De NVWA heeft een grote hoeveelheid beeldmateriaal ontvangen. Het onderzoek loopt nog, dit betreft onder andere de beoordeling op authenticiteit. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met de dieren. Er worden dieren opgetild aan oren, vacht, poten en kop, dieren worden met te veel in een winkelwagen gestopt waardoor ze in de verdrukking komen. Ook is het verboden om konijnen te doden op de wijze zoals te zien is op de beelden.”

Erkens laat ook weten dat hij bekend is met de reactie van toenmalig minister Schouten op Animal Rights beelden van 2019 en met de reactie van toenmalig minister Adema op Animal Rights beelden van 2023, die eveneens geschokt waren, maar waarna er dus niets veranderde: “De beelden uit 2019 en 2023 toonden het houden van de dieren op het primaire bedrijf en niet, zoals op de recente beelden, het vangen, laden en doden van konijnen.
Het onderzoek van de recente beelden loopt nog. Dit gaat om zowel het beoordelen van authenticiteit door NVWA-IOD als het onderzoeken van het materiaal op overtredingen. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.”

Op de vragen “Wat is er sinds de eerdere beelden van misstanden in de konijnenfokkerij in 2019 en 2023 concreet gedaan om dit soort mishandelingen te voorkomen en stevig in te grijpen bij bedrijven waar dit plaatsvindt? Welke concrete straffen zijn er destijds opgelegd aan bedrijven en medewerkers?”, antwoordt de staatssecretaris: “De beelden zijn schokkend en op deze manier mag nooit met dieren omgegaan worden. De houder van de dieren draagt te allen tijde verantwoordelijk voor mishandeling of ander dierenleed dat wordt veroorzaakt en dient dit te voorkomen.” 

“Op de konijnenhouderijen in Nederland zijn zowel in de periode 2015-2017 als 2021-2022 naleefmetingen uitgevoerd op de wijze waarop de dieren worden gehouden.”

“Bij de naleefmeting in de periode 2015-2017 zijn 45 bedrijven met konijnen geïnspecteerd. Bij 15 bedrijven zijn overtredingen geconstateerd zoals het niet aanwezig hebben van knaagmateriaal, een te lage lichtintensiteit of het ontbreken van plateaus. Hiervoor zijn schriftelijke en mondelinge waarschuwingen gegeven. Bij de laatste naleefmeting in 2021/2022 zijn bij vijf van de 17 geïnspecteerde bedrijven overtredingen geconstateerd. Hiervoor zijn vijf schriftelijke waarschuwingen opgemaakt. In vier gevallen is tevens een maatregel ten behoeve van herstel opgelegd. Overtredingen die zijn geconstateerd hadden betrekking op huisvesting, het niet hanteren van een dag- en nachtritme of het niet (correct) bijhouden van het uitvalspercentage.“

“Omdat uit deze onaangekondigde inspecties bleek dat geen sprake is van ernstige overtredingen bij het houden van konijnen, zijn 2023, 2024 en 2025 in de konijnenhouderij geen inspecties uitgevoerd.”

Op de vraag “Welke concrete afspraken zijn er naar aanleiding van eerdere misstanden met de sector gemaakt?”,  antwoord hij: “De sector heeft zelf een plan van aanpak huisvesting opgesteld waarover uw Kamer 14 april 2022 is geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Dit plan bevat een viertal onderdelen op het gebied van huisvesting die bijdragen aan het verbeteren van dierenwelzijn voor alle konijnen gehouden voor productie, namelijk: I. (stal)klimaat en calamiteiten, II. omgevingsverrijking, III. comfort voor opfokvoedsters en IV. leefruimte voor zowel vleeskonijnen als voedsters. Via dit plan van aanpak verplichten de houders zich om in de loop naar 2030 te voldoen aan bovenwettelijke huisvestingsvereisten. Eind 2025 dient elke konijnenhouder minimaal de helft van het totaal aantal punten behaald te hebben. De borging hiervan verloopt via het private kwaliteitssysteem.”

Erkens laat weten dat er op 1 april 2026 nog 28 bedrijfsmatige houders van konijnen geregistreerd waren; Animal Rights filmde bij 16 van hen. De logische vraag is dan: “Hoe is het mogelijk dat Animal Rights constateert dat deze misstanden nu weer bij álle zestien gefilmde fokkers plaatsvinden?”
Het antwoord van Erkens: “Ik constateer dat sommigen zich kennelijk vrij voelen om op deze manier met dieren om te gaan als er geen toezichthouder in de buurt is. Dat is verontrustend en onbegrijpelijk. 

Verontrustend is het dat Erkens, net als zijn voorgangers, het opnieuw aan de sector overlaat om de misstanden op te lossen, terwijl al is gebleken dat de sector daar niet in slaagt of niet toe bereid is: “Momenteel is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het door de sector en onafhankelijke kwartiermaker te maken verbeterplan dat uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.”

Erkens gaat bij dit antwoord ook even in op zijn algemene maatregel van bestuur (AMvB) voor een dierwaardige veehouderij, maar komt met betrekking tot de konijnensector niet verder dan dat deze “op termijn” ook betrokken zal worden: “Op het moment dat de AMvB voor de konijnensector wordt opgesteld zal nogmaals goed gekeken worden naar de gedragsbehoeftes en het natuurlijke gedrag van konijnen om zo tot passende nieuwe wetgeving te komen.”

Daarna gaat Erkens in op de genomen stappen naar aanleiding van deze beelden: “De harde schijf met beelden is overgedragen aan de NVWA. Het gaat om een grote hoeveelheid beeldmateriaal.  

Daarnaast heeft een gesprek met LVVN, NVWA en de konijnensector plaatsgevonden op 16 juli jl. Tijdens dit gesprek zijn afspraken gemaakt hoe de sector LVVN en de NVWA op de hoogte houdt over de voortgang van het verbetertraject. Zo is onder andere afgesproken dat het door een onafhankelijke kwartiermaker en de sector te maken verbeterplan uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer eind van dit jaar informeren.”

Over het veel steviger ingrijpen in Vlaanderen, waar Animal Rights de afgelopen jaren eveneens filmde, zegt Erkens: “De Vlaamse autoriteit geeft aan dat dit om een specifiek geval in 2023 gaat. Animal Rights heeft daar een konijnenhouderij gefilmd. Naar aanleiding hiervan heeft een inspectie door de Vlaamse autoriteit plaatsgevonden. Tijdens de inspectie is een aantal overtredingen van de in Vlaanderen geldende regelgeving vastgesteld, het zogenoemde “Besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2020 betreffende het welzijn van konijnen in fokkerijen”. Voor deze overtredingen is een proces verbaal opgemaakt. De rechter heeft hier toen vrij streng op geoordeeld, aldus de Vlaamse autoriteit. De twee zaakvoerders kregen elk afzonderlijk een boete van 8.000 euro, waarvan 6.000 euro met uitstel. Hun vennootschap moest 20.000 euro betalen, waarvan 8.000 euro met uitstel.

In Nederland kan de NVWA zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk optreden met het daarbij behorende instrumentarium.”

De laatste vraag van D66 Kamerlid Anne-Marijke Podt was: “Welke conclusies trekt u uit deze beelden ten aanzien van de noodzaak tot veel strenger optreden, nut en noodzaak van afspraken met deze sector als het blijkbaar steeds op deze schaal misgaat en de toekomst van deze sector in Nederland?”
Erkens’ antwoord: “De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd. 

Daarnaast is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het verbeterplan dat door de sector en de onafhankelijke kwartiermaker uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden willen realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer eind dit jaar informeren. 

Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. De uitkomsten van deze inspecties worden betrokken bij de beoordeling voor eventuele noodzaak van aanvullend toezicht. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.”

Op een vraag van Esther Ouwehand over hoevaak op het laden van konijnen wordt gecontroleerd, moest Erkens antwoorden: “Vanaf 2017 hebben er geen controles op het laden van konijnen plaatsgevonden.”
Maar: “Ik deel de zorgen van de Kamer over de misstanden in de konijnenhouderijen en ik ben van mening dat er geen ruimte meer is voor vrijblijvendheid. De sector moet nu concrete stappen zetten om het vangen en laden van de konijnen te verbeteren en de NVWA zal waar nodig handhavend optreden.”

“In het geval van ernstige overtredingen of misdrijven wordt het opgemaakte proces-verbaal overgedragen aan het Openbaar Ministerie, dat zal besluiten over strafoplegging of vervolging.

Eerder heb ik uitgelegd welke voorwaarden subsidieregelingen bevatten om voor subsidie in aanmerkingen te komen en welke mogelijkheden er zijn om een ondernemer uit te sluiten bij (ernstige) overtredingen.”
Dat laatste gaat over het feit dat subsidieregelingen voor beëindiging van veehouderijen een bepaling kennen die het mogelijk maakt om bij ernstige overtredingen een aanvraag af te wijzen. “Immers kunnen alleen ondernemingen die aan de normen van de Europese Unie voldoen, zoals ten aanzien van dierenwelzijn, voor subsidie in aanmerking komen. Als een veehouder niet aan deze normen voldoet en zijn activiteiten moet beëindigen wordt een aanvraag in elk geval afgewezen. Ook de overtreding van normen die niet gestoeld zijn op regelgeving van de Europese Unie kan reden zijn om een ondernemer uit te sluiten van deelname aan een beëindigingsregeling. In het bijzonder gaat het om overtredingen van de Meststoffenwet en om overtredingen van de regelgeving voor dierenwelzijn die zo ernstig zijn dat ze niet bestuursrechtelijk zijn afgedaan, maar dat ze in het strafrechtelijke spoor zijn beoordeeld. Genoemde regelingen bevatten een grondslag om in dergelijke gevallen de subsidieaanvraag af te kunnen wijzen. Bij de beoordeling wordt hierbij als criterium gehanteerd of een straf is opgelegd door het openbaar ministerie (strafbeschikking) of de strafrechter voor een strafbaar feit dat in een periode van vijf jaar voor de datum van subsidieaanvraag is begaan.”

Konijnenslachthuis Lonki stopt met de slacht van konijnen!

Op 4 september 2026 werd gemeld dat Lonki stopt met de slacht van konijnen en dat Van Assche alles overneemt.

Lonki Food Group werd in september 2024 overgenomen door kippenverwerkingsbedrijf Teker uit Willebroek en tuigde al een kippenslachtlijn op. De specifieke konijnenactiviteiten worden nu dus doorgegeven aan branchegenoot Van Assche.
De komende maanden zullen Van Assche en Lonki alle relaties overdragen. De economische overdracht neemt dan plaats op 1 januari 2027.
Dit besluit van Lonki is een teken aan de wand. De konijnensector blijft krimpen, niet in de laatste plaats door de steeds terugkerende gruwel-undercoverbeelden van Animal Rights. 
Nederland heeft geen konijnenslachthuis. Alle konijnen van Nederlandse bedrijven worden in België geslacht. Nederland telt nog 28 bedrijfsmatige konijnenhouders; er zijn er nog minder in België.

Op naar de sluiting van Van Assche!

Beantwoording Statenvragen Gelderland – Ook GS zijn geschrokken

Op 2 september 2026 beantwoordden de Gedeputeerde Staten van Gelderland de schriftelijke Statenvragen van Statenlid Danielle van de Weerd van Partij voor de Dieren over ernstige misstanden met konijnen bij Gelderse bedrijven. 17

GS geven aan de beelden te hebben gezien en daarvan geschrokken te zijn.

GS verschuilen zich verder vooral achter de NVWA en LTO en het in de uitzending van RTLNieuws genoemde verbeterplan van de konijnensector:
“Namens de overheid is de NVWA de toezichthoudende instantie. Namens de bedrijven spreekt de LTO-vakgroep konijnenhouderij (dekkingsgraad 99% van de bedrijven in Nederland). De Vakgroep konijnenhouderij heeft in het nieuwsitem aangegeven met een verbeterplan te zullen komen.”
En:
“Nee, wij zijn inzake genoemde misstanden geen bevoegd gezag. De NVWA doet het toezicht en de handhaving. De sector geeft zelf (in het nieuwsitem) aan met een verbeterplan te zullen komen.”


  1. CBS: Landbouw; gewassen, dieren en grondgebruik ↩︎
  2. Week van het Konijn: “Zelfvoorzieningsgraad voor konijnenvlees is lager dan tien procent” ↩︎
  3. Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten ↩︎
  4. Wet dieren ↩︎
  5. Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 ↩︎
  6. Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het welzijn van konijnen in fokkerijen ↩︎
  7. Scientific Opinion Welfare of domestic birds and rabbits transported in containers ↩︎
  8. Undercoverbeelden tonen geweld tegen konijnen bij Nederlandse fokkers ↩︎
  9. Reactie konijnenhouderij op beelden Animal Rights ↩︎
  10. Statement namens de Nederlandse konijnenhouders ↩︎
  11. Statement vakgroep Konijnenhouderij – Robbert Bekkers ↩︎
  12. Vragen van Ouwehand over het structurele lijden van konijnen en nieuwe beelden van ernstige overtredingen in de Nederlandse vleeskonijnenhouderij ↩︎
  13. Het bericht “Undercoverbeelden tonen geweld tegen konijnen bij Nederlandse fokkers” ↩︎
  14. Statenvragen: Ernstige misstanden met konijnen bij Gelderse bedrijven ↩︎
  15. Antwoord op vragen van het lid Ouwehand over de beelden van Nederlandse fokkers die geweld tonen tegen konijnen ↩︎
  16. Antwoord op vragen van het lid Podt over de beelden van Nederlandse fokkers die geweld tonen tegen konijnen ↩︎
  17. Beantwoording schriftelijke Statenvragen Statenlid Danielle van de Weerd van Partij voor de Dieren over ernstige misstanden met konijnen bij Gelderse bedrijven ↩︎

De konijnenindustrie in het kort

In de konijnenindustrie wordt gesproken over voedsters, de vrouwelijk konijnen (officieel geldt die ‘titel’ vanaf 3 dagen voor haar berekende eerste worp) die worden gebruikt om jongen mee te fokken, gemiddeld 10 per worp. Ongeveer negentien weken na haar geboorte wordt een vrouwelijk konijn voor het eerst geïnsemineerd. Het is verboden om een vrouwelijk konijn te laten dekken of insemineren voordat ze 15 weken oud is. De dracht duurt een maand / 31 dagen. 

10 dagen na de worp wordt ze opnieuw geïnsemineerd. Er wordt een diergeneesmiddel waarin hormonen zitten geïnjecteerd om de ovulatie op te wekken. Op deze manier brengt een voedster gemiddeld 80 nakomelingen voort op jaarbasis: 8 worpen van gemiddeld 10 konijnen. Daarna gaat ook zij naar het slachthuis. Niet als vleeskonijn, daarvoor beantwoordt de vleeskwaliteit niet meer aan de verwachtingen, maar voor de diervoedersector.

In Nederland zijn de huisvestingsvoorschriften voor konijnen vastgelegd in het Besluit houders van dieren. Een voedster beschikt over een kooi met ten minste een vloeroppervlakte van 4.500 cm2 per voedster, waaronder een van nestmateriaal voorziene nestruimte van ten minste 700 cm2, die verbonden is met de kooi, en een horizontaal plateau met een oppervlakte van ten minste 900 cm2 en een breedte van ten minste 20 cm, een vrije hoogte van 60 cm boven een vloeroppervlakte van 950 cm2 en een doorgang van de bodem naar het plateau met een breedte van 25 cm. 1

Een fokram is een mannelijk konijn “dat ten minste eenmaal gedekt heeft of waarvan ten minste eenmaal sperma is afgenomen.” Omdat praktisch alle fokkerijen gebruik maken van kunstmatige inseminatie, worden fokrammen eigenlijk alleen gehouden op de KI-stations.
Op de inseminatiestations wordt gebruik gemaakt van kunstschedes. Deze worden op temperatuur gebracht en er wordt een dummy moederkonijn getoond. De ram ejaculeert op de kunstschede en dit wordt opgevangen. Dit gebeurt één keer per week.
Een fokram beschikt over een kooi met ten minste een vloeroppervlakte van 4.000 cm2 per dier en een hoogte van 60 cm.

De jongen zitten samen met hun moeder in een kooi. Na ongeveer twee en een halve week kruipen de jongen zelf uit het nestje en voeden zich niet enkel met moedermelk, maar ook met korrels. Na 33 dagen / 5 weken wordt de moeder weggenomen bij de jongen (of de jongen bij hun moeder), het spenen. Op dag 41 bevalt de voedster opnieuw.

Lang niet alle jongen overleven. “Sterfte voor het spenen is gemiddeld 9,0% en sterfte na het spenen is gemiddeld 9,0% per worp,” antwoordde toenmalig landbouwminister Schouten in 2020 op Kamervragen. “In het handboek van de sector van 2019-2020 staat dat de gemiddelde totale sterfte 17,2% is.”
Sterftecijfers werden niet centraal geregistreerd, maar dat is sinds 1 januari 2026 wel verplicht. Animal Rights zal de cijfers van het eerste half jaar van 2026 binnenkort opvragen.

Een gespeend konijn is een konijn dat is gescheiden van de voedster en dat wordt gehouden om te worden geslacht, een ‘vleeskonijn’, of om te worden geselecteerd als opfokkonijn.
Een gespeend konijn wordt gehouden in een groep die bestaat uit ten minste twee konijnen en beschikt over een kooi met ten minste een vloeroppervlakte, waarbij de oppervlakte van een in de kooi aangebracht plateau van ten minste 10 cm breed kan worden meegerekend, van 700 cm2 per dier, indien de groep bestaat uit minder dan vijf dieren, of 600 cm2 per dier, indien de groep bestaat uit vijf of meer dieren en een hoogte van 40 cm boven 80% van de vloeroppervlakte indien in de kooi geen plateau is aangebracht, of een vrije hoogte van 40 cm boven 20% van de vloeroppervlakte indien in de kooi een plateau is aangebracht.

Een opfokkonijn is een konijn dat wordt opgefokt tot voedster of fokram en beschikt over een kooi met ten minste een vloeroppervlakte van 2.000 cm2 per dier en een hoogte van 40 cm boven 80% van de vloeroppervlakte.

Een koppel is een groep konijnen die in dezelfde kalenderweek is gespeend. Veel bedrijven werken volgens een ‘all-in-all-out’ schema: alle voedsters tegelijkertijd insemineren, zodat alle jongen dezelfde leeftijd hebben en tegelijk naar de slacht gaan. Nadat de dieren de afdeling verlaten, wordt deze gereinigd en nemen de voedsters hun plaats weer in.

Indien in een kooi een plateau is aangebracht, bedraagt de afstand tussen de vloeroppervlakte en het plateau en tussen het plateau en de bovenkant van de kooi ten minste 25 cm.
Indien de vloeroppervlakte uit gaas bestaat, heeft de bovenliggende draad een diameter van ten minste 2,4 mm, bedraagt de afstand tussen het middelpunt van de bovenliggende draden ten minste 10 mm en ten hoogste 16 mm en plaatst de houder in een kooi een mat van ten minste 900 cm2 van plastic of van materiaal met vergelijkbare eigenschappen als plastic.

Konijnen beschikken permanent over ruwvoer of knaagmateriaal dat voorziet in hun knaagbehoefte.

Konijnen worden gehouden in een ruimte waar een dag- en nachtritme wordt gehanteerd waarbij het ten minste acht uur licht is en ten minste acht uur donker, in beide gevallen ten minste vier uur aaneengesloten.
In een ruimte bestemd voor voedsters en fokrammen wordt na een periode van licht alsmede na een periode van donkerte een schemerperiode gehanteerd van ten minste een uur en bedraagt de lichtintensiteit op dierhoogte ten minste 20 Lux gedurende ten minste acht uur per dag.

Konijnen en de apparatuur die noodzakelijk is voor hun voer- en watervoorzieningen worden tenminste tweemaal per dag gecontroleerd.

In België geldt sinds 2016 verplichte huisvesting in parkkooien voor gespeende vleeskonijnen die worden vetgemest. Wel was er in twee uitzonderingen voorzien: konijnenhouders die nog maar recent in ‘verrijkte kooien’ hadden geïnvesteerd, kregen tot 31 december 2024 de tijd om over te stappen naar het parksysteem. En ook uitbollende bedrijven die van plan waren te stoppen voor 1 januari 2020, konden hun verrijkte kooien aanhouden. Deze regelgeving werd al van kracht in augustus 2014, maar tot 1 januari 2016 kon ze bijgestuurd worden als de praktijk of onderzoek nieuwe inzichten opleverden. Dat gebeurde niet en dus waren de normen definitief. 2

Sinds 1 januari 2025 moeten in België ook de voedsters ondergebracht worden in een ‘park’. Het parksysteem is een groepshuisvestingssysteem met kunststofvloer, opspringplatform, schuilmogelijkheden en knaagmateriaal.
De minimumstandaard – zie de eisen hierboven – in Nederland blijft de zogenoemde ‘verrijkte kooi’. In Nederland zou nu zo’n 55% van de fokkerijen gebruikmaken van parksystemen.

Het 1 ster Beter Leven Keurmerk – er bestaan geen criteria voor 2 of 3 sterren – van de Dierenbescherming vraagt om tunnels en schuilwandjes, groepshuisvesting van voedsters, onbeperkt ruwvoer en iets meer vloeroppervlakte per konijn. 3

Na 75 dagen / 11 weken, zijn de vleeskonijnen ‘slachtrijp’ en wegen zo’n 2,6 kg. Vervolgens gaan ze op transport naar het slachthuis. Nederland kent geen konijnenslachthuis. Op een enkele uitzondering na gaan alle Nederlandse en Belgische konijnen naar de twee Vlaamse slachthuizen, Lonki in Temse en Van Assche in Deinze. In 2025 werden daar 1,8 miljoen konijnen geslacht.

De sector werkt met contracten die begin januari ingaan en een looptijd van een jaar hebben. De vraag naar slachtrijpe konijnen is tussen oktober en Pasen groter dan het aanbod. In het andere deel van het jaar is er minder vraag. Door de jaarcontracten weten de fokkerijen zich gegarandeerd van afzet in de zomer als de vraag laag ligt en hebben slachterijen leverzekerheid in de winter. De twee slachthuizen beconcurreren elkaar naar de retail toe wat prijsonderhandelingen bemoeilijkt.

Het transport van konijnen voor Lonki wordt gedaan met vrachtwagens van ADL transport, net als Lonki gevestigd in Temse. Van Assche heeft een kleinere eigen truck, maar maakt vooral gebruik van de vrachtwagens van pluimveevervoerder Kruiskip uit Zulte. 
Wanneer de vrachtwagen bij een konijnenfokkerij aankomt, lost de chauffeur de stapels kratten (Lonki) of de containers met laden (Kruiskip/Van Assche) op het erf van de fokkerij met behulp van de ‘kooiaap’.

Een kooiaap, of meeneemheftruck, is een heftruck die achterop een vrachtwagen wordt meegenomen. Door de vorken van de heftruck te schuiven in kokers die in de carrosserie van de vrachtwagen zijn aangebracht kan deze zichzelf achter de vrachtwagen omhoog brengen. De heftruck hangt dan achter de vrachtwagen. Hierdoor beschikt de chauffeur op zowel de laadlocatie (konijnenfokkerij) als de loslocatie (slachthuis) over zijn eigen laad- en losmiddel.

In het geval van kratten (Lonki) plaatsen de eigenaar(s), gezinsleden en/of medewerkers de kratten in een positie die hen het best uitkomt om de konijnen te laden en eveneens toegankelijk is voor de kooiaap.

Het laden van konijnen gebeurt ’s avonds tussen 17:00 en 22:30 (eigen waarnemingen Animal Rights). Konijnen worden uit hun kooien gehaald, op elkaar gepropt in winkelwagentjes (en varianten daarop), naar de kratten / containers gereden en ruw overgeladen. Zie de Animal Rights beelden. Vervolgens laadt de chauffeur de volle kratten / containers weer op de vrachtwagen en rijdt naar het slachthuis terug.

Tussen 21:00 en 3:30 (eigen waarnemingen Animal Rights) arriveren de vrachtwagens op het slachthuis. De vrachtwagenchauffeur parkeert de vrachtwagen gevuld met kratten vol konijnen op het slachthuisterrein in het geval van Lonki, of lost de containers met laden vol konijnen op het terrein van Van Assche waarna de lege vrachtwagen terugkeert naar Kruiskip.

Wanneer de eigen vrachtwagen van Van Assche wordt gebruikt, worden ’s ochtends de kratten met een palletwagen gelost vanaf de losklep en naar de lopende band gereden.

Rond 5 uur ’s ochtends starten de slachthuizen op. Bij Van Assche wordt een container op de lift geplaatst. De kratten, ieder met 10 tot 12 konijnen, worden er manueel uitgetrokken met een stok met daaraan een haak. Als een niveau is uitgeladen, zakt de lift tot het volgende niveau. De kratten worden op een lopende band geplaatst. 

Bij Lonki gaat het er vergelijkbaar aan toe. Als het slachthuis opstart, wordt de ’s nachts geparkeerde vrachtwagen naar binnengereden en de kratten gelost met een palletwagen op een losplatform.

De konijnen worden bij Van Assche – het proces zal bij Lonki niet heel anders zijn – handmatig één voor één uit een krat op de lopende band gehaald en met de kop in een van de twee, zogenaamde, V-verdovers gedrukt (zie foto) en zo bedwelmd met 250 Volt, 50 Herz en minimaal 250 mili-ampère. De konijnen worden verneveld – de kop natgemaakt – voorafgaand aan de bedwelming voor een betere geleiding van de stroom. Ter hoogte van de keling is een penetrerend penschiettoestel aanwezig als back-up.

Na de bedwelming worden de konijnen aan hun achterpoten aan de slachthaken gehangen, manueel gekeeld en schuiven daarna verder het slachthuis binnen. De voorpoten worden door een machine afgeknipt, maar de scalp en de oren worden manueel weggesneden, evenals de huid en pels, het ‘ontbroeken’. Daarna worden de ingewanden verwijderd.

Geslacht weegt het konijn nog zo’n 1,5 kg. Het geslachte konijn wordt afgekoeld in een ruimte waar het anderhalf à twee uur verblijft bij een temperatuur van net boven de nul graden. Daarna komt het karkas in een zaal waar het eventueel nog versneden én ingepakt wordt bij zes à zeven graden. In een koelcel van 0 graden wacht het konijn op transport naar de winkel.

Oren en het vel van de kop worden binnen de diervoedersector gedroogd om te verkopen als hondensnacks. Poten en karkas gaan ook naar de diervoedersector en worden gebruikt voor korrels. De pels gaat naar China of het Oostblok om in de textielsector te worden gebruikt voor bijvoorbeeld bont op de rand van een jas of laars. De ingewanden en afgekeurde delen of volledige konijnen gaan als slachtafval naar Rendac, waar het omgezet wordt in diermeel. Bij volledige konijnen worden hart, lever, nieren en longen soms mee verkocht bij de poelier of in de supermarkt, voor de rest worden organen en kop apart gehouden voor de diervoedersector. Daar worden ze verwerkt in zowel korrels als blikken met zachte voeding. De lever gaat ook deels naar producenten van paté.

Het gros van het eindproduct gaat naar de Belgische supermarkten die onderling concurreren en daardoor weinig geneigd zijn prijsstijgingen toe te laten. De verkoop in de supermarkt valt uiteen in bereide producten en vers vlees. Waar slachterijen tijdens de winter inzetten op vers vlees, wordt in andere periodes meer bereid product verkocht. Deze producten worden gemaakt van konijnen die in de zomer niet verkocht raken en ingevroren worden.

Volgens het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing at de gemiddelde Belg in 2020 ongeveer 200 gram konijn, terwijl dat 20 jaar geleden nog 400 gram was. Nu is dat verder gedaald naar 170 gram. Vooral onder jongeren lijkt het aan populariteit in te boeten. Bij de 65- plussers koopt één op vier al eens konijn. Bij consumenten jonger dan 30 jaar is dat nog maar zes op de honderd. In Nederland wordt buiten Kerst en in mindere mate Pasen, nauwelijks konijn gegeten.

Animal Rights ziet hierin een extra reden om de konijnenindustrie te verbieden. Een niche product dat voor zoveel leed zorgt, heeft niet langer bestaansrecht.

  1. Besluit houders van dieren ↩︎
  2. Parkhuisvesting vleeskonijnen definitief van kracht ↩︎
  3. Konijn 1 ster ↩︎

NVWA door advies landsadvocaat gedwongen tot beëindigen illegaal Woo-beleid

De juridische strijd voor transparantie over de vee-industrie X

Op 10 juni 2026 beantwoordde Jaimi van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, mede namens de staatssecretaris, de vragen die zijn gesteld tijdens het schriftelijk overleg van 18 mei over de brief van 15 april 2026 ‘Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens’. 1

Bij de inbreng van de PvdD vragen de leden specifiek naar de handelswijze van de NVWA met betrekking tot het opschorten van het verstrekken van documenten en de brandbrief daarover van Animal Rights.

Het antwoord van de minister komt er op neer dat de NVWA een tik op de vingers heeft gekregen en haar beleid moet aanpassen:
“De NVWA past haar werkwijze aan nu de Landsadvocaat, op verzoek van de NVWA, heeft bevestigd dat opschorting van openbaarmaking uitsluitend mogelijk is op basis van een rechterlijke uitspraak van de voorzieningenrechter. Ook als daarvoor goede uitvoeringsredenen bestaan, kan een bestuursorgaan dit niet zelfstandig en op structurele wijze doen.”

Dit was het geval in de woorden van de landsadvocaat:
“In juni 2024 is de NVWA gestart met de pilot ‘geen voorlopige voorziening bij bezwaar’ bij Woo-verzoeken met meer dan vijftig derde-belanghebbenden. De pilot hield in dat, indien een derdebelanghebbende bezwaar maakt, het onderliggende besluit tot openbaarmaking wordt opgeschort voor zover het documenten betreft waar de bezwaren op zien. Deze pilot is in juli 2025 omgezet in een vaste werkwijze (hierna: de uitvoeringskeuze), waarbij een binnengekomen bezwaar leidt tot opschorting van de openbaarmaking van de op de bezwaarmaker betrekking hebbende documenten. De in de pilot gestelde eis – dat er bij een besluit minstens vijftig derde-belanghebbenden moesten zijn betrokken – is toen losgelaten.”
De NVWA deed dat op eigen houtje en zonder de Kamers te informeren. Haar juristen moeten hebben geweten dat dit illegaal was. Ze wisten het sowieso nadat ze daar door Animal Rights meermaals op waren gewezen. En men had natuurlijk vooraf advies moeten vragen bij de landsadvocaat, niet na Kamervragen, een brandbrief, een artikel van Follow the Money en een blog van Woo-jurist Tim van Alten.

Van Alten tegen Follow the Money: 
“Dat dit allemaal nodig is om naleving van de wet af te dwingen, vind ik zeer zorgelijk. Bovendien is het extra kwalijk dat het hier om een toezichthouder gaat, die anderen moet controleren en aan de wet moet houden.” 2

De landsadvocaat is ondubbelzinnig in haar oordeel:
“De ratio van de Woo en tekst van artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo duidt erop dat indien eenmaal een positief openbaarmakingsbesluit is genomen in beginsel direct tot openbaarmaking dient te worden overgegaan. Een derde-belanghebbende kan dit alleen voorkomen door daartoe een verzoek om voorlopige voorziening strekkende tot schorsing van het besluit tot openbaarmaking te doen. De voorzieningenrechter zal moeten afwegen of het bezwaar van de derdebelanghebbende een redelijke kans van slagen heeft. Als dat niet zo is, weegt het belang van openbaarmaking zwaarder dan het voorkomen van een zinledige bezwaar- en beroepsprocedure.


De Woo, en artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo in het bijzonder, biedt dan ook geen ruimte voor de uitvoeringskeuze waarbij een bestuursorgaan uit eigen beweging op structurele en generieke wijze een openbaarmakingsbesluit (al dan niet gedeeltelijk) schorst voor zover een derde daartegen bezwaar maakt.”
Dat had de NVWA vanzelfsprekend ook zelf op kunnen zoeken, zeker na daar door Animal Rights op gewezen te zijn.

Mogelijk omdat de handelswijze van de NVWA daartoe noopt, legt de landsadvocaat in haar advies de NVWA ten overvloede uit wat de geest van de Woo inhoudt en dat de NVWA daarnaar moet handelen:
“Bij de toepassing van artikel 4.4, vijfde lid, Woo dient te worden gehandeld binnen de geest van de Woo, namelijk dat overheidsinformatie zoveel mogelijk (en zo snel mogelijk) openbaar is. Het openbaar maken van informatie over de wijze waarop een toezichthouder, zoals de NVWA, toezicht houdt op bedrijven dient het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering. Openbaarmaking van deze informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA.

Het is dan ook niet voor niks dat de wetgever in de toelichting op artikel 4.4, vijfde lid, Woo heeft aangegeven dat het wenselijk is dat derde-belanghebbenden hun belangen kunnen verdedigen, maar dat dit niet ten koste mag gaan van de snelle afhandeling van een verzoek tot informatie.

De Woo biedt het bestuursorgaan met andere woorden geen ruimte om, indien eenmaal een positief openbaarmakingsbesluit is genomen, ambtshalve een afweging te maken over het moment van openbaarmaking. Ook niet als dat in de optiek van het bestuursorgaan nodig is.

Kortom, wij zien in de Woo, en met name in de tekst van artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo dan ook geen ruimte voor de uitvoeringskeuze. Dit laat onverlet dat praktische uitvoeringsvormen, in overleg met verzoeker en derde, denkbaar zijn. Daarover denken wij uiteraard graag mee, maar dit zal niet tot schorsing op de structurele en generieke wijze zoals thans het geval is, kunnen leiden.”

Bij dit overleg maakte de PvdD nog enkele belangrijke opmerkingen die de minister grotendeels verzaakte van een inhoudelijke reactie te voorzien:
“De leden van de PvdD-fractie merken op dat sectorpartijen in de praktijk reeds beschikken over omvangrijke mogelijkheden om openbaarmaking langdurig te vertragen via zienswijzen, bezwaarprocedures, beroepsprocedures en verzoeken om voorlopige voorzieningen. In veel dossiers leidt dit ertoe dat openbaarmaking jarenlang wordt vertraagd, ondanks dat de informatie uiteindelijk alsnog openbaar moet worden gemaakt.

Deze leden vragen de minister of hij erkent dat de bestaande rechtsbeschermingsmogelijkheden voor agrarische ondernemers en andere derde-belanghebbenden reeds vergaand zijn en dat juist de positie van Woo-verzoekers onder druk staat door langdurige vertragingen bij openbaarmaking. Tevens vragen zij of de minister de opvatting deelt dat de nadruk in dat licht zou moeten liggen op snellere en effectievere openbaarmaking in plaats van verdere beperkingen van de Woo.”

En:
“De leden van de PvdD-fractie achten het van belang dat onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds eventuele veiligheidsvraagstukken en anderzijds de juridische verplichting tot openbaarmaking van emissiegegevens en andere milieu-informatie. Het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) heeft immers expliciet benoemd dat het onderliggende probleem volgens het college ziet op gevoelens van sociale onveiligheid en niet op de openbaarmaking van emissiegegevens zelf (ACOI, 19 mei 2025, ‘Advies na bemiddeling Follow the Money, NRC en Omroep Gelderland inzake intrekking Woo-besluit RVO’, (https://www.acoi.nl/publicaties/publicatie/capr8usl/advies-na-bemiddeling-follow-the-money-nrc-en-omroep-gelderland-inzake-intrekking-woo-besluit-rvo)).

Deze leden merken daarbij op dat in de praktijk vanuit delen van de agrarische sector bij vrijwel iedere vorm van openbaarmaking het veiligheidsargument wordt aangevoerd. Daarmee dreigt feitelijk de redenering te ontstaan dat informatie over waarschuwingen, overtredingen, handhaving of andere misstanden in de agrarische sector niet openbaar zou mogen worden gemaakt omdat ondernemers daardoor gevaar zouden lopen.

De leden van de PvdD-fractie vragen de minister daarom of hij kan bevestigen dat eventuele zorgen over de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers volledig losstaan van de vraag of emissiegegevens of enige andere informatie met betrekking tot de agrarische sector openbaar moeten worden gemaakt, gelet op het zwaarwegende belang van openbaarheid zoals dat volgt uit de Woo, de Europese milieu-informatierichtlijn en vaste jurisprudentie.”

De verplichtingen van de overheid zijn duidelijk:
“Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Er zijn op grond van de Wet open overheid (Woo) geen uitzonderingsgronden om dit niet te doen. Dit volgt uit jurisprudentie en is ook door het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding ACOI en de Raad van State bevestigd. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn. Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG) en het Verdrag van Aarhus.”

De door de hele rechterflank van de Kamer gesteunde motie over het opzeggen van het verdrag van Aarhus werd al eerder naar de prullenmand verwezen:
“De motie Wijen-Nass verzoekt de regering om de toevoegde waarde van het Verdrag van Aarhus (hierna: het Verdrag) te evalueren en opzegging te verkennen met het oog op versnelling van woningbouw. Ik geef mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, die primair verantwoordelijk is voor het Verdrag, uitvoering aan deze motie door uw Kamer in deze brief als volgt te informeren. Opzegging van het Verdrag van Aarhus zal geen effect sorteren, omdat de Europese Unie (EU) ook partij is bij het Verdrag. Hierdoor is het Verdrag bindend voor de EU-lidstaten en maken de bepalingen van het Verdrag integraal onderdeel uit van het Unierecht. Ook is het Verdrag van Aarhus verwerkt in verschillende EU-richtlijnen. Een evaluatie naar de toegevoegde waarde van het Verdrag is daarom achterwege gelaten.”

Veel van de rechtse partijen hameren op die sociale veiligheid en krijgen allemaal het zelfde duidelijke antwoord:
“Er zijn geen feitelijk vast te stellen gevallen bekend waarbij een direct en aantoonbaar verband is gebleken tussen het openbaar maken van dergelijke gegevens en intimidatie, bedreiging of andere veiligheidsincidenten.”

Het belang van de Woo is wel aangetoond:
“Het klopt dat openbaarmaking en transparantie een belangrijke rol spelen in en voor het publieke debat. Woo-verzoeken brengen regelmatig misstanden naar voren; dit draagt bij aan beter beleid en vergroot de naleving van wet- en regelgeving.”

Update – Na de landsadvocaat tikt ook de Rechtbank Den Haag de NVWA op de vingers

De NVWA schorste de openbaarmaking van door Animal Rights via de Wet open overheid opgevraagde documenten over een pluimveeslachthuis zonder dat daarvoor een (wettelijk verplichte) voorlopige voorziening was aangevraagd. Er was een Besluit genomen, waarvan de bezwaartermijn ten einde liep, terwijl de NVWA nog altijd weigerde de documenten te verstrekken. Dat ontnam Animal Rights de mogelijkheid bezwaargronden deugdelijk te motiveren en daarom zag de dierenrechtenorganisatie zich genoodzaakt zelf een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen.

Woo-jurist Tim van Alten: “De procedure diende twee doelen. Primair was het verzoek erop gericht een voorlopige voorziening te verkrijgen die recht zou doen aan de ontstane situatie, zodat cliënte haar rechten effectief kon uitoefenen. Subsidiair was de procedure bedoeld om duidelijkheid te verkrijgen over de juridische context: was de door de NVWA gehanteerde uitvoeringspraktijk rechtmatig en, zo niet, hebben we dan te maken met een bestuursrechtelijk of civielrechtelijk probleem?” 3

De landsadvocaat had inmiddels in niet mis te verstane bewoordingen geconcludeerd dat de handelswijze van de NVWA onrechtmatig was. De rechter bevestigde dat in haar uitspraak van 23 juli 2026: “Verweerder heeft inmiddels te kennen gegeven dat
hij het advies van de landsadvocaat volgt en dat zijn uitvoeringspraktijk weer in lijn wordt gebracht met wat de wetgever in de Wet open overheid heeft bepaald. Dit laat echter onverlet dat verweerder voor het hier voorliggende besluit evident in strijd met de Woo heeft gehandeld.”
4

Zeker zo belangrijk is de bevestiging van de rechter dat het spoedeisende belang van een Woo-verzoeker voortvloeit uit de Wet open overheid zelf: “De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat in deze concrete zaak verzoekster een spoedeisend belang bij de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden ontzegd. Zij betrekt daarbij dat de Woo uitgaat van het recht op toegang tot publieke informatie, zonder dat de Woo-verzoeker daartoe een belang hoeft te stellen, en dat de wet zelf – zoals uit het navolgende blijkt – het belang van een spoedige openbaarmaking al onderstreept. Ondanks dat het besluit al ruim een half jaar oud is, is de informatie nog altijd niet verstrekt.”

Dat “navolgende” eindigt met: “Dat derde-belanghebbenden in staat moeten worden gesteld om hun belangen te verdedigen, mag volgens de wetgever echter niet ten koste gaan van de snelle afhandeling van een verzoek om informatie. De termijnen in de wet zijn immers juist bedoeld om het bestuursorgaan aan te zetten tot spoedige behandeling (en daarmee spoedige openbaarmaking).”

Een derde belangrijk punt is dat, terwijl de gevraagde voorlopige voorziening uiteindelijk niet werd toegewezen, de rechter een proceskostenveroordeling toch op haar plaats achtte, omdat de NVWA evident in strijd met de wet handelde en Animal Rights daardoor noodzaakte zich tot de rechter te wenden.

  1. Beantwoording schriftelijk overleg Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens ↩︎
  2. Voedsel- en Waren­autoriteit gaat zich weer aan de wet houden, na hard advies van de Landsadvocaat ↩︎
  3. 𝙍𝙚𝙘𝙝𝙩𝙗𝙖𝙣𝙠 𝙠𝙧𝙖𝙖𝙠𝙩 𝙪𝙞𝙩𝙫𝙤𝙚𝙧𝙞𝙣𝙜𝙨𝙥𝙧𝙖𝙠𝙩𝙞𝙟𝙠 𝙫𝙖𝙣 𝙙𝙚 𝙉𝙑𝙒𝘼 𝙗𝙞𝙟 𝙒𝙤𝙤-𝙫𝙚𝙧𝙯𝙤𝙚𝙠𝙚𝙣 ↩︎
  4. ECLI:NL:RBDHA:2026:21036 ↩︎

De juridische strijd voor transparantie over de vee-industrie IX

Animal Rights heeft in een informatieverzoek onder de Wet open overheid (Woo) van 6 september 2024 de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) verzocht om, over de periode van 1 augustus 2023 tot en met 6 september 2024, documenten te verstrekken die gaan over meldingen van destructiebedrijf Rendac aan de NVWA over het aanbieden van levende dieren tussen de kadavers, zoals de dierenrechtenorganisatie dat al jaren doet.

Op 12 februari 2024 heeft Rendac bij een pluimveehouder kadavers opgehaald. Rendac heeft hierbij geconstateerd dat in de kadaverton, tussen de kadavers, nog een levende kip zat. Rendac heeft dit aan de NVWA doorgegeven. Van de overtreding van de Wet dieren is een rapport van bevindingen opgemaakt. Naar aanleiding van deze overtreding heeft de NVWA de pluimveehouder op 5 juli 2024, een last onder dwangsom opgelegd. De opgestelde documenten maken onderdeel uit van het Woo-verzoek van Animal Rights.

Op 10 april 2025 heeft de NVWA het Woo-verzoek van Animal Rights toegewezen. De pluimveehouder heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit van de NVWA en de voorzieningenrechter zover gekregen dat de gegevens niet eerder dan twee weken na het nemen van de beslissing op bezwaar openbaar mochten worden gemaakt. De NVWA heeft bij beslissing op bezwaar van 1 juli 2025 het bezwaar van de pluimveehouder ongegrond verklaard. 

De NVWA heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat het belang van openbaarmaking van de bedrijfsnaam en -adres van de pluimveehouder zwaarder weegt dan de door het bedrijf aangehaalde belangen van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage. Een uitzondering op openbaarmaking is volgens de NVWA daarom niet aan de orde.

De pluimveehouder heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en ook tijdens deze beroepsprocedure de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In de uitspraak van 29 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de openbaarmaking van de gegevens wordt opgeschort tot twee weken na het doen van de uitspraak in de bodemprocedure.

De pluimveehouder voert in beroep aan dat zij niet wenst dat de door Animal Rights opgevraagde informatie openbaar gemaakt wordt, “omdat Animal Rights zeer negatief staat tegenover de sector”. Als de door Animal Rights opgevraagde informatie openbaar wordt gemaakt, raakt Animal Rights bekend met de naam van de onderneming, de vestigingsplaats en de personen achter de onderneming. 
De pluimveehouder is bang voor acties van “activistische groepen” en stelt dat de vrees voor dit soort activisme voldoende is om openbaarmaking tegen te houden.

De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld en in april de uitspraaktermijn met zes weken verlengd. De uitspraak (BRE 25/3971) volgde uiteindelijk op 21 mei 2026. 1

Het Woo-verzoek van Animal Rights ziet op informatie die gaat over het toezicht door de NVWA op de voedselveiligheid en de misstanden in de voedselketen. Het gaat hierbij om nagenoeg hetzelfde verzoek als in de procedures die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 18 mei 2022 (ECLl:NL:RVS:2022:1432) en 4 februari 2026 (ECLl:NL:RVS:2026:607). In de uitspraak van 4 februari 2026 heeft de AbRS geoordeeld dat het openbaar maken van informatie over de wijze waarop een toezichthouder toezicht houdt op bedrijven het publiek belang van een goede en democratische bestuursvoering dient.

Openbaarmaking van deze informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA. Het voorgaande sluit aan op de ontwikkeling in wet- en regelgeving en in de bestuurspraktijk van toezichthouders om in toenemende mate actief toezichtinformatie over ondernemingen openbaar te maken.

Daarbij geldt, zoals de AbRS in een uitspraak van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:48) heeft geoordeeld, dat het publieke belang van openbaarmaking niet in voldoende mate wordt gediend door een geanonimiseerde openbaarmaking van informatie van de NVWA.

Voor wat betreft de beroepsgrond die ziet op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de  pluimveehouder geldt dat de NVWA expliciet heeft aangegeven dat de openbaarmaking enkel ziet op de bedrijfsnaam en -adres. Voor zover bij openbaarmaking van de bedrijfsnaam en -adres al sprake zou zijn van gegevens die herleidbaar zijn naar individuele personen en het belang van de persoonlijke levenssfeer in het geding is, weegt dat belang naar het oordeel van de rechtbank niet zwaarder dan het belang van de onderhavige openbaarmaking.

Volgens vaste rechtspraak van de AbRS moet de pluimveehouder de gestelde vrees voor gewelddadig dierenrechtenactivisme voldoende actueel en concreet objectiveren. De beroepsgronden voldoen daar niet aan. 
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de NVWA zich ook voor deze uitzonderingsgrond in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het algemene belang bij openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang dat de pluimveehouder heeft ingeroepen.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er niets verandert aan de eerder door de NVWA aangewezen documenten om openbaar te maken. De pluimveehouder krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Het is opnieuw een fijne overwinning in de strijd vóór transparantie en tegen antidemocratische krachten als LTO en BBB. Het blijft verbazingwekkend dat toch weer twee voorzieningenrechters, ondanks een pakket aan jurisprudentie die overduidelijk maakt dat dit bezwaar en beroep evident kansloos waren, meewerkten aan de vertragingstactieken van de vee-industrie en de openbaarmaking van de stukken schorsten. De pluimveehouder kan er nog voor kiezen om (al even kansloos) in hoger beroep te gaan; LTO betaalt vermoedelijk wel.

Update – Nog een uitspraak

Op 29 mei 2026 deed de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak in een beroepszaak (SHE 25/1963) van een vleeskuikenhouder met betrekking tot hetzelfde Woo-verzoek, waarbij de minister op 10 april 2025 besloot om de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te maken en de bezwaren daartegen op 2 juli 2025 afwees. De vleeskuikenhouder stelde beroep in tegen dat besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.

Het oordeel van de rechtbank zouden de veehouders ondertussen moeten kunnen dromen. Net zo vaak als ze volstrekt kansloze bezwaren blijven indienen, zullen ze dit oordeel keer op keer gepresenteerd krijgen:

Het uitgangspunt van de Woo is ‘openbaar, tenzij’!

De weigeringsgronden moeten restrictief worden uitgelegd!

Het openbaar maken van informatie over de manier waarop een toezichthouder toezicht houdt op bedrijven dient het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering!

Openbaarmaking van die informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA! 

Dit sluit aan bij een ontwikkeling in wet- en regelgeving en in de bestuurspraktijk van toezichthouders om in toenemende mate actief toezichtinformatie over ondernemingen openbaar te maken!

Onderwerpen als voedselveiligheid en dierenwelzijn staan in de maatschappelijke belangstelling. Het verstrekken van bij de overheid aanwezige informatie over welke onderneming welke bedrijfsactiviteiten op welke manier in deze bedrijfssector uitoefent, levert een bijdrage aan het voeren van het maatschappelijke debat hierover en het vergroten van de transparantie van het toezicht hierop door de NVWA!

Het publieke belang van openbaarmaking wordt niet in voldoende mate gediend door een geanonimiseerde openbaarmaking!

De vrees voor bedreigingen of acties vanuit dierenwelzijnsorganisaties moeten concreet onderbouwd worden! 

De verwijzingen naar berichten uit de media over incidenten in het verleden, is daarvoor onvoldoende!

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de vleeskuikenhouder geen gelijk krijgt. Ze krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Omdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep hoeft er geen voorlopige voorziening meer te worden getroffen (SHE 25/1962). Het verzoek is dan ook kennelijk ongegrond en zal daarom worden afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Lees verder in deze reeks:

  1. ECLI:NL:RBZWB:2026:4660 ↩︎

Ook Groningen wil steenmarters vermoorden zonder dat weidevogelgebieden op orde zijn

Op 26 februari 2026 dienden Animal Rights en Fauna4Life de gronden van bezwaar in tegen het door het college van Gedeputeerde Staten van Groningen op 24 december 2025 gepubliceerde besluit om jaarlijks tussen 1 december en 1 juli maximaal honderd steenmarters te vangen en doden in vier door het college aangewezen gebieden. Ook Groningen doet dus aan symptoombestrijding in plaats van in te zetten op echte bevredigende oplossingen om weidevogels te beschermen.

De systematiek
De lidstaten van de Europese Unie zijn op grond van de Habitatrichtlijn, meer specifiek artikel 12, verplicht om de nodige maatregelen te treffen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV vermelde diersoorten, waarbij het onder meer verboden is om deze in het wild levende soorten opzettelijk te vangen of doden.

Artikel 16 van de Habitatrichtlijn bepaalt dat lidstaten hiervan in bepaalde gevallen mogen afwijken, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Alle in deze artikelen van de Habitatrichtlijn genoemde cumulatieve uitzonderingen (er is een noodzaak, geen andere bevredigende oplossing en de staat van instandhouding verslechtert niet) om een afwijking op een verbodsbepaling (vangen, doden en verstoren van beschermde diersoorten) te mogen toestaan, zijn in Nederlandse wetgeving overgenomen voor zowel Habitatrichtlijnsoorten áls nationaal beschermde soorten. De begrippen / definities zijn hetzelfde en dienen ook hetzelfde te worden uitgelegd voor zowel Habitatrichtlijnsoorten als nationaal beschermde soorten, waaronder de steenmarter.

Om het in de Habitatrichtlijn bepaalde juist te kunnen duiden heeft de Europese Commissie richtsnoeren opgesteld. De richtsnoeren kunnen gebruikt worden om te beoordelen of begrippen / definities / afwijkingsmogelijkheden op de juiste manier zijn geïnterpreteerd.

De Vogelrichtlijn licht vervolgens toe wat van lidstaten verwacht wordt om vogelsoorten te behouden, zoals bescherming van leefgebieden.

Het probleem: niet predatoren, maar de intensieve landbouw
Het staat niet ter discussie dat het slecht gaat met weidevogels. Wat wel ter discussie wordt gesteld is de vraag of de staat van instandhouding van weidevogels door het doden van predatoren verbetert.

De stichtingen stellen dat predatie van weidevogel(legsel)s door steenmarters niet de oorzaak is van de achteruitgang van weidevogels en dat het doden van steenmarters in de daarvoor aangewezen gebieden het probleem niet oplost.

Alle deskundigen zijn het eens: weidevogels hebben nauwelijks nog geschikt leefgebied om te broeden en hun kuikens met succes te laten opgroeien.

Het grootste probleem voor de weidevogels is het verdwijnen van geschikt leefgebied door het steeds intensievere gebruik van het ‘boerenland’. De grootschalige weidelandschappen met een te lage grondwaterstand en eentonig raaigras dat vaak en vroeg in het jaar gemaaid wordt, bieden weidevogels te weinig voortplantingskansen. Maar ook stadsuitbreiding, wegenaanleg en de toenemende recreatie kunnen op gebiedsniveau belangrijke negatieve factoren zijn.

Wat zinloos is en wat wél te doen
Goede weidevogelgebieden zijn de afgelopen decennia steeds schaarser geworden. Om de weidevogels te redden is het dan ook een absolute voorwaarde dat er meer geschikt kruidenrijk grasland komt waar kuikens veilig zijn en voldoende voedsel kunnen vinden. Bij voldoende geschikt leefgebied is predatie geen gevaar voor het voortbestaan van de soort. De inspanning in Nederland moet dus vooral gericht zijn op het vergroten en verbeteren van leefgebied van weidevogels. Dat betekent een hoog waterpeil, voldoende openheid en rust, voldoende oppervlakte kruidenrijk grasland en voldoende kuikenland. Het bestrijden van predatoren begint bij maatregelen zoals het landschap ongeschikter maken voor predatoren en door predatoren te weren, bijvoorbeeld met tijdelijke rasters of schrikdraad.

Dat houdt in dat Groningen eerst zogenaamde weidevogelkerngebieden dient vast te stellen en deze gebieden vervolgens goed zal moeten inrichten. Pas daarna kan de reproductie effectief onderzocht worden en indien blijkt dat er toch nog predatieverliezen zijn, dient te worden onderzocht wie die predatoren zijn én of het effectief en doeltreffend (en dus nodig) is om in te grijpen. Op elk moment daarvoor heeft het wegnemen van predatoren geen enkel nut.

Reduceren van een of meerdere predatoren heeft alleen zin wanneer het leefgebied voor kuikens op orde is. Anders hebben kuikens nog steeds nauwelijks kans om groot te worden en als broedvogel terug te keren door onvoldoende voedsel. Maatregelen om predatie te verminderen hebben alleen zin als de kwaliteit van het broedhabitat goed is. Omdat het grootste knelpunt de kuikenoverleving is, betekent dat dat er voldoende kuikenland moet zijn. In dit opgroeihabitat moet voldoende voedsel in de vorm van bodeminsecten en regenwormen aanwezig zijn, maar deze moet ook voldoende bereikbaar zijn voor de kuikens. De voedselbeschikbaarheid wordt bepaald door onder andere de timing, type en mate van bemesting, waterpeil en vegetatiehoogte. Ook voor de kans op predatie is het opgroeihabitat van belang, omdat deze bepalend is voor de aanwezigheid en dichtheden van predatoren, evenals voor het al dan niet bieden van voldoende dekking.

Nestsucces en broedsucces
Twee belangrijke factoren (waarvan de reproductie van weidevogels afhankelijk is) moeten van elkaar worden onderscheiden: het zogenaamde nestsucces en het zogenaamde broedsucces (ofwel kuikenoverleving). Een ei dient allereerst uit te komen (nestsucces) en vervolgens moet een kuiken vliegvlug worden (broedsucces) om uiteindelijk op te kunnen groeien tot broedvogel, wil de soort een kans maken om met succes te reproduceren.

Juist dat laatste (het broedsucces) blijkt in Nederland het knelpunt te zijn, met name door voedseltekorten in de bodem, hetgeen slechts verbeterd kan worden door de leefgebieden op orde te maken en een gezondere bodem en betere biodiversiteit te realiseren.

Groningen
De stichtingen resumeren dat, om het probleem op te lossen, voldoende geschikt leefgebied voor weidevogels gecreëerd moet worden. Groningen is daartoe allereerst verplicht op grond van de Vogelrichtlijn en daarnaast dient het college te voorkomen dat, in strijd met de Habitatrichtlijn en de Omgevingswet, maatregelen zoals de onderhavige worden uitgevoerd voordat het gebied op orde is, waardoor de maatregelen geen effect hebben.

In het ‘Actieplan Grutto’ van de Vogelbescherming en ‘Predatieproblematiek bij Weidevogels’ van Sovon wordt uitgelegd wanneer gesproken kan worden van een voor weidevogels geschikt opgroeihabitat en wat daarvoor nodig is.

Diverse provincies hebben in hun beleid cijfermatige (en dus controleerbare) criteria opgenomen waaraan gebieden moeten voldoen om als geschikt leefgebied voor weidevogels te dienen. In Groningen is dat het ‘Natuurbeheerplan Groningen’, waarin de eisen voor een geschikte biotoop letterlijk zijn overgenomen uit het Actieplan Grutto.

Door duidelijke criteria op te nemen in provinciaal beleid kan het voor zowel het bevoegd gezag als derden mogelijk worden te controleren of aan de criteria wordt voldaan en het gebied geschikt is voor weidevogels,

Is dat het geval, (pas!) dan kan het nemen van de volgende stap (het monitoren van de reproductie om te beoordelen of er een probleem resteert en waardoor dat probleem wordt veroorzaakt) effect hebben. En dat monitoren dient zorgvuldig te gebeuren, immers, de enkele aanwezigheid van een predator in het gebied betekent niet direct dat die predator ook verantwoordelijk is voor het nog steeds beperkte broedsucces van de weidevogels en dat het verjagen of afschieten van die predator het broedsucces versterkt, zelfs niet als dat middels monitoring in soortgelijke gebieden wel het geval blijkt te zijn. Bovendien kan het zo zijn dat predatie plaatsvindt zonder dat het een probleem voor de reproductie van weidevogels vormt.

Het is dus niet voor niets dat predatorenbeheer pas als laatste stap (met het doden van predatoren als ultimum remedium) wordt genoemd. Predatorenbeheer heeft in elk geval geen nut als het gebied nog niet op orde is en zelfs als geverifieerd wordt dat het gebied wel op orde is, kan uit daaropvolgende gebiedsspecifieke monitoring blijken dat predatie geen problemen geeft. In dat geval is afschot van predatoren ecologisch gezien niet nodig en dus juridisch gezien ook niet toegestaan.

De toegestane maatregelen (afwijkingen) vergund door Groningen moeten resulteren in de bescherming van de vogels. Tegelijkertijd moet een vergunning die een uitzondering op een verbod is, zo min mogelijk ingrijpend en noodzakelijk zijn. Een vergunning kan alleen verleend worden als de maatregelen helpen (effectief zijn) om het doel te behalen. Als dat het geval is, dan moet eerst gekozen worden voor de minst ingrijpende maatregelen, ofwel andere bevredigende oplossingen, waarbij het doden van een diersoort altijd het laatste redmiddel dient te zijn.

De stichtingen menen dat aan deze (en andere) eisen niet of onvoldoende is voldaan, waardoor de vergunning onrechtmatig is en niet verleend had mogen worden.

Voorhand
In voorschrift 2 is onder meer opgenomen dat per weidevogelkerngebied een uitvoeringsplan opgesteld dient te worden waaruit duidelijk wordt dat predatiebeheer op steenmarter noodzakelijk is. Het uitvoeringsplan dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag en na goedkeuring kan er gestart worden met het beheer.

De stichtingen achten deze handelswijze in strijd met de wettelijke systematiek. Al in de aanvraag om een vergunning dient te worden onderbouwd waarom de vergunning (hier predatiebeheer) noodzakelijk is, zodat het bevoegde gezag dit kan beoordelen en op basis daarvan de vergunning kan afwijzen of verlenen. Vervolgens hebben belanghebbenden de mogelijkheid om met het gebruik van rechtsmiddelen de uitvoering van de vergunning te voorkomen of te doen beëindigen.

In het onderhavige geval is (blijkbaar) nog niet onderbouwd, per gebied, waarom predatiebeheer noodzakelijk is. Dit volgt uit het uitvoeringsplan, dat pas na verlening van de vergunning ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag. Belanghebbenden kunnen tegen dit uitvoeringsplan niet meer in rechte opkomen. Deze werkwijze is in strijd met onder andere het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en onder meer daardoor niet toegestaan.

Noodzaak
Uit het dossier blijkt niet dat het biotoop voldoende geschikt is voor weidevogels. In dat geval heeft het doden van predatoren geen nut en ontbreekt vanzelfsprekend de noodzaak.

Andere bevredigende oplossingen
Het is niet toegestaan om beschermde diersoorten (in dit geval steenmarters) te doden als er ook een andere oplossing is om het doel (in dit geval de bescherming van weidevogels) te behalen.

In het onderhavige geval kan niet gesproken worden van een “resterend” probleem, omdat andere (gedeeltelijk) bevredigende oplossingen niet voldoende zijn uitgevoerd of zijn beoordeeld. In het eerste geval betreft dit het geschikt maken van leefgebieden voor weidevogels (zodat zij zichzelf kunnen verdedigen), in het tweede geval betreft het maatregelen zoals het plaatsen van rasters en watergangen.

Te ruim
Een vergunning om af te wijken van verbodsbepalingen dient zo min mogelijk ingrijpend te zijn – ook in tijd. De stichtingen betwisten dat het noodzakelijk en proportioneel is om steenmarters te vangen en te doden gedurende maar liefst zeven maanden, namelijk van 1 december tot 1 juli. 

Hierbij is van belang dat er een causaal verband dient te zijn tussen het toestaan van de afwijking (doden van steenmarters) en het wettelijk belang (bescherming weidevogels). Op het moment dat er nog geen weidevogel(legsel)s zijn is er geen causaal verband tussen het doden van een steenmarter en het beschermen van een weidevogel(legsel): er is geen schade of concrete dreiging daarvan. Het heeft ook geen nut om in die eerste maanden al steenmarters te doden, omdat andere steenmarters het territorium zullen innemen.

Slotsom
De stichtingen concluderen dat, als het al mogelijk is om (ondanks de intensieve landbouw) het uitsterven van weidevogels een halt toe te roepen (en dat hopen zij van harte), de focus geheel moet worden gelegd op het verbeteren van het leefgebied van de weidevogels en dat gebeurt in elk geval niet zolang de aandacht blijft gaan naar het vangen en doden van andere beschermde diersoorten – terwijl de ervaring leert dat de staat van instandhouding van de weidevogels daardoor niet verbetert. Deze problematiek moet zo snel mogelijk anders worden aangepakt om het tij voor weidevogels (en verdoemde predatoren) te keren.