Nog altijd sterven 3,3 miljoen varkens vóór de slacht

Na de bezetting van een varkensstal in Boxtel  op 13 mei 2019 vroeg de NOS Animal Rights om hun mening. Woordvoerder Erwin Vermeulen vertelde de NOS destijds te betreuren dat de vorm van actievoeren nu vooral het onderwerp van gesprek was, terwijl de discussie zou moeten gaan over bijvoorbeeld de zes miljoen varkens per jaar die het slachthuis niet eens halen, en voortijdig sterven doordat ze daarvoor te ziek of zwak zijn. De Volkskrant deed een fact-check. 1

Animal Rights verwees naar landbouwminister Carola Schouten. Zij liet in 2018 in reactie op Kamervragen schriftelijk weten dat er in 2017 ruim 5,9 miljoen varkens bij de varkenshouders waren gestorven, waaronder 5.389.606 biggen.

Uit recente cijfers blijkt dat er in 2025 in Nederlandse stallen en op weg naar het slachthuis nog altijd 3,3 miljoen varkens sterven.

In Nederland zijn er in 2025 13.837.653 vleesvarkens en 281.029 zeugen en slachtbiggen geslacht. Daarnaast zijn er nog eens ruim 880.000 varkens (zeugen en beren) die werden geëxporteerd naar andere lidstaten voor de slacht. 2

En er sterven dus ook nog miljoenen dieren in de stallen. Het aantal ‘doodmeldingen’ in 2025 bedroeg:
2.936.452 biggen
138 fokberen
5.889 slachtzeugen & slachtbiggen
310.554 vleesvarkens 
49.216 zeugen en fokgelten

In 2025 zijn ook nog eens ongeveer 4.700 varkens geregistreerd als ‘Dead On Arrival’ bij de slachthuizen. Zo kom je in totaal uit op 3,3 miljoen. 

Ter vergelijking: wereldwijd kostte de Afrikaanse Varkens Pest (AVP) de afgelopen 4 jaar (januari 2022 tot en met december 2025) het leven aan 2,44 miljoen varkens door sterfte én preventieve ruimingen. 3

Die 3,3 miljoen is ruim minder dan de 5,9 miljoen uit 2017, maar in 2017 werden in Nederland meer dan tweeëneenhalf miljoen varkens meer gehouden dan nu, 12.400.699 (5.611.564 biggen, 1.158.680 fokvarkens en 5.630.455 vleesvarkens) tegenover de 9.765.589 (4.491.866 biggen, 844.722 fokvarkens en 4.429.001 vleesvarkens) in 2025. 4

Hoe dan ook zijn de cijfers hallucinant en zou een beschaafde maatschappij die niet mogen accepteren.

  1. Jaarlijks sterven 6 miljoen varkens voortijdig’ – Klopt dat wel? ↩︎
  2. Wijziging begroting van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het Diergezondheidsfonds voor 2026 (Voorjaarsnota) ↩︎
  3. 2,44 miljoen varkens gestorven aan AVP in vier jaar tijd ↩︎
  4. CBS: Landbouw; gewassen, dieren en grondgebruik naar gemeente ↩︎

Ook de vos is zijn/haar leven niet zeker in Friesland

Op 21 november 2023 heeft het college van gedeputeerde staten van Friesland besloten een ontheffing te verlenen voor het vermoorden van vossen ter bescherming van weidevogels. Fauna4Life en Animal Rights hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 23 mei 2024 heeft de commissie voor bezwaar en beroep haar advies bekendgemaakt, waarna het college heeft besloten het bezwaar ongegrond te verklaren en de ontheffing in stand te laten. Animal Rights en Fauna4Life gingen in beroep. De zitting is op dinsdag 18 augustus 2026 bij de Rechtbank Noord-Nederland.

Het gaat slecht met de weidevogels in Nederland. Daarom worden al jarenlang diverse mogelijke predatoren van weidevogels gedood met de gedachte dat dit weidevogels helpt. Voor de vos geldt dat er jaarlijks ongeveer duizend individuen worden afgeschoten ter bescherming van weidevogels. Desondanks gaat het nog steeds slecht met de weidevogels. Alleen al daaruit blijkt dat afschot van mogelijke predatoren geen effectieve methode is om de neergang van weidevogels tegen te gaan.

Een maatregel die (wel) helpt, zo beamen alle deskundigen (en het college), is het verbeteren van de biotoop ofwel leefomgeving van weidevogels. Het college stelt dat zij zich hiervoor inspant, maar het gaat voor de weidevogels niet snel genoeg. Weidevogelgebieden blijven te beperkt van omvang en blijven onder druk staan van de intensieve landbouw, waardoor er (op intensief gebruikt agrarisch grasland) onder andere te weinig voedselaanbod is voor kuikens om vliegvlug te geraken. Op die manier zijn zij een eenvoudig doelwit voor mogelijke predatoren of overlijden zij al daarvoor aan uitputting en/of voedseltekort.

Dit betekent volgens de stichtingen dat de eerste stap in het verbeteren van de weidevogelstand het verbeteren van de biotoop is. Tot die tijd heeft het geen dan wel onvoldoende nut om mogelijke predatoren te doden, want de kuikens zullen het in geen geval overleven. Daarom meent de stichting dat het college zich meer dient in te spannen om een geschikte biotoop te realiseren en in elk geval tot die tijd geen afwijkingen van verbodsbepalingen mag toestaan, zodat het tij wordt gekeerd en niet zowel de weidevogels als diens mogelijke predatoren door menselijk handelen (afschot en intensieve landbouw) het blijven vergelden.

Dat is niet alleen onze mening maar ook die van diverse deskundigen:
“Reduceren van een of meerdere predatoren heeft alleen zin wanneer het leefgebied voor kuikens op orde is. Anders hebben kuikens nog steeds nauwelijks kans om groot te worden en als broedvogel terug te keren door onvoldoende voedsel.” 1

“Maatregelen om predatie te verminderen hebben alleen zin als de kwaliteit van het broedhabitat goed is. Omdat het grootste knelpunt de kuikenoverleving is, betekent dat dat er voldoende kuikenland moet zijn (bij voorkeur op hoog waterpeil). De doorslaggevende betekenis van lang gras met een open structuur (kuikenland) voor Grutto’s en Tureluurs vormt de les van 2006, toen door weersomstandigheden het maaien grootschalig werd uitgesteld tot begin juni en ook het boerengrasland een open structuur had. De goede habitatkwaliteit compenseerde kennelijk de predatieverliezen, wat leidde tot een goede reproductie.” 2

“Zolang in het gebied het habitat niet op orde is zal predatorbeheer niet kunnen leiden tot het gewenste herstel van een weidevogelpopulatie.” 3

Het is om die reden dat het college dient aan te tonen dat in het ontheffingsgebied (waar vossen gedood mogen worden) sprake is van voor weidevogels geschikt broedhabitat waar weidevogellegsels überhaupt de mogelijkheid hebben om op te groeien (ook als er geen predatie is). Is die mogelijkheid er niet en zijn de weidevogels hoe dan ook ten dode opgeschreven, dan is het niet effectief en doeltreffend, en dus ook niet noodzakelijk, om daarnaast ook nog predatoren te doden. 

In het bezwaarschrift stellen de stichtingen, met verwijzing naar de door de Europese Commissie vastgestelde ‘Richtsnoeren inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang uit hoofde van de habitatrichtlijn’ dat een andere bevredigende oplossing altijd eerst moet worden uitgevoerd alvorens overgegaan kan worden tot meer ingrijpende maatregelen, ook als die andere oplossing maar gedeeltelijk bevredigend is. Volgens de stichtingen zijn zowel het geschikt maken van de biotoop als het rondom daarvoor geschikte percelen aanbrengen van voswerende rasters bevredigende oplossingen. Vooralsnog is de biotoop niet geschikt gemaakt en zijn er geen voswerende rasters aangebracht, waardoor andere (gedeeltelijk) bevredigende oplossingen niet zijn uitgevoerd en de onderhavige ontheffing niet verleend had mogen worden.

In de beslissing op bezwaar verwijst het college naar het advies van de commissie die, net zoals het college in het primaire besluit, stelt dat verbetering van de biotoop niet gericht is op de bescherming van weidevogels tegen de vos en het daarom niet aangemerkt kan worden als een andere bevredigende oplossing.

De stichtingen kunnen dit standpunt (nog steeds) niet volgen. Een geschikt biotoop zorgt er (indirect) voor dat weidevogels zichzelf kunnen verdedigen tegen predatoren zoals de vos (zoals ook het geval was voordat het grondgebied grotendeels werd overgenomen door de intensieve landbouw). In geschikte graslanden kunnen weidevogels en hun kuikens zich beter verstoppen en tevens verkeren zij door voldoende voedselaanbod in een betere conditie waardoor zij sterker zijn en meer kans hebben om vliegvlug te geraken.

De Rechtbank Noord-Nederland oordeelde in haar uitspraak van 3 oktober 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:4167) over de vervolging van steenmarters om weidevogels te beschermen hetzelfde: 
“6.1.1 Eiseressen bestrijden de stelling van het college dat de gebieden waarvoor ontheffing is verleend voldoen aan de normen voor optimaal weidevogelbeheer. Eiseressen betogen dat eerst verdere verbetering van de gebieden noodzakelijk is voordat naar predatiebeheer gekeken zou kunnen worden. 
6.1.2 De rechtbank is allereerst van oordeel dat optimaal weidevogelbeheer aangemerkt kan worden als een “andere bevredigende oplossing”. Zoals ter zitting ook door eiseressen is betoogd, geven gebieden die ingericht zijn voor weidevogelbeheer de weidevogels meer mogelijkheden om te ontsnappen aan aanvallen van predatoren dan gronden die enkel bestemd zijn voor de landbouw.”  4

De stichtingen menen dat hetzelfde standpunt dient te gelden in de onderhavige zaak. Zij zien geen reden om anderszins te oordelen. 

Het is niet aan Animal Rights en Fauna4Life om te bewijzen dat de weidevogelbiotoop niet op orde is. Het is aan het college om de keuze voor de ontheffing en de ontheffingsgebieden goed te motiveren en dat heeft zij niet gedaan, omdat niet is aangetoond dat de weidevogelbiotoop voldoet. Het is zeer aannemelijk dat de ontheffingsgebieden niet voldoen, omdat het dezelfde ontheffingsgebieden betreft als in de steenmarter-zaak (waarin wél uitgebreid per gebied aan de criteria werd getoetst) en daarin al geconstateerd is door deze rechtbank dat de gebieden niet voldoen: 
“Aan bovengenoemde criteria moet een gebied dus voldoen, om ontheffing te kunnen krijgen voor het doden van steenmarters. […] De rechtbank constateert dat in ieder geval 11 van de 21 gebieden, namelijk Workumerwaard (inclusief de Workumer Ommelanden), Idzenga, Skrins en Skrok, Kollum, Tusken Wald, Feanhoop, Aldeboarn-De Deelen, It Bûtefljild, St. Johannesga, De Kouwen en Broek daar niet aan voldoen.”

Vaste jurisprudentie eist dat de minst ingrijpende maatregel altijd eerst uitgevoerd dient te worden, zelfs als die slechts gedeeltelijk geschikt zou zijn. Volgens de stichtingen kan de rechtbank niet eerst oordelen dat gebieden ongeschikt zijn (waardoor weidevogels niet kunnen overleven) en vervolgens dat predatiebeheer nodig is (om weidevogels te laten overleven). 

Het college ziet niets in rasters. De stichtingen menen dat nadelen die aan een (onder bepaalde omstandigheden) effectieve maatregel kleven er niet toe kunnen leiden dat de maatregel in geen enkel geval wordt uitgevoerd. Er zijn diverse voorbeelden bekend waar het gebruik van voswerende rasters effectief is om weidevogels te beschermen.

Dat de provincie streeft naar grotere gebieden maar daarin tot op heden niet slaagt, betekent niet dat andere (gedeeltelijk) bevredigende maatregelen niet uitgevoerd hoeven worden en direct overgegaan kan worden tot meer ingrijpende (en tevens nutteloze) maatregelen zoals afschot.

Het college houdt ook vast aan een bufferzone van 5 kilometer rondom de weidevogelgebieden waar de vos ook vogelvrij is. Maar dat een vos een afstand van vijf kilometer kan lopen is geen onderbouwing voor het standpunt dat elke vos op vijf kilometer afstand van een weidevogelgebied een gerechtvaardigd risico vormt voor de weidevogelstand. Dat betekent dat de motivering voor een bufferzone van vijf kilometer ontbreekt.

Een maatregel moet zowel doeltreffend en effectief zijn als zo min mogelijk ingrijpend, wat in dit geval betekent dat het college moet onderbouwen dat de maatregel, meer specifiek de te gebruiken bufferzone, de minimale omvang heeft die noodzakelijk is om weidevogels te beschermen en tegelijkertijd zo min mogelijk ingrijpend is voor de vos – en dus niet zo ruim en robuust als mogelijk. 

De stichtingen resumeren dat het gaat om dezelfde weidevogelgebieden waarvan in de steenmarter-zaak al is aangetoond dat deze niet voldoen. Dit betekent, in de woorden van de Rechtbank Noord-Nederland, dat de keuze voor de ontheffingsgebieden onvoldoende is gemotiveerd (voldoen deze wel of niet aan de noodzakelijke criteria) en het college daardoor niet aannemelijk heeft gemaakt dat het weidevogelbeheer in de ontheffingsgebieden daadwerkelijk op orde is.

  1. Factsheet predatie ↩︎
  2. WEIDEVOGELS EN PREDATIE: EEN LITERATUUROVERZICHT ↩︎
  3. Predatieproblematiek bij weidevogels ↩︎
  4. ECLI:NL:RBNNE:2025:4167 ↩︎

Red de dieren uit de beerput

11 juni 2026 overleden meerdere varkens in een stal in Gewande (bij Den Bosch) toen tientallen dieren in de beerput belandden. 1
Dit soort verschrikkelijke ongelukken gebeuren met grote regelmaat. Hoe vaak? Dat weet niemand want deze ‘incidenten’ worden niet centraal geregistreerd.

Minder twijfel is er over de oorzaken en de gevolgen. De oorzaak ligt in de huisvesting en het gebrek aan controle en onderhoud. Veel dieren opgesloten in schuren, brengen hun leven door op roosters boven hun eigen ontlasting. Bij een stalverzakking zakt de vloer onder de poten van de dieren weg en dan vooral de betonnen, stalen, houten of plastic roosters. Dit kan gebeuren als de vloer wordt aangetast door de zuren die vrijkomen uit de ontlasting van de dieren (en uit het veevoer), door achterstallig onderhoud, of slechte constructies. “Een varkensstal is na 20 jaar helemaal rot door de ammoniak en de vloeren zakken door. Dat is een probleem dat we kennen,” liet een woordvoerder van de brandweer al in 2019 weten aan Animal Rights.

Wanneer de dieren in de beerput (mestput, gierput, aalput) terecht komen, kunnen ze verdrinken in hun eigen mest of stikken in de gassen die er boven hangen. Zelfs als dieren levend uit een put gehaald worden, zijn ze vaak gewond door de val of hebben ze luchtwegproblemen door het binnenkrijgen van mest of het inademen van giftige gassen. Soms worden de slachtoffers alsnog afgemaakt.

Het achterhalen van de cijfers
De brandweer wordt gemiddeld vier keer per week ingeschakeld voor dieren die door de stalvloer zakken en in een mestput belanden. Dat beweerde Wakker Dier juni 2026 na analyse van 112-meldingen. De brandweer zou in 2025 218 maal ingeschakeld zijn om dieren uit mestputten te halen en in 2024 ging het om 200 gevallen. 2

Een dergelijke inventarisatie is niet nieuw. In juni 2020 analyseerde Varkens in Nood meldingen van de brandweer en berichten in de media. Hieruit zou blijken dat de brandweer in 2019 bijna vijf keer per week moest uitrukken om vee uit de put te vissen. Het ging landelijk om 240 incidenten en over tenminste honderden, maar vermoedelijk duizenden dieren. 3

Ook dierenrechtenorganisatie Animal Rights houdt de cijfers al sinds 2020 bij. 

Het zaaien van twijfel
Landbouworganisatie LTO was er snel bij om de cijfers te bagatelliseren: 4
“Elk dier dat in de gierkelder terechtkomt is er uiteraard één te veel, maar de meldingen bevatten ook andere incidenten met landbouwhuisdieren.”  5
Ook Producentenorganisatie Varkenshouderij POV, deed een duit in het zakje. Zij hadden zelf ook naar de 112-meldingen gekeken en beweerden dat bij 18 van de 218 meldingen koeien door de roosters waren gezakt en in 2 gevallen varkens. In alle andere gevallen raakten koeien, paarden, schapen en varkens te water, verstrikt in een hek of staalconstructie, in de modder of sloot of een dier ontsnapte. 6
De vertegenwoordigers van veehouders kunnen deze twijfel zaaien in de pers, omdat er geen centrale registratie van deze ‘incidenten’ is. Animal Rights vindt al heel lang dat daar verandering in moet komen.

De politieke geschiedenis
In een van de antwoorden op vragen behorende bij de ‘Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Diergezondheidsfonds voor het jaar 2020’, zei minister Schouten: 
“Er is geen centrale registratie voor incidenten waarbij dieren in de mest- of gierput belanden. Het is daarom niet bekend hoe vaak in de afgelopen tien jaar dergelijke incidenten hebben plaatsgevonden”. 7
Minister Schouten liet hier verder geen onderzoek naar doen.

Op zaterdag 6 maart 2021 vielen zo’n zestig tot honderd varkens in de mestput van een stal aan de Vreeweg in Nunspeet, nadat de vloer van de stal deels instortte. Meerdere varkens hadden volgens de eerste berichten het ongeluk niet overleefd. 8 Frank Futselaar van de SP stelde er drie dagen later Kamervragen over, waaronder deze: 9
“Kunt u per diercategorie registreren hoe vaak veiligheidsdiensten uitrukken voor meldingen omtrent dieren die door stalvloeren zakken of anderszins gewond raken bij incidenten met veehouderijvloeren, zowel bij emissiearme als bij ‘gangbare’ stalvloersystemen?”
Minister Schouten antwoordde daar op 29 april van dat jaar op:
“Nee. In samenwerking met de veiligheidsregio’s publiceert het Kenniscentrum Informatiegestuurde Veiligheid van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) iedere maand de Kerncijfers Incidenten van de brandweer in een online dashboard. Incidenten worden niet op het gevraagde detailniveau geregistreerd.”
Ook deze vraag en onbevredigend antwoord kon minister Schouten niet bewegen tot onderzoek of registratie.

Sindsdien werd de vraag over het aantal stalongelukken en het aantal slachtoffers dat daarbij valt bijna ieder jaar aan de landbouwminister van dienst voorgelegd door middel van feitelijke vragen.

Na jarenlang druk uitoefenen leek er in 2025 een klein beetje beweging te komen in de richting van het registreren van dit soort voor de dieren vreselijke ongelukken. In juni 2025 antwoordde demissionair minister Wiersma op feitelijke vragen:
“Uit navraag bij Brandweer Nederland en het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) blijkt dat op dit moment geen landelijke registratie plaatsvindt van het aantal dierlijke slachtoffers als gevolg van gevaarlijke mestgassen, mestexplosies en het bezwijken van een stalvloer. Omdat de constructieve veiligheid van stalvloeren is geregeld in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving, ben ik samen met mijn collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) in overleg met Brandweer Nederland, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), NIPV en de NVWA om te verkennen hoe er landelijk meer inzicht kan komen in dit soort incidenten.” 10

Daarna werd het weer stil aangaande dit onderwerp en wisselden we van regering. Animal Rights vindt het de hoogste tijd dat nu eindelijk werk wordt gemaakt van het opzetten van een centrale registratie van stalongelukken, zoals het verzakken van vloeren en in de mest belanden van dieren, en van verstikkingen bij het mengen van mest of uitvallen van de ventilatie. Een dergelijke registratie vindt sinds enkele jaren ook plaats met betrekking tot stalbranden. Ook daar hebben we lang voor moeten knokken.

Ook is het, ons inziens, noodzakelijk om te onderzoeken wat de werkelijke cijfers van de afgelopen jaren zijn om zo snel mogelijk met beleid te kunnen komen dat dit ‘verborgen’ probleem adresseert. De brandweer lijkt ons daarbij de voor de hand liggende bron.

Animal Rights stuurde deze brandbrief naar de verantwoordelijke minister.

Update

Het bleek toch niet helemaal stil te zijn gebleven na de belofte van voormalig landbouwminister Wiersma. Uit feitelijke vragen die op 23 april 2026 werden beantwoord bij de begroting van het landbouwministerie, maar Animal Rights pas recent onder ogen kreeg, zegt de nieuwe minister het volgende:
“Zoals aangegeven in de beantwoording van de feitelijke vragen bij de LVVN-begroting van 2026 (Kamerstuk 36 800 XIV-8) lopen er gesprekken met verschillende stakeholders om meer inzicht te krijgen in dergelijke incidenten. Daarbij wordt gekeken naar de mogelijkheden voor registratie van deze incidenten. Daarop heeft LVVN opdracht gegeven tot tweeonderzoeken: een media-analyse door RVO en een meldkamer data-analyse door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV). De media-analyse is gericht op het verkrijgen van kwalitatieve data middels nieuwsberichten van de afgelopen vijf jaar over dit type incidenten. DeNIPV-studie verzamelt kwantitatieve data over incidenten die de afgelopen 5 jaren hebben plaatsgevonden. Op deze manier kan meer inzicht verkregen worden in het aantal incidenten per jaar. Dit onderzoek maakt gebruik van data van het Gemeenschappelijk Meldkamer Systeem (GMS). Beide onderzoeken zijn recent afgerond. In de onderzochte periode (2020–2025) zijn in totaal 1145 incidenten geregistreerd in het Gemeenschappelijk Meldkamer Systeem (GMS), waarvan 230 in 2024 en 243 in 2025. Dit betreft incidenten waarbij de brandweer is uitgerukt naar een melding van een dier in een put, bassin of kelder. Het aantal gewonde of overleden dieren wordt echter niet structureel geregistreerd in GMS. Ook zijn de GMS-data onvoldoende gedetailleerd om uitspraken te doen over de specifieke oorzaken, het type stalvloer, de exacte diersoort, het aantal en de toestand van de betrokken dieren. Momenteel worden de resultaten van beide onderzoeken nader geanalyseerd en wordt bezien wat de vervolgstappen zijn. Voor de zomer zal ik uw Kamer hierover informeren.” 11

Uit de genoemde cijfers blijkt dat hulpdiensten in 2025 bijna 5 keer per week moesten uitrukken voor een melding van een dier in een put, bassin of kelder. Dat benadrukt opnieuw de urgentie om vaart te maken met verplichte, landelijke registratie van deze incidenten, inclusief een structurele registratie van het aantal gewonde en/of overleden dieren. De geregistreerde informatie moet voldoende gedetailleerd worden om uitspraken te kunnen doen over de specifieke oorzaken, het type stalvloer, de exacte diersoort, het aantal en de toestand van de betrokken dieren. Vervolgens moet er natuurlijk effectief beleid komen om hier een einde aan te maken.

Update 2

Op 10 september 2026 laat de griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aan Animal Rights weten dat een afschrift van de brief van Animal Rights aan de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
m.b.t. centrale registratie van stalongelukken ontvangen en besproken is:
“De commissie heeft besloten de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur een reactie te vragen op uw brief. Zodra de commissie deze reactie heeft ontvangen, neemt zij een besluit over de eventuele verdere behandeling van uw brief. Ik zal de reactie van de minister aan u toesturen en u informeren over het besluit van de commissie.
Namens de commissie dank ik u voor de toezending van uw brief.”

  1. Meerdere varkens overleden nadat ze in put belanden in Gewande ↩︎
  2. Vier keer per week belanden dieren in een mestput ↩︎
  3. Dieren in de put ↩︎
  4. Gesteggel over dieren in mestput: LTO ontkent meldingen van brandweer ↩︎
  5. LTO nuanceert bericht Wakker Dier: ‘Vee zakt niet vier keer per week door stalvloer’ ↩︎
  6. POV bestrijdt cijfers Wakker Dier ↩︎
  7. Vraag 120, 35 300 XIV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2020, 8 oktober 2019 ↩︎
  8. Meer dan honderd varkens vallen in mestput in stal in Nunspeet, paar dieren overleven het niet ↩︎
  9. Vraag 6, Vragen van het lid Futselaar (SP) aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over het nieuws dat varkens overleden bij een val in een gierput (ingezonden 9 maart 2021) ↩︎
  10. Antwoord op 10 juni 2025 bij vraag 33 Beantwoording Kamervragen bij Jaarverslag LNV 2024 ↩︎
  11. Wijziging begroting van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het Diergezondheidsfonds voor 2026 (Voorjaarsnota) ↩︎

Aantal levende dieren tussen ter destructie aangeboden kadavers daalt niet!

Het aantal levende dieren dat de chauffeurs van destructiebedrijf Rendac uit Son tussen de ter destructie aangeboden kadavers aantreffen, neemt niet af. Dit ondanks de krimpende veestapel en stoppende veehouderijen, en ondanks de voor deze overtreding opgelegde dwangsommen door de NVWA. Het beleid van het landbouwministerie werkt dus niet en moet aangepast worden om deze ernstige vorm van dierenmishandeling te beëindigen.

Animal Rights vraagt al jaren via informatieverzoeken onder de Wet open overheid (Woo) de meldingen door Rendac en de reactie daarop van de NVWA op voor deze extreme vorm van verwaarlozing van de zorgplicht.

2016 – 2023
In 2016 waren er tenminste 24 meldingen (11 varkens, 9 runderen en 4 kippen) van levend ter destructie aangeboden dieren en in 2017 zeker 21 (9 varkens, 4 runderen, 5 kippen, 1 geit, 1 schaap en 1 konijn). De gegevens van 2018 (8) en 2023 (9) zijn niet compleet, maar in 2019 ging het om zeker 12 gevallen, waaronder 2 schapen, drie kalveren en 3 biggen. In 2020 betrof het minimaal 15 levend bij Rendac aangeboden dieren, waaronder een pony, een vis en “4 a 5 eenden”. In 2021 werden zeker 18 levende dieren als kadavers aan de weg gezet: 7 kippen, 4 runderen, 6 varkens en een schaap. In 2022 werden zeker 16 dieren levend ter destructie aangeboden: 6 kippen, 3 varkens, 5 kalveren/runderen en 2 schapen.

2024
Uit deze maand ontvangen documenten blijkt dat er bij 18 meldingen in 2024 ten minste 21 levende dieren werden gevonden tussen de kadavers: een kip in Grollo, een big in Terwolde, een zeug in Lunteren, een eend in Hierden, een kip in Linde, een big in Notter, een kip in Sint-Annaland, een kalf in Egmond aan den Hoef, 2 kippen in Eibergen, een schaap in Oudkarspel, een schaap in Zoetermeer, een onbekend aantal rivierkreeften in Houten, een rund in Stokkum, een kuiken in Lichtenvoorde, een kuiken in Uitgeest, een varken in Daarle, twee kippen in Mastenbroek en twee biggen in Deurne.

2025
In 2025 ging het om 19 meldingen: een geit in Landhorst, een geit in Rhenoy, een kalf in Wijk en Aalburg, een big in Alphen aan de Rijn, een rund in Oploo, een varken in Mierlo, een kip in Bornerbroek, een big in Winterswijk Kotten, een rund in Staphorst, een kip in Maashees, een varken in Streefkerk, een kip in Heeswijk-Dinther, een kalf in Voorst Oude IJsselstreek, een kip in Varsselder, een rund in Dalen, een kip in Someren, een kip in Nederweert, een schaap in Dirksland en een kalf in Balkbrug.

2026
Tijdens een debat over de Wet open overheid en transparantie over de vee-industrie op 1 september 2026 stelde Esther Ouwehand (Partij voor de Dieren) een vraag over het aantal levende dieren dat tussen kadavers wordt aangetroffen.
Silvio Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, antwoordde daarop op 8 september 2026: 1
“De NVWA heeft niet zelfstandig toegang tot cijfers betreft het aantal levende dieren tussen kadavers en is hierin afhankelijk van meldingen van Rendac.
In 2026 heeft de NVWA tot nu toe 16 meldingen gekregen van Rendac over nog levende dieren bij het ophalen van kadavers. Hiervan zijn 10 meldingen gedaan tussen 1 januari en 30 april en 6 meldingen tussen 1 mei en 31 augustus. Het betrof onder meer een geit, pluimvee, paling, kreeften en varkens. In een melding wordt niet altijd het aantal dieren genoemd, waardoor geen zicht is op precieze aantallen.”

In de eerste 8 maanden van 2026 werden dus al 16 meldingen gedaan van een onbekend aantal levende dieren tussen ter destructie aangeboden kadavers. Dit geeft opnieuw aan dat dit aantal niet daalt terwijl er sprake is van een krimpende veestapel en uitkoop van veebedrijven.

Op 10 september laat de griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur weten dat een afschrift van de brief van Animal Rights aan de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, getiteld ‘Aantal levende dieren tussen ter destructie aangeboden kadavers daalt niet!’, ontvangen en besproken is: “De commissie heeft besloten de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur / minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur een reactie te vragen op uw brief. Zodra de commissie deze reactie heeft ontvangen, neemt zij een besluit over de eventuele verdere behandeling van uw brief. Ik zal de reactie van de minister/staatssecretaris aan u toesturen en u informeren over het besluit van de commissie.
Namens de commissie dank ik u voor de toezending van uw brief.”

Topje van de ijsberg
Animal Rights gaat er vanuit dat deze door de NVWA verstrekte gegevens slechts het topje van de ijsberg zijn. De Rendac-chauffeurs houden natuurlijk geen uitgebreide controles, keren de kadavertonnen met biggen, konijnen en pluimvee niet om om ieder individueel dier te inspecteren en zijn ook geen experts op dat gebied. Menig geval zal eenvoudigweg niet gemeld worden en veel van de dieren die levend aan de weg worden gezet, zullen overlijden tussen dat moment in de avond en het arriveren van de Rendac-vrachtwagen de volgende ochtend.

De politiek
In 2016 antwoordde staatssecretaris Van Dam op vragen van SP Kamerlid Van Gerven dat sinds 2009 het aantal meldingen per jaar van voor destructie aangeboden levende dieren van Rendac was gedaald van 35 naar 18 in 2015 en concludeerde daaruit dat de getroffen maatregelen hun uitwerking leken te hebben. Naar nu blijkt is er sindsdien sprake van 10 jaar stagnatie. Net als bij bijvoorbeeld stalbranden lijken de veehouders niet bij te leren. Dat ze het “niet expres doen”, doet daar niets aan af.

Oktober 2020, schreef toenmalig landbouwminister Schouten in een Kamerbrief inzake slachthuizen over “signalen die de NVWA heeft dat er zeer incidenteel tussen kadavers die aan Rendac worden aangeboden nog een levend dier wordt aangetroffen.” Ze voegde er ten overvloede aan toe dat ze dit “niet acceptabel” vindt, maar kwam wel meteen met excuses voor de veeboeren: “Ik ben me er ook bewust van dat er in dit kader ook sprake kan zijn van onbewuste onbekwaamheid.“ Het kan natuurlijk ook volstrekte desinteresse zijn in het leven en lijden van andere individuen. Gelukkig voegde Schouten eraan toe: “De dierhouder is er echter wel verantwoordelijk voor dat er geen levende dieren bij de kadavers worden aangeboden.” Ze deed er verder beleidsmatig niets mee.

Dit zei toenmalig landbouwminister Staghouwer erover in een verzamelbrief dierenwelzijn in april 2022: “Het OM heeft aangegeven dat de schriftelijke notificatie die de Rendac naar de dierhouder stuurt en de melding aan de NVWA onvoldoende basis biedt voor strafrechtelijke vervolging. Nu strafrechtelijke vervolging niet mogelijk blijkt, heeft de NVWA haar handhavingsstrategie aangepast. Vanaf dit najaar wordt bij een eerste melding van een levend aangetroffen dier door Rendac een last onder dwangsom opgelegd, omdat de houder het dier de nodige verzorging heeft onthouden.”
De conclusie van de minister was incorrect. Het OM zegt niet dat strafvervolging niet mogelijk is, maar dat de huidige documentatie van deze misdaden niet voldoet. De NVWA (en Rendac) moeten er dus voor zorgen dat ze hun zaken beter voor elkaar brengen.

In november 2025 vond er een internetconsultatie plaats over het ‘Voorstel tot wijziging van het Besluit en de Regeling dierlijke producten in verband met de verwerking van kadavers’. Dit was voor Animal Rights een uitgelezen kans om aandacht te vragen voor levend aan destructiebedrijf Rendac aangeboden dieren tussen de kadavers. De reactie was echter: “Voor vragen over handhaving moeten wij u echter verwijzen naar de NVWA. De bevoegdheid daarvoor ligt bij hen; vanuit onze rol als beleidsafdeling is het niet aan ons om hierover uitspraken te doen.”

Waarschuwingen en dwangsommen doen niets
Dat er geen vooruitgang geboekt wordt, is niet verwonderlijk, want, zover Animal Rights uit de documenten kan opmaken, is er nog nooit een boete opgelegd voor het veroorzaken van dit vreselijke lijden. Vóór 2024 werd volstaan met een officiële waarschuwing en sinds 2024 wordt een dwangsom opgelegd van 1500 euro, maximaal oplopend tot 4500 euro, met een looptijd van slechts één jaar. De conclusie van twee jaar werken met dwangsommen is dat het net als een schriftelijke waarschuwing niet werkt. Het aantal levend ter destructie aangeboden dieren neemt niet af.

Recidive
Dat het huidige beleid niet werkt, spreekt niet alleen uit de cijfers, maar wordt extra benadrukt door het feit dat Animal Rights in de recent verkregen documenten voor het eerst recidivisten aantreft. Drie bedrijven die eerder een levend dier als afval tussen de kadavers gooiden, werden opnieuw betrapt. 

Bij varkenshouderij Hovawin B.V. uit Winterswijk Kotten constateerde een Rendac-chauffeur op 2 juli 2025 dat een aangeboden big niet dood was. Op 15 november 2023 werd daar al eerder een levende big aangetroffen tussen de kadavers.

Bij pluimveebedrijf Jofra Poultry uit Someren werd bij het ophalen van de door hen gemelde kadavers op 19 november 2025 geconstateerd dat een aangeboden kip niet dood was. Op 29 november 2023 gebeurde daar al exact hetzelfde.

Kuikenbroederij Schotman en Zonen uit Lichtenvoorde had op 25 oktober 2024 een levend kuiken tussen de kadavers zitten. Daar werd het bedrijf eerder op betrapt op 1 augustus 2023.

Geen van deze bedrijven werd voor deze herhaling beboet, omdat er in 2023 nog gewerkt werd met waarschuwingen in plaats van dwangsommen en er in alle gevallen meer dan een jaar is verstreken tussen de twee overtredingen. De kuikenbroederij ontloopt zelfs een (nieuwe) dwangsom want “op het moment van de constatering door de medewerker van Rendac was nog geen sprake van een overdracht van het afval naar Rendac …”. Deze formaliteit neemt niet weg dat er gewoon een levend kuiken tussen de kadavers in de afvalbak lag, maar de NVWA ziet af van haar voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom.

Opdracht aan de landbouwminister
Het gaat om een relatief kleine aantal individuen in verhouding tot het immense aantal dieren dat in Nederland opgesloten zit, maar het veroorzaakte leed is onbeschrijfelijk en onacceptabel, zelfs als het één individu per jaar betreft. Veehouders die niet in staat zijn om dit te voorkomen, horen geen dieren te houden. Zoals toenmalig landbouwminister Staghouwer in april 2022 al zei: “Ook wanneer sprake is van onbewuste onbekwaamheid is hier sprake van het onthouden van de nodige zorg voor een dier, met ernstige welzijnsaantasting tot gevolg.”

Animal Rights wil dat de NVWA bij een melding overgaat tot daadwerkelijke, afschrikkend-werkende bestraffing. Bij een zware overtreding is er immers geen noodzaak dat die ook nog eens herhaald wordt. Het eerst opleggen van een dwangsom lijkt in strijd met het interventiebeleid van de NVWA.

De opdracht aan de nieuwe minister van landbouw lijkt duidelijk. Er is sprake van een ernstig probleem en de huidige aanpak werkt niet. Het is tijd voor strengere maatregelen die een einde maken aan deze misstand. Animal Rights zal dit opnieuw onder de aandacht van de minister brengen.

Achtergronden

Woo-besluiten
Wob-besluit 18-0867 2
Wob-besluit 20-0819 3
Woo-besluit 23-0616 4
Woo-besluit 24-0694 5
Woo-besluit 26-0006 6

  1. Appreciatie motie van het lid Ouwehand over toezicht- en handhavingsinformatie over leven en lijden van dieren in de bio-industrie actief openbaar maken (Kamerstuk 32802-153) ↩︎
  2. Besluit op Wob-verzoek 18-0867 ↩︎
  3. Besluit op Woo-verzoek 20-0819 ↩︎
  4. Besluit op Woo-verzoek 23-0616 ↩︎
  5. Besluit op Woo-verzoek 24-0694 ↩︎
  6. Nog niet gepubliceerd ↩︎

SOS Duif en Animal Rights maken bezwaar tegen afschot verwilderde duiven in Groningen

SOS Duif en Animal Rights hebben bezwaar gemaakt tegen de maatwerkvoorschriften waarmee de provincie Groningen het afschieten van verwilderde duiven met luchtdrukgeweren toestaat. Volgens beide organisaties is het besluit onvoldoende onderbouwd en bestaan er effectieve, diervriendelijke alternatieven.

Het gaat om drie maatwerkvoorschriften die de provincie Groningen in juni 2026 heeft verleend aan een aantal particuliere jagers die zich afficheren als ‘ongedierte’- of ‘plaagdieren’-bestrijders’.

Volgens het besluit is het beperken van de omvang van de populatie verwilderde duiven op korte termijn noodzakelijk om belangrijke schade en overlast te voorkomen, waarbij gebruikmaken van het luchtdrukgeweer als de meest effectieve wijze van bestrijding wordt gezien.

Zorgvuldigheid
Aan de redenering van de provincie en jagers schort het volgens de stichtingen op verschillende punten. Het staat wetenschappelijk vast dat het doden van stadsduiven niet leidt tot daadwerkelijk populatiebeheer. In de opsomming missen bepaalde alternatieven om de vermeende overlast aan te pakken en/of is niet gekeken naar de mogelijkheden van een combinatie van twee of meerdere van deze alternatieven. Het bewijs dat de wél genoemde alternatieven (al dan niet in combinatie) niet zouden werken ontbreekt. De genoemde ‘belangrijke schade’ en het ‘voorkomen van schade’ zijn niet deugdelijk onderbouwd. De ‘korte termijn’ van vijf jaar lijkt willekeurig en de beoordeling van het ‘onnodig lijden’ schiet tekort.

De organisaties halen in het bezwaar diverse studies aan die concluderen dat afschot geen effect heeft, omdat verliezen snel worden opgevuld door compensatoire voortplanting én instroom van nieuwe dieren.

Het besluit maakt melding van een aantal alternatieven voor het doden van duiven, zoals het verjagen van duiven met akoestische en visuele signalen, het moeilijk maken van binnentreden van gebouwen door afdichten met gaas, broeden/nestelen voorkomen met verweringsmiddelen en het zoveel mogelijk opruimen van terreinen en wegnemen van voedselbronnen.
Een onderbouwing voor het niet effectief zijn van deze alternatieven ontbreekt. Deze zijn niet afdoende onderzocht.

Daarnaast ontbreekt een belangrijk alternatief voor afschot: het plaatsen van duiventillen in combinatie met eimanipulatie (het vervangen of schudden van gelegde eieren, zodat ze niet uitkomen). In Duitsland wordt deze combinatie van methoden toegepast en inmiddels hebben daar 11 steden deze duiventillen met succes geplaatst.

Het besluit verleent toestemming voor het gebruik van het luchtdrukgeweer binnen de gehele provincie Groningen, terwijl uit het besluit niet blijkt dat per locatie afzonderlijk is onderzocht welke concrete overlast, schade of gezondheidsrisico’s zich voordoen, welke omvang deze hebben en waarom juist afschot op die specifieke locatie noodzakelijk en proportioneel is.

Verder worden de eveneens in het besluit genoemde redenen voor afschot: natuurbescherming, het waarborgen van veiligheid en het beschermen van het milieu, in het besluit op geen enkele wijze toegelicht, laat staan deugdelijk onderbouwd.

Evenredigheid
Om de belangen ‘belangrijke schade’ en ‘volksgezondheid’ aan te tonen, veegt Groningen een aantal argumenten op een hoop, die er vooral op gericht lijken het negatieve imago van de (stads)duif te benadrukken: duivenpoep, parasieten en hygiëne-risico’s, geluidshinder, het veroorzaken van verstoppingen en schade aan gebouwen en het blijven liggen van voedsel.
Dat deze ‘problemen’ afschot rechtvaardigen wordt nergens onderbouwd met bijvoorbeeld de ernst van de overlast, of de effectiviteit van afschot.

Afschot heeft geen aantoonbaar duurzaam effect op de omvang van de populatie – terwijl dat nu juist de doelstelling van het besluit is. Als het effect van het doden van dieren beperkt of afwezig is, kan het besluit niet als evenredig worden beschouwd.

‘Korte’ termijn?
Het besluit wordt afgegeven voor een periode van maar liefst vijf jaar, waarbij naar de mening van de stichtingen het evenwel onduidelijk is waarom dit wordt gekwalificeerd als ‘korte’ termijn en hoe zich dit verhoudt tot het feit dat duiven zich nu juist snel kunnen voortplanten.

Onnodig lijden
Het besluit staat toe dat er ’s nachts wordt geschoten. Onder deze omstandigheden is de kans op verwonding in plaats van een snelle, humane dood aanzienlijk groter dan bij bestrijding overdag.

Verder wordt er geen rekening gehouden met welke individuele dieren wel en niet mogen worden afgeschoten. Dat jonge dieren in hun nest zonder ouders achter blijven en langzaam verhongeren – en dus onnodig lijden – is een reëel risico.

Risico
De maatwerkvoorschriften staan het gebruik van het luchtdrukgeweer toe binnen de bebouwde kom en op daaraan grenzende terreinen, met afwijkende munitie en buiten de reguliere jachtvelden. Dit brengt onaanvaardbare veiligheidsrisico’s met zich mee voor omwonenden, voorbijgangers, huisdieren en overige dieren in de omgeving, zeker in combinatie met het schieten in het donker.

Slotsom
De stichtingen zijn de mening toegedaan dat het besluit van de provincie Groningen in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel en dat het motiveringsgebreken vertoont. De stichtingen vragen de provincie Groningen daarom om het besluit weer in te trekken.